De Groene Live #26: Strijd om de ziel van Amerika. Kijk woensdag om 20.30 naar de live-uitzending. Meer informatie

Charlie Hebdo - De wortels van het Franse jihadisme

‘Na’al abouk la France!’ (‘Krijg de klere, Frankrijk!’)

Na de jihadistische terreur in Parijs vreest Nederland een herhaling op eigen bodem. Maar niet elke jihadist is hetzelfde. Het Franse homegrown jihadisme is agressiever dan elders. Het gif van de Frans-Algerijnse oorlog borrelt telkens weer op.

Medium rutger hassan

Afgelopen vrijdag, toen de moordenaars van Charlie Hebdo waren omgekomen bij de drukkerij en de gijzeling in de joodse supermarkt in Parijs net was afgelopen, kwam er ook jihadisme-nieuws uit het westen. Na een juridisch gevecht van meer dan tien jaar was de Egyptisch-Britse radicale prediker Abu Hamza tot levenslange celstraf veroordeeld. De beruchte imam, die een oog en beide handen verloor als moedjahedien in Afghanistan, predikte bijna twee decennia lang een heilige oorlog tegen het Westen, pal in Finsbury Park in Londen. Groot-Brittannië stond machteloos – uiteindelijk nekte een uitlevering aan de Verenigde Staten de eenogige imam.

Het moderne jihadisme in Groot-Brittannië vindt zijn oorsprong in de jaren tachtig en negentig. Engeland ontvangt dan jonge Arabische jihadisten die hebben meegevochten in de ‘heilige oorlog’ tegen Rusland in Afghanistan. Ook invloedrijke jihad-ideologen – die in hun Arabische thuislanden moeilijkheden hebben met de autoriteiten – reizen af naar Engeland vanwege de soepele asielwetgeving en de ruime vrijheid van meningsuiting. Daar ontwikkelen ze het gewelddadig jihadistisch terrorisme verder en prediken het via hun eigen mediakanalen en moskeeën.

In 1998 publiceert Osama bin Laden in de Londense krant Al Quds Al Arabi een fatwa waarin hij moslims oproept om westerse burgers te doden ‘waar en wanneer dan ook’ als vergelding voor het Midden-Oostenbeleid van hun regeringen. Na de vogelvrijverklaring van westerse burgers komt 9/11, gevolgd door de oorlogen in Afghanistan en Irak met een grote militaire rol voor Groot-Brittannië. Deze ontwikkelingen zorgen ervoor dat het jihadisme in Engeland agressiever wordt en sterker dan voorheen gericht is op Engeland zelf.

De radicale ideologie trekt jonge en verweesde Britse Aziaten (vooral Pakistanen) aan die een groot ressentiment hebben tegen de Britse politiek en maatschappij. Het zijn deze jonge mannen, ideologisch geschoold in een doorgeschoten en agressieve Brits-jihadistische Umwelt, die in de jaren na 9/11 de jihad naar de vijand thuis brengen door zichzelf en anderen op te blazen in metrowagons en bussen, door een luchthaven aan te vallen, en op straat een soldaat dood te steken.

Britse jihadisten die op dit moment in Irak of Syrië vechten, maken er zeker sinds de drone-aanvallen tegen Islamitische Staat geen geheim van dat ze net als hun leermeesters en voorgangers dood en verderf willen zaaien in Engeland, hun thuisland.

Het Britse jihadisme onderscheidt zich door deze voorgeschiedenis van het jihadisme in Nederland en veel andere West-Europese landen. Het is radicaler en meer gericht op strijd tegen de eigen staat.

Het Franse jihadisme heeft echter veel gemeen met de Britse variant: het is agressief – zelfs nog agressiever dan het Britse jihadisme – en het is voornamelijk op het eigen land gericht. Ook opereert het in een traditie die enkele decennia oud is.

Zeker sinds de Tweede Wereldoorlog is Frankrijk het slachtoffer van terrorisme dat vanuit de islamitische wereld – Palestijns gebied, Syrië, Iran – wordt geïnitieerd. Homegrown terrorisme met een bijna exclusief jihadistisch karakter krijgt pas in de jaren negentig de overhand.

