‘n reisje langs de rijn

Opgewekt sporen wij - A., P. en ik - richting Düsseldorf, op weg naar de Heinrich-Heine-jubeltentoonstelling. Wij weten wat ons te wachten staat: documenten, curiosa, teksten, portretten plus een reconstructie van dat fameuze Matrassengraf. A. en P. zijn beiden arts met een internationale reputatie. Dus overhandig ik ze een kopie van een doortimmerd ogend artikel (uit 1964) over ‘s dichters smartelijke ziekte, verlucht met details die te verschrikkelijk voor woorden zijn.

Het stuk is geschreven door dr. Arthur Stern, ‘Nervenarzt in Jerusalem (Israel)’. P. kijkt sceptisch. 'Een psychiater, waarschijnlijk. Dus iemand die even weinig van het zenuwstelsel weet als Freud. Laat me even lachen.’ Na een bladzijde of vier houden ze het voor gezien. Die Stern, constateren zij, is niet meer dan een oprechte amateur en zijn werkstuk heeft voornamelijk documentaire waarde. Niettemin, opper ik, wordt zijn theorie dat Heine aan lues cerebrospinalis (syfilis van het zenuwstelsel) is overleden, inmiddels door de complete Heine-kunde uitgedragen. 'Stuur wat neurologen een lijst met de symptomen, zeg niet om welke patiënt het gaat en ik garandeer je dat ze allemaal multiple sclerose zullen diagnostiseren’, zegt A. 'Hij kan natuurlijk MS èn syfilis hebben gehad’, zegt P. Zo werd een belangrijk stuk cultuurgeschiedenis herschreven.
De wijze waarop Heine stierf, heeft zijn biografie diepgaand beïnvloed. Sterf je aan MS, dan ben je een schlemiel. Sterf je aan syfilis, dan ben je een zedeloos jodenzwijn dat zijn martelgang aan zichzelf te wijten heeft.
De expositie is speels, wat anekdotisch, met oog voor het detail. Een zaal getuigt van Heines levenslange verering voor het libertaire Frankrijk. Een andere zaal hangt vol damesportretten, voedsel voor het idée reçue dat de dichter een vrouwenverslinder was. Een wand zeitgenössische portretten van Heine zelf toont hem in zowel zijn glans als in zijn oeverloze ellende.
'Maar erg op elkaar lijken doen ze niet. Is dat niet gek?’ constateert A. 'Het vreemdste is dat de patiënt afwisselend aan de linkerhand en de rechthand verlamd is. Daar klopt niets van’, zegt P.
Is er nog iets tentoongesteld dat een brug tussen Heine en Holland slaat? Ja, het Heine-portret van Ary Scheffer, al is dat waarschijnlijk apocrief. En de Nederlandse versie van Heines Loreley, temidden van 43 andere vertalingen. Deze oogt Vlaams: “k Geloof dat de golven, de boozen, verslonden schipper en kaan. Dat heeft met haar zingen, de booze, de Loreley gedaan!’
Wij begeven ons naar café Schnabelewopski, gevestigd in Heines geboortehuis. Zuchtend posteer ik de catalogus naast mijn stoel. De bijdrage van onze landgenoot Nop Maas ('Heine war ein Holländer’) heb ik al stiekem doorgekeken. Vraag de doorsnee twintigjarige in een discotheek naar Heine en hij denkt, zegt Maas, dat het de opa van bierbrouwer Heineken is. Het is mogelijk. Vast staat dat er in discotheken weinig Heine wordt gelezen.
Wij drinken een glaasje wijn. P. heeft zich een selectie van de aardigste prozafragmenten aangeschaft. 'Dan hoef ik niet al die ellenlange kolommen door te ploegen. Weet je al waar we gaan eten?’ Op een ander terras, aan de boorden van de Rijn met zijn 'spiegeln'den Welln’.
Nog maar een glaasje wijn? Welzeker! Desnoods twee.
'Leuk schoolreisje’, zegt P. tevreden.