NEDERLAND EN ISRAËL

Mythische natie in een lege woestijn

De ‘speciale band’ tussen Nederland en Israël, zoals minister Verhagen het noemt, had zijn wortels in de Tweede Wereldoorlog. Wie de recente Nederlandse literatuur over Israël erop naslaat, ziet dat er sprake is van een flinke verandering van perspectief.

In het voorjaar van 2001 verscheen er een opmerkelijke open-briefwisseling in Vrij Nederland. Een paar jaar daarvoor was de vriendschap tussen historicus Chris van der Heijden en het schrijversechtpaar Leon de Winter en Jessica Durlacher stukgelopen op een incident bij een boekpresentatie. Van der Heijden wilde het eerste exemplaar van zijn boek over middeleeuws Spanje publiekelijk overhandigen aan zijn vader, die in de oorlog uit volle overtuiging bij de Waffen-SS had gediend. ‘Daar wilde ik niet bij zijn’, schreef Durlacher. ‘Het zou van minachting voor mijn vader, die Auschwitz overleefde, hebben getuigd. (…) Ineens waren wij nakomelingen van onze ouders en leefde de oorlog weer.’

De briefwisseling verscheen toen Van der Heijden zijn spraakmakende boek Grijs verleden had gepubliceerd, waarin hij het sjabloondenken over goed en fout in de oorlog relativeert. Een groot pijnpunt voor Durlacher was dat Van der Heijden stelt dat het leeuwendeel van de Nederlandse bevolking zich nooit echt om de joden druk had gemaakt, sterker nog: in de eerste jaren na de oorlog was het antisemitisme juist toegenomen, en ‘de reusachtige verandering die sindsdien is opgetreden [is] nauwelijks anders uit te leggen dan als overcompensatie uit schuldgevoel’.

Durlacher reageerde gepikeerd: ‘Overcompensatie? Zijn de taboeïsering van het antisemitisme die in de jaren zestig inzette, het ontzag en de afschuw van het lot van de joden, nu ineens vormen van overcompensatie? Als dit het objectieve beeld is dat deze generatie nodig heeft, dan teken ik bezwaar aan.’ De geschiedenisfaculteit van de Vrije Universiteit achtte de ruzie zo exemplarisch voor de naoorlogse mentaliteit over goed-foutdenken dat ze de briefwisseling tijdenlang in de syllabus van het vak jongste geschiedenis opnam.

De Winter, Durlacher en Van der Heijden groeiden op in de jaren zestig, toen in Nederland het publieke discours over de oorlog werd gedomineerd door mensen als Abel Herzberg, Loe de Jong en Jacques Presser – een klimaat waarin de oorlog werd opgevoerd als een moreel ijkpunt, dat decennialang aanwezig bleef, bijvoorbeeld in het denken van mensen als Renate Rubinstein en Leon de Winter. Zeven van de tien Nederlandse joden hadden de oorlog niet overleefd, het hoogste percentage in Europa: steun aan Israël was bijna een morele verplichting geworden, en kritiek op Israël stond gelijk aan antisemitisme. In het discours over de oorlog ligt de kwintessens van wat minister Maxime Verhagen onlangs nog de ‘speciale band’ tussen Nederland en Israël noemde.

Opmerkelijk is dan ook het boek dat Chris van der Heijden (1954) nu heeft geschreven: Israël, een onherstelbare vergissing, over de totstandkoming van de staat Israël, zestig jaar geleden. Waar hij met Grijs verleden het goed-foutdenken van zijn generatiegenoten over de oorlog wilde relativeren, zo lijkt hij nu hun steun aan Israël met terugwerkende kracht in een ander daglicht te willen stellen. Het verband tussen Israël en de shoah is altijd onterecht geweest, schrijft Van der Heijden. De oprichting van Israël is het gevolg van de bikkelharde zionistische lobby, de zwak optredende Britten en de verdeelde Palestijnen. Daar had de shoah niets mee van doen; aandacht daarvoor kwam pas in de jaren zestig, toen het land al in zijn puberteit was.

