Van wie is de stad?

Na de euforie…

Amsterdam is verworden tot een carnavalsstad waar beleggers hun vingers bij aflikken en waar toeristen en kenniswerkers de lagere inkomens verdringen. Ook bij bestuurders die het zo ver lieten komen valt nu het kwartje: dit kan zo niet langer. Wat is het plan?

Medium beeldunie 00026324
Damrak, Amsterdam 2014 © Pepijn Hooimeijer / De Beeldunie

In korte tijd is Amsterdam ingrijpend veranderd. Het doembeeld van de onbetaalbare stad die wordt geteisterd door een overvloed aan bezoekers is dichterbij gekomen dan we allemaal hadden gehoopt. Woningprijzen blijven stijgen, beleggers blijven komen, de binnenstad lijkt steeds meer op een openluchtmuseum en niemand heeft een adequaat antwoord. Nu de campagne voor de gemeenteraadsverkiezingen is losgebarsten roepen alle partijen om het hardst wat zij willen doen om de boel weer in het gareel te krijgen. De SP wil Amsterdammers voorrang geven voor een woning en pleit voor een woonplicht voor huizenbezitters om speculatie en dure verhuur tegen te gaan. d66 zegt alles te willen doen voor betaalbare woningen voor de middenklasse en harde maatregelen te willen nemen tegen de gevolgen van het massatoerisme. De pvda stelt een verbod op Airbnb voor en wil tot 2030 120.000 woningen bijbouwen. De vvd houdt wijselijk haar mond, terwijl fractievoorzitter Rutger Groot Wassink van GroenLinks in gesprek met at5 zegt: ‘Amsterdammers snakken naar een andere koers.’

Het is de meest verstandige opmerking die ik tot nu toe in de campagne voorbij heb horen komen. In tegenstelling tot zijn collega-lijsttrekkers laat Groot Wassink zich niet verleiden tot campagneretoriek, maar kiest hij voor een nuchtere en genuanceerde aanpak. Hij weet ook dat de problemen waar Amsterdam mee worstelt niet van de ene op de andere dag zijn ontstaan en dat ze niet zijn op te lossen met een willekeurige combinatie van stoere maatregelen.

Na dertig jaar van bevolkingsgroei, economische groei, toenemende welvaart en euforie is de stad op een dood spoor beland. Woningen zijn inmiddels onbetaalbaar voor zowel lage als middeninkomens, het aantal toeristen neemt nog steeds ieder jaar toe en de tweedeling tussen rijk en arm wordt groter, terwijl marktpartijen uit binnen- en buitenland zich te goed doen aan de winsten die in de stad kunnen worden gemaakt.

Ik weet dat het is hoe de politiek werkt, maar het is desondanks storend om te zien dat partijen die vier jaar de tijd hebben gehad om iets te doen aan de situatie nu ineens met allerhande oplossingen komen. d66 heeft de problemen met het groeiende toerisme jarenlang weggelachen. Bewoners van de binnenstad die klaagden over de overlast van zuipende Britten en blowende Italianen of over het verdwijnen van buurtwinkels werd duidelijk gemaakt dat ze dan maar beter naar een dorp konden verhuizen. Drukte hoorde nu eenmaal bij een grote stad.

Als wethouder van Economische Zaken heeft d66’er Kajsa Ollongren twee jaar lang geweigerd om serieus het gesprek aan te gaan met bezorgde bewoners en ondernemers, die steeds harder riepen dat de grens van het toelaatbare bijna was bereikt. Toen ze eenmaal door had dat ze zich niet langer kon verschuilen, zei ze dat het probleem in 2014 nog niet speelde, dat er geen goede feiten en cijfers waren en dat het logisch was dat het even duurde voordat er maatregelen werden genomen.

Als dat waar is ben ik zelf een waarzegger, want ik schreef al in 2012 over de gevaren van het toerisme en het voorbeeld van Venetië als doemscenario. Ik werd uitgelachen door bestuurders, raadsleden, beleidsmakers en andere deskundigen die wezen op de grote verschillen met Amsterdam. Venetië is niet bereikbaar met de auto, speelt nauwelijks een rol in de diensteneconomie en koos uit pure noodzaak en wanhoop voor een toekomst als toeristenbestemming. Dat is allemaal waar, maar zoals toerismedeskundige Jan van der Borg van de Katholieke Universiteit Leuven in 2016 tegen me zei: ‘Maak je geen zorgen, als je niets doet wordt elke stad zoals Venetië.’