Net als Engeland ontvangt Frankrijk in die jaren jihadveteranen die in Afghanistan hebben gevochten. Via hen wordt de jihad-ideologie verspreid in Frankrijk. Het land maakt kennis met de Gang de Roubaix, een groep jonge Fransmannen die in Bosnië hebben gevochten en de agressieve jihad in Frankrijk willen voortzetten. De gia, een Algerijnse jihadistengroepering waarvan leden naar Frankrijk zijn uitgeweken vanwege de burgeroorlog die destijds in Algerije woedde, pleegt in dezelfde tijd bomaanslagen op openbare gelegenheden. Metro’s, een plein en een treinstation vormen het doelwit. De gia-leden brengen de jihad naar Franse bodem om politiek resultaat in Algerije te behalen en verspreiden tegelijkertijd het idee dat jihadistisch geweld gerechtvaardigd is. In de jaren na deze aanslagen wordt terreur – en de pogingen daartoe – een constante in het Franse jihadisme.

Veel Algerijnse Fransen associëren Frankrijk nog altijd met de arrogante, wrede heerser van toen

De gebroeders Kouachi, die de aanslag op Charlie Hebdo pleegden, staan volledig in deze traditie van agressief jihadisme. Het zijn jonge beurs (Noord-Afrikanen), geboren in Parijs en als weeskinderen opgegroeid in tehuizen. Ze volgen het parcours dat talloze westerse jihadisten zijn gegaan: van kleine kruimeldief tot radicale islamist. Een shortcut naar respect.

Ze worden lid van de zogenaamde ‘Buttes-Chaumontgroep’, een verzameling jonge Franse moslims die samen hardlopen en discussieren over de jihad. Nationale ontwikkelingen – hoofddoekverbod (2004), rellen in de banlieues (2005) – en internationale ontwikkelingen – de Amerikaanse invasie en oorlog in Irak (2003) – leiden tot een harder jihadistisch standpunt bij de broers Kouachi. De jongste van de twee, Chérif, ronselt jongeren voor de jihad tegen Amerikanen in Irak, maar heeft ook de ambitie een Frans doel – liefst joods – aan te vallen. Als hij zelf aanstalten maakt om naar Irak te vertrekken, wordt hij opgepakt en tot drie jaar gevangenisstraf veroordeeld.

Het is in de gevangenis (2005) dat Chérif Kouachi en draaideurcrimineel Amédy Coulibaly ertoe worden aangezet om terreur op Franse bodem te plegen. In Europa’s grootste en beruchtste gevangenis, Fleury-Mérogis, ontmoeten ze de charismatische Djamel Beghal (1965), die betrokken is bij gia en bevriend met bekende jihadveteranen in Londen. Ook na zijn vrijlating in 2009 fungeert hij als mentor van Kouachi en Coulibaly en hij betrekt hen bij het plan om Smaïn Ait Ali Belkacem te bevrijden, een terrorist die een levenslange gevangenisstraf uitzit voor zijn aandeel in de bomaanslagen op de Parijse metro in 1995. Voor dit plan draait Beghal in 2010 nog een keer de gevangenis in. Coulibaly moet een gevangenisstraf tot 2013 uitzitten, Kouachi wordt vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs.

De gebroeders Kouachi waren de perfecte leerlingen van hun Franse jihadistische voorgangers, ideologisch geschoold en tussen 2009 en 2012 militair getraind door al-Qaeda in Jemen. Na terugkeer in Frankrijk wachten ze geduldig de dag af dat ze de oude lijn van jihadistische terreur in Frankrijk kunnen doortrekken. Veelzeggend is dat ze niet gaan strijden in Irak en Syrië, of, als ze er wel zijn geweest, er in ieder geval niet zijn gebleven. De jihad in Frankrijk heeft hun grootste voorkeur.

Ook de ongeveer zevenhonderd Franse jihadisten die wél in Syrië of Irak zitten houden hun aandacht gericht op hun thuisland. Samen met de Britse jihadisten behoren ze tot degenen die het meest expliciet zijn in hun wens om terug te keren en de jihad in hun thuisland voort te zetten. Op sociale media en in officiële pr van Islamitische Staat uiten Franse jihadisten die dreigementen richting Frankrijk en roepen ze thuisgebleven jihadisten op om het heft in eigen handen te nemen. Met als gevolg dat alleen al in het afgelopen anderhalf jaar vijf grote aanslagen zijn verijdeld waar teruggekeerde Syriëgangers en sympathiserende thuisblijvers achter zitten. Ook heeft Frankrijk sinds een jaar te maken met jihadistische lone wolfs die agenten en militairen aanvallen.