Daar lijkt Van der Heijden een punt te hebben. Maar hij neemt een verkeerde afslag als hij schrijft dat in de illegale oprichting van de staat Israël de kiem ligt van alle problemen die het land nu kent. Onmiskenbaar speelt de shoah een cruciale rol in het voortbestaan van de staat Israël. Nederland kan daarover meepraten. Tijdenlang was Nederland het enige land in de regio met een Israëlische ambassade en was Schiphol de enige luchthaven waar de Israëlische maatschappij El Al op vloog. In 1973 besloot minister Vredeling – zonder met zijn collega’s te overleggen – direct wapens aan Israël te leveren voor gebruik in de Jom Kippoeroorlog. Als verklaring zei Vredeling later dat hij een herhaling van de holocaust had willen voorkomen. In het middelbareschoolonderwijs dat ondergetekenden hebben genoten, in de jaren negentig, leerden ze dat Israël gesticht werd na de oorlog, in een praktisch lege woestijn, omdat de joden een veilige thuishaven nodig hadden om aan verdere vervolging te ontkomen – opdat Auschwitz zich nooit zou herhalen. Dat het land werd belaagd door omringende Arabische staten en dapper terugvocht tekende alleen maar zijn vastberadenheid.

Die onvoorwaardelijke steun aan Israël lijkt generatiegebonden. Tussen neus en lippen door geeft Van der Heijden te kennen dat zijn boek het gevolg is van het Nederlandse holocaust-Israël-discours waarin hij is opgegroeid. Hij schrijft dat de emotionele betrokkenheid van sommige Nederlanders bij Israël groter is dan de betrokkenheid van anderen: ‘Tot die sommigen behoren in de eerste plaats de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog, plus hun kinderen, en in de tweede plaats wellicht de daders met hun kinderen. Tot die laatste groep behoor ik.’

Het boek van Van der Heijden richt zich vooral op de verdrijving van de Arabieren uit Palestina. Daarover is sinds eind jaren tachtig de Israëlische staatsdossiers werden vrijgegeven veel bekend geworden en ze vormt de basis van het werk van de New Historians, Israëlische historici die ongekend kritisch en controversieel naar de bijna heilig verklaarde geschiedenis van hun eigen land kijken. Van der Heijden citeert ze graag: Teddy Katz, Benny Morris, Tom Segev en Ilan Pappé. Hij lijkt daarmee de blinde vlek van zijn eigen generatie te willen wegnemen – alsof die ‘speciale relatie’ haar verhinderd heeft nieuwe kennis op te doen.

Inmiddels is er een nieuwe generatie aan het woord, wier ouders de oorlog niet hebben meegemaakt en die niet, zoals Van der Heijden, met dat specifiek Nederlandse holocaust-Israël-discours is groot geworden. Daarmee heeft er een paradigmawisseling plaatsgevonden: voor de huidige generatie, minstens twee generaties verwijderd van Auschwitz, is de oorlog niet langer een toetssteen voor moreel gedrag en is Israël een staat die los van de holocaust kan worden beoordeeld. Bijvoorbeeld als een militaire mogendheid van formaat, met een nucleair arsenaal, die hardhandig kan uitvallen tegen vermeende binnen- en buitenlandse dreiging.

Sinds de tweede intifada wordt er kritischer dan ooit over het Israëlische optreden geschreven: de bouw van de muur door de bezette gebieden, de nederzettingenpolitiek, de virtuele gijzeling van Gaza. Veel recent verschenen Nederlandse literatuur over Israël is gebaseerd op persoonlijke ervaringen en gesprekken met joden en Palestijnen, als het ware de oral history die bij de archieven van de New Historians hoort.

Dit perspectief is van toepassing op twee recente boeken: Niet iedereen kan stenen gooien van Arjan El-Fassed en De belofte en het land van Simone Korkus. Korkus, Midden-Oosten-correspondent voor onder andere Sunday Times en Vrij Nederland, reisde langs de grensafscheiding tussen Israël en Palestina en sprak bewoners aan beide zijden van de muur. El-Fassed, oprichter van de nieuwssite The Electronic Intifada, zoon van een Palestijnse vader en een Nederlandse moeder, vertelt een persoonlijke familiegeschiedenis.

