Mythomaan

James Ellroy, Blood’s a Rover. € 18,95

Ook in de literatuur draait alles om verwantschap, om erfgenamen. Voor sommige schrijvers is het duidelijk waar de trekken en littekens van hun stijl vandaan komen. In een recent interview in dit blad vertelt Margaret Atwood bijvoorbeeld dat ze werkt in de ‘rechttoe-rechtaan-stijl’ van Robert Louis Stevenson en Jonathan Swift. Toen James Ellroy (1948) naar aanleiding van zijn roman The Cold Six Thousand (2001) werd gevraagd naar stilistische overeenkomsten tussen zijn proza en dat van James Joyce antwoordde Ellroy dat hij, in tegenstelling tot zijn Ierse collega, taal niet opzettelijk obscuur maakt. Zijn totaal uitgebeende staccato zou juist bijzonder helder zijn. Voor een auteur die zijn boek probeert te verkopen een begrijpelijk, maar onoprecht antwoord. Wie helderheid wil, moet wetboeken lezen. Ellroy, net als Joyce, net als Hemingway in zijn jonge jaren, heeft de taal in de bek gekeken en een stijl ontwikkeld die tegelijk duister en duidelijk is, gekunsteld en vanzelfsprekend. Een stijl waar, zoals dat gaat, mindere erfgenamen slechts de punchline van zullen onthouden.
The Cold Six Thousand is het middendeel van Ellroy’s Underworld USA-trilogie, die begon met American Tabloid (1995) en met het verschijnen van Blood’s a Rover nu is voltooid. Zestien jaar werk, een kleine tweeduizend pagina’s, en een nieuwe nominatie voor de canon. Het is moeilijk te beschrijven wat deze boeken zijn, wat ze doen, maar het is grote kunst die zo kan verwarren, verleiden, uitputten, verlichten en kan opbeuren. In de proloog van American Tabloid schrijft Ellroy: ‘Our continuing narrative line is blurred past truth and hindsight. Only a reckless verisimilitude can set that line straight.’ Er schuilt altijd iets aantrekkelijks in tomeloze ambitie, het impliceert een heldenmentaliteit, domme moed, de kans op werkelijk avontuur. Ellroy is onverschrokken, oneerbiedig, volledig mythomaan, volledig geobsedeerd. Natuurlijk is hij niet de enige schrijver die feit en fictie verweeft, in zijn geval de Amerikaanse jaren 1958 tot 1972. Maar hij is een Norman Mailer zonder diens literaire ijdelheid, een Robert Penn Warren die in peeskamers kijkt, een Gore Vidal on speed.
Het is daarom bijna verrassend dat het laatste deel Blood’s a Rover tot ruim de helft van de roman in energie en executie achterblijft bij zijn voorgangers. De toon is bedachtzamer, Ellroy laat meer lucht in zijn zinnen, personages krijgen meer tijd om hun drijfveren en details te onthullen. Het proza is begrijpelijker, normaler. De setting: Martin Luther King is dood, Robert Kennedy is dood – Amerika is klaar voor Richard Nixon. Geweldig materiaal, maar het lijkt alsof Ellroy’s personages deze keer langs de tijd lijken te schuren in plaats van er onoverkomelijk midden in te leven. De Dominicaanse Republiek en Haïti als beoogde vrijplaatsen van vertier werken niet, ze blijven exotisch decor en willen maar geen indringend voorbeeld worden van Amerikaans imperialisme. De dialogen zijn banaler, de dagboekfragmenten van verschillende hoofdfiguren lijken te veel door dezelfde hand geschreven. Wat is hier aan de hand?
Maar dan, over de helft, gaan de zinnen weer rommelen en openbaart zich de intentie van het tragere tempo. De basis van de trilogie is het idee van ‘the private nightmare of public policy’ (Ellroy). De protagonisten, corrupte overheidsdienaren, hitmen, afluisteraars, spionnen en revolutionairen zijn het voetvolk dat geweld gebruikt voor het van bovenaf gestuurde, gewenste politieke effect. In Blood’s a Rover zijn ze ook de ultieme slachtoffers van hun opoffering en machteloosheid. Zoals Dwight Holly, ‘The Enforcer’ van de FBI, die, overweldigd door zijn demonen, meermalen in een inrichting belandt: ‘The bed, the lawn. The white buildings, the injected sleep. (…) Thirteen years of penance tithes formed his time between stays. His first visit was happenstance. The context was drunken neglect. The issues raised were guilt payments and abstinence. This stay resulted from reckless intent and cruel political thinking. The death toll was uncountable. The mind-set that created the actions mandated a conscious address.’
Het idioom van de haat heeft plaatsgemaakt voor woorden van teleurstelling en verlies. Wie heeft gestreefd naar orde en gehoorzaamheid, ziet die verlangens vermorzeld door fanatisme en bedrogen loyaliteit. Wie hoopte op vriendschap of liefde ervaart hoe ingrijpend morele onverschilligheid menselijke verhoudingen aantast. Donald Crutchfield, professioneel voyeur en werkelijke hoofdpersoon van de roman, is het duidelijkste symbool van Amerikaanse vindingrijkheid en vernietigingskracht. Hij is ijverig, lijdzaam en intelligent, maar zijn werk voor de maffia en de overheid doet hem letterlijk afbrokkelen en hij eindigt als een jonge oude man met een leeg hart. Ellroy’s stijl buigt voor de rouw. Not with a bang but a whimper. Blood’s a Rover is een elegie.
Het zou funest zijn als de Underworld USA-trilogie ooit in één band verschijnt. Elk boek is te uniek van stijl om als feuilleton te worden genoten. Het advies zou kunnen luiden om vooral The Cold Six Thousand te lezen, daarna American Tabloid en dan Blood’s a Rover. Maar beter is het om niets over te slaan, om alles te lezen en het proza hardop te scanderen. Deze romans staan aan de frontlijn van waar het bij fictie om draait. Moed, instructie en zintuiglijk vermaak. Ze zijn James Ellroy’s magnum opus.

JAMES ELLROY
BLOOD’S A ROVER
Century, 640 blz., € 18,95