Mohammed Merah die in 2012 in Toulouse verschillende mensen doodschoot, Mehdi Nemmouche die vorig jaar een slachting aanrichtte in het Joods Museum in Brussel, de gebroeders Kouachi en Amedy Coulibally: het zijn allen exponenten van een Frans jihadisme dat altijd bovenmatig op de eigen omgeving is gericht.

Medium rutger hassan2

Specifiiek aan het Franse jihadisme is de Algerijnse achtergrond van veel terreurplegers. De relatie tussen de Algerijns-Franse minderheid en de Franse samenleving is veel rauwer en scherper dan bijvoorbeeld die tussen Nederland en zijn afstammelingen uit Marokko en Turkije. Sterker nog, die relatie is zó giftig, aldus het in 2014 verschenen boek The French Intifada: The Long War between France and its Arabs, dat bij jonge moslims in Frankrijk ‘elk gevoel van een authentieke identiteit is verwoest’ en een diepe wens is geworteld om wraak te nemen op Frankrijk. De oorzaak daarvan ligt in de uiterst wrede Frans-Algerijnse oorlog van een halve eeuw terug, die ook het Franse populisme zijn nare anti-moslimdimensie heeft gegeven.

Algerije maakte sinds 1830 deel uit van Frankrijk. Niet als koloniaal buitengewest, maar als integraal deel van het land en dus met dezelfde officiële status als Bourgondië of Normandië. Honderdduizenden Europeanen verhuisden er naartoe en prachtige koloniale centra verrezen in steden als Algiers en Oran. De elites waren Frans, en de Franse kolonisten en hun nazaten, de zogenaamde pieds-noirs, beschouwden Algerije evenzeer als hun land als dat van de inheemse bevolking.

De bitterheid van de uit Algerije verdreven pieds-noirs en militairen vertaalde zich rechtstreeks naar het Front National

Vanaf 1954 woedde er een bevrijdingsoorlog. Dat is althans de nette term voor de lange jaren van guerrilla in krappe volkswijken en de woestijn, met terrorisme, moorden en verdwijningen, bloedbaden onder pieds-noirs en Algerijnen, opzettelijke wreedheden en wijdverbreide marteling aan beide zijden. Op een bevolking van tien miljoen mensen werden er naar schatting een miljoen gedood, en een miljoen pieds-noirs vluchtten in 1962 naar Frankrijk.

De oorlog heeft diepe wonden achtergelaten in Algerije. Geen analist die het land beschrijft, laat na om erop te wijzen dat de Algerijnse burgeroorlog in de jaren negentig – opnieuw een wreed en chaotisch conflict – en de blijvende gewelddadigheid van de Algerijnse samenleving, hun wortels hebben in de bevrijdingsoorlog. Ook in Frankrijk liet de oorlog diepe sporen na. Het behoud van Algerije werd voor rechts Frankrijk en het leger een steeds bitterder noodzaak. Het leidde tot politieke chaos: zes regeringen vielen over ‘Algerije’ en toen president De Gaulle een referendum over onafhankelijkheid aankondigde in Algerije leidde dat tot verschillende moordaanslagen door verbitterde Algerije-veteranen en een mislukte staatsgreep door hoge militairen. Tijdelijk werden tanks geposteerd voor de Assemblée; Frankrijk stond even op de rand van een burgeroorlog.

De bitterheid van de verdreven pieds-noirs en rechtse militairen vertaalde zich rechtstreeks naar het Front National, via oud-parachutist Jean-Marie Le Pen (die werd beschuldigd van martelingen in Algiers) en vele aanhangers. Die bitterheid vormt een onzichtbare maar belangrijke onderstroom in het Franse populisme. En het gevoel is wederzijds: veel Algerijnse Fransen associëren Frankrijk nog altijd met de arrogante, wrede heerser van toen.

De wrok over de burgeroorlog wordt nog extra aangezet door twee pijnlijke trauma’s. De eerste is de weggedrukte herinnering aan een grote pro-Algerijnse demonstratie in Parijs op 17 oktober 1961. Onder leiding van de beruchte politiechef Maurice Papon, die later zou worden veroordeeld voor medeplichtigheid aan de holocaust, sloeg de Parijse politie de demonstratie uiterst bruut uit elkaar. Gevangen demonstranten werden afgetuigd in cellen en honderden mensen werden in de Seine gegooid. Onofficiële schattingen noemen vaak tweehonderd doden en duizenden gewonden. In Caché zette filmmaker Michael Haneke die donkere dag neer als een verzwegen trauma in de Franse maatschappij.