Beide boeken lijken beïnvloed door de Joris Luyendijk-norm: Luyendijk prikte in Het zijn net mensen de mythe door dat Midden-Oostenverslaggeving evenwichtig was. Israël is niet alleen militair sterker dan de Palestijnen, maar ook veel beter in staat de nieuwsstroom naar zijn hand te zetten. Het gevolg is dat Korkus en El-Fassed geen aanspraak willen maken op ‘de waarheid’. Korkus voornaamste conclusie is dat ‘de’ waarheid over het conflict niet bestaat. Volgens Arjan El-Fassed is elke geschiedenis een keuze tussen feiten. Objectiviteit is een illusie en dus maakt El-Fassed direct duidelijk: ‘Ja, ik ben subjectief.’ In Niet iedereen kan stenen gooien vertelt hij over de bezoeken aan zijn Palestijnse familie in Nabloes op de Westelijke Jordaanoever, waar zijn oom Bassam burgemeester was totdat Israël in 1982 de gemeenteraden van Ramallah, El Bireh en Nabloes afzette. Een Amerikaans veto blokkeerde de VN-resolutie die het afzetten van de burgemeesters zou veroordelen.

El-Fassed is niet blind voor de conflicten die zich onder de Palestijnen afspelen. Hij laat zien hoe vóór de eerste intifada Palestijnse dorpsliga’s geld, wapens en gunsten aannamen van het Israëlische militaire bestuur en in ruil daarvoor optraden als gewapende politie binnen de Palestijnse gemeenschap. Het boek is een aaneenschakelingen van verhalen over bezetting, arrestaties en uitgaansverboden en genegeerde VN-resoluties. Historisch ijkpunt is daarbij het jaar 1948. Voor Israël was 1948 het jaar waarin de staat gesticht werd, voor de Palestijnen was het de Nakba, de Catastrofe.

Net als El-Fassed brengt ook Simone Korkus minder bekende details aan het licht. In De belofte en het land laat zij zien dat er tussen radicale gewelddadige Palestijnen en onderdrukte Palestijnen wier verhaal verteld moet worden een hele wereld zit. Zo sprak ze met Palestijnse zakenlieden die ondanks de bezetting bloeiende telecommunicatie- en softwarebedrijven hebben opgezet. Hun drijfveer: een economisch perspectief is de beste bijdrage aan Palestijnse onafhankelijkheid. Opvallend zijn ook haar gesprekken met joodse inwoners van de bezette gebieden: vaak blijken religieuze of zionistische motieven ondergeschikt aan pragmatische en economische motieven. Veel kolonisten zijn arme migranten uit de Verenigde Staten, Zuid-Amerika of de voormalige Sovjet-Unie. Volgens Korkus is zeventig procent van de kolonisten liberaal-joods of ongelovig. Ze gingen wonen in bezette gebieden, omdat het daar voor hen betaalbaar was, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Tel Aviv. Het is dezelfde reden waarom veel kolonisten er blijven, ondanks de dreiging van Palestijnse aanslagen.

Boeken als die van Van der Heijden en El-Fassed laten ook zien dat wat er voor de Tweede Wereldoorlog gebeurde even bepalend is geweest als de oorlog zelf. Voorheen begonnen verhalen over Israël pas bij de Tweede Wereldoorlog. De Balfour-declaratie en het einde van het Britse mandaat werden alleen kort aangestipt. Het wegvallen van dat ijkpunt opent ook een perspectief op de longue durée van de Israëlische geschiedenis. Die kan misschien beter beginnen bij de Sykes-Picot-overeenkomst van 1916, toen Frankrijk en Groot-Brittannië het Midden-Oosten met medeweten van Rusland onderling verdeelden. Toen de Britten, bij monde van Balfour, het idee van een Joods Nationaal Tehuis steunden, werd de aanwezige Palestijnse bevolking niet wezenlijk belangrijk geacht. In die zin is Israël niet de vrucht van de Tweede Wereldoorlog maar van de Eerste, en eerder een koloniaal bolwerk dan een autonoom fenomeen, een mythische natie, gesticht in een lege woestijn. Daarmee wijzigt het Israël-discours zich, opnieuw.

Chris van der Heijden, Israël, een onherstelbare vergissing, Contact, 159 blz., € 15,-

Simone Korkus, De belofte en het land: Een reis langs de Israëlische muur, Meulenhoff, 224 blz., € 22,50

Arjan El-Fassed, Niet iedereen kan stenen gooien: Een Nederlandse Palestijn op zoek naar zijn wortels en identiteit, Nieuwland, 251 blz., € 16, 90