Ger Groot

Mythen

Het was vorig jaar een halve eeuw geleden dat Roland Barthes zijn Mythologieën publiceerde. De daarin gebundelde essays, eerder in diverse culturele tijdschriften verschenen, sloegen in als een bom. Nooit had men zich kunnen voorstellen dat een gedistingeerd academicus zich nog eens serieus zou bezighouden met onderwerpen als biefstuk-met-frites, het nieuwste model Citroën of de verpakkingen van Omo en Persil. Met Mythologieën was de kloof geslecht tussen hoge en lage cultuur en betoonde de universitaire geleerdheid dat ook zij wortelde in het leven van alledag. Dat laatste bleek net zo goed vatbaar voor semiologische analyse als het werk van Racine en Michelet, waarmee Barthes zich kort daarvoor nog had beziggehouden. Daarmee markeerden deze essays in Frankrijk het begin van wat later ‘culturele studies’ zou gaan heten.

Barthes had in zijn boek het bijtende portret getekend van de Franse consumptiemaatschappij aan de hand van haar mystificaties, aldus journalist en romancier Jérôme Garcin. Maar hoe ligt die maatschappij er intussen bij? Die vraag stelde het weekblad Le nouvel observateur aan een aantal schrijvers, met de opdracht een nieuwe ‘mythe’ te onderzoeken. Dat leverde een staalkaart op van hedendaags consumptiefetisjisme, idées reçues, taboes en vanzelfsprekendheden, kenmerkend voor de populaire cultuur van het Frankrijk van nu, en van ver daarbuiten.

Inmiddels zijn die stukken gebundeld: 32 in totaal, en aangevuld met nog eens bijna datzelfde aantal. Deze Nouvelles mythologies (Seuil) gaan over speed-dating, Zidane, Wifi, de euro, botox, 11 september en het verplichte opschrift ‘roken is dodelijk’ op pakjes sigaretten. Jean-Paul Dubois schrijft over de sushi, die de spreekwoordelijke steak-frites als nationale schotel verdrongen heeft ‘alsof het land plotseling geen honger meer had’. Frédéric Vitoux ziet in de Franse steden steeds meer fietsen verschijnen, want ‘de fiets is links, de fiets is militant, de fiets is milieubewust’ – en juist daarom wordt hij maar geen normaal vervoermiddel.

Marc Augé schrijft over het geruststellende ritueel van het 8 uur-journaal, waarvan de grootste gezichtsbepaler in Frankrijk, schrijver en journalist Patrick Poivre d’Arvor, elders in de bundel zelf opduikt als ‘mytholoog’ van abbé Pierre: het enige onderwerp in dit boek waarover ook Barthes zelf geschreven heeft. Pierre Assouline tekent een vernietigend portret van Michel Houellebecq (‘de man is een symptoom op zich’) en Gilles Lipovetsky becommentarieert de ook in Frankrijk woedende mode van de ‘peilingen’, waarin de natie zichzelf de identiteit verleent die haar niet langer van God gegeven wordt.

Opmerkelijk is het aantal mythologieën dat het bestaan dankt aan het verdwijnen van de religie (inclusief de terugkeer van de religie zelf, zoals terloops wordt opgemerkt). Volgens de lacaniaanse psychoanalyticus Jacques-Alain Miller past zelfs Google in die lijn: ‘God antwoordt niet meer; Google altijd, en wel meteen.’ Frédéric Beigbeder ziet de mensheid na Gods dood verdoold geraakt, maar op de valreep gered door het GPS-systeem dat ieder mens als een nieuwe ster van Bethlehem door het leven gidst.

Bijna even religieus beladen lijkt het schuldcomplex dat Philippe Delerm signaleert rond het mobieltje, dat ‘meestal niet aan staat’, zoals ieder die serieus genomen wil worden dwangmatig bevestigt, ter onderstreping van de eigen intellectuele onafhankelijkheid. De four-wheel-drive houdt volgens David Le Breton de mythe van de overlevingsstrijd levend, in een bestaan getekend door voorspelbaarheid, ANWB-borden en een comfortabel wegdek. De Smart heeft volgens Yves Simon de imposante verschijning van Barthes’ DS19 vervangen als het wagentje dat niets meer hoeft te bewijzen omdat het alles al heeft.

Zo liggen de nieuwe cultuurmythen erbij in de bazar van de ‘jaren 2000’, zo schrijft Jérôme Garcin in zijn voorwoord. Van hoofddoek tot Nespresso en van blog tot Idols tekenen ze haarfijn de gedaanteverandering uit die de samenleving in een halve eeuw ondergaan heeft. Misschien wel scherper dan Barthes ooit gedaan heeft vatten ze de kern ervan in weinig woorden samen: ‘De i-pod is: leven in een voortdurende musical.’

Die kortheid is zelf een van de opvallendste verschillen met Barthes’ eigen Mythologieën. Maar de analyse daarvan vraagt (of krijgt) geen verhandeling of volwaardig essay meer; ze is teruggesneden tot de lengte van een column. Het boek frappeert dan ook vooral door de oneliners die bij uitstek de hedendaagse mythologie van de mediasamenleving vormen. Die verandering is misschien wel de betekenisvolste van alle. Ze raakt de arbeid van de ‘mytholoog’ zélf, en daarmee de manier waarop de samenleving denkt. Maar juist naar de ontmaskering daarvan zoek je in deze bundel vergeefs.