Het tweede trauma is dat van de Harki’s, de Algerijnen die vaak in burgermilities aan Franse kant vochten. De Gaulle blokkeerde hun komst naar Frankrijk, terwijl rechtse militairen hen tegen de orders in juist hielpen vluchten. Zeker 50.000 tot misschien 150.000 Harki’s werden in Algerije vermoord na het vertrek van de Fransen, opnieuw vaak op extreem wrede wijze. Een kleine honderdduizend mensen bereikten Frankrijk, maar werden daar aan hun lot overgelaten. Ook in Frankrijk werden ze door andere Algerijnen buitengesloten of aan wraakacties onderworpen. Van de ongeveer vijf miljoen Fransen van Algerijnse afkomst stammen er naar schatting achthonderdduizend af van Harki’s, en ook die nazaten dragen het stigma mee.

Het gif van de Algerijnse oorlog borrelt telkens weer op in Frankrijk: bij staatsbezoeken, in de politiek, bij rellen in de voorsteden, bij voetbal. Illustratief is de kortstondige euforie over de ‘Regenboognatie’ die in 1998 het WK voetbal won. Het Franse team van dat jaar bevatte niet alleen spelers uit alle windrichtingen van Frankrijk, maar ook spelers met hun wortels in Guadeloupe, Ghana, Armenië, Senegal en nog een trits voormalige koloniën. De ster was Zinedine Zidane, zoon van Algerijnse immigranten in Marseille. Het Front National en Le Pen, die dat team haatten, ondergroeven de nieuwe verbondenheid – l’Effet Zidane – door de ster te doven.

‘De enige reden waarom Zidane geaccepteerd zou worden door Fransen is dat zijn vader een Harki was’, verklaarde een medewerker van Le Pen, en die boodschap werd consequent herhaald. Hoewel Zidane het tegensprak, deed het gif zijn werk. Bij een vriendschappelijke wedstrijd tussen Frankrijk en Algerije, in Parijs eind 2001, barstte de bom. ‘Zidane Harki’ galmde het door het voornamelijk door Algerijnse Fransen bevolkte stadion. Zidane noemde het de zwartste dag uit zijn leven. De wedstrijd eindigde met een invasie van het veld door jongeren die Bin Ladens naam en anti-Franse leuzen schreeuwden. De Regenboognatie was dood. Als bevestiging daarvan haalde Le Pen een paar maanden later de tweede ronde van de presidentsverkiezingen.

Hoewel het begrijpelijk is om integratieproblemen in Frankrijk direct te spiegelen aan die in Nederland zit er onder de Franse problemen een diepere laag. Bij Frankrijks grootste allochtone groep zijn een instinctieve haat en afwijzing van de Franse staat en samenleving (die vaak met de staat wordt vereenzelvigd) een breed gedeelde houding. Dat echoode door in de natiewijde rellen in banlieues in 2005 en 2009 en in de duizenden kleinere confrontaties die het Nederlandse nieuws niet halen.

De intieme, rauwe en onopgeloste relatie tussen Algerije en Frankrijk vormt een belangrijke dimensie van de islamitische terreur die Frankrijk treft. Zolang het collectieve trauma van de Algerijnse oorlog wordt gekoppeld aan het gevoel bij Algerijnse Fransen dat zij tweederangs burgers zijn, zal dat extra wrok opleveren. Historicus Andrew Hussey, de schrijver van het eerder genoemde The French Intifada, suggereert in zijn boek dat Algerijnse Fransen lijden aan een collectief trauma, dat zich uit in een breed gedragen wens om wraak te nemen om de ‘kolonisator’ die dat veroorzaakte. Hussey beschrijft in zijn boek hoe hij Algerijnse Fransen na de wedstrijd tegen Frankrijk gepassioneerd ‘Na’al abouk la France’ hoort zingen (‘Krijg de klere, Frankrijk’) – veel meer dan alleen een voetballied. Alleen het verstrijken van de tijd kan die rauwe wond helen, meent Hussey. Daar kan sinds vorige week weer een aantal jaar bij worden opgeteld.


Beeld: (1) Dick Tuinder (2) Bas Köhler