Ik ben ook niet de enige die al jaren wijst op de zorgwekkende ontwikkelingen in de stad. Al zes jaar geleden sprak ik woordvoerder Machteld Ligtvoet van Amsterdam Marketing, die zei dat Amsterdam zich niet moest overgeven aan de macht van de toeristenindustrie. Als het aan de touroperators lag, dan zouden de grachten bij wijze van spreken worden geasfalteerd om ze beter bereikbaar te maken. ‘Voor hen is het echt een groot bezwaar dat ze hun gasten niet voor de deur van het Anne Frankhuis kunnen afzetten, maar dat ze driehonderd meter moeten lopen.’ Als Amsterdam zich te veel zou plooien naar het toerisme, dan zou het zijn authenticiteit verliezen, zei Ligtvoet. ‘Als je niet oplet word je een openluchtmuseum zoals Venetië. Een stad zonder ziel. Heel mooi om te bewonderen, maar er wordt niet geleefd.’

***

Nog tien jaar eerder was het voorzitter Els Iping (pvda) van Stadsdeel Centrum die zeer publiekelijk de strijd aanbond met de vercommercialisering van de binnenstad. Ze liet vlaggen weghalen van gevels, beperkte de ruimte voor terrassen en sprak zich constant uit over de overlast die zij en veel medebewoners van het centrum iedere dag ervoeren. Bootjes met half blote mannen en vrouwen, dronken en uitgelaten dansend op snoeiharde muziek. Stoepen die onbegaanbaar waren door de onbegrensde en ongegeneerde uitbreiding van cafétafels en -stoeltjes, waardoor haar schoonmoeder van 93 met haar rollator moest uitwijken naar de straat. ‘Levensgevaarlijk’, zei Iping toen ik haar voor het eerst sprak in 2012. Ook zij werd uitgelachen en weggehoond als gezicht van de ‘vertrutting van Amsterdam’, zoals vvd-fractievoorzitter Frits Huffnagel het keer op keer noemde. Feest, drukte en straatleven hoorden bij een grote stad als Amsterdam, vond hij en vonden velen met hem. Maar er is een verschil tussen het type feest, drukte en straatleven dat hoort bij een grote stad en het soort dat past in een carnavaleske omgeving zoals Disneyland of het huidige Venetië. >

Het was achteraf gezien misschien geen toeval dat het juist Iping was die het eerder zag dan haar jongere collega-politici. Ze kocht haar huis op de Wallen in de jaren zeventig, toen de buurt was vergeven van heroïnejunks en prostituees. Toen gewone mensen naar de nieuwe buitenwijken van de stad of naar Almere en Purmerend verhuisden of naar het aangeharkte Gooi koos zij er bewust voor om te leven in de ruige chaos die de stad toen was. ‘Ik houd van de vele toeristen’, zei ze zes jaar geleden. ‘De drukte, de dynamiek van de stad, dat houdt het spannend. Maar in het spanningsveld tussen toeristen, werkende mensen en bewoners moet je constant op je hoede zijn dat geen van deze groepen verliest. In Venetië hebben de toeristen gewonnen, in het centrum van Londen heeft het werken gewonnen, in Amsterdam lukt het ons nog steeds om de balans te bewaren.’

***

Dat was ruim twee miljoen bezoekers per jaar en vijf miljoen hotelovernachtingen geleden. Volgens gegevens van de gemeentelijke dienst Onderzoek, Informatie en Statistiek trok Amsterdam in 2012 5,7 miljoen bezoekers en waren het er in 2017 7,8 miljoen. Het aantal overnachtingen steeg in die periode van tien naar vijftien miljoen per jaar.

‘Voor touroperators is het een groot bezwaar dat hun gasten driehonderd meter moeten lopen naar het Anne Frankhuis’

Dat is niet vanzelf gebeurd. Tijdens de economische crisis die uitbrak na het instorten van het financieel stelsel koos de gemeente er bewust voor om het toerisme ruim baan te geven. De werkloosheid in de stad nam snel toe. Omzetten in de financiële sector en andere dienstverlenende sectoren, maar ook in de bouw en de horeca, kelderden. Er was oprecht reden voor zorgen. Als er tienduizenden mensen werkloos thuis zitten, is niets doen geen optie. Omdat het toerisme een van de weinige sectoren was die met relatief makkelijke maatregelen een flinke impuls kon krijgen, gingen wethouder Carolien Gehrels en burgemeester Eberhard van der Laan de boer op. Ze reisden naar beurzen over de hele wereld om de stad als toeristenbestemming te promoten en benadrukten tijdens handelsmissies de aantrekkelijkheid van de stad voor bezoekers. Er werd actief gezocht naar nieuwe hotels voor in de binnenstad en touroperator en souvenirhandel Tours & Tickets kreeg volop ondersteuning om uit te breiden. Het beleid had succes. Na een dip in het aantal bezoekers in 2008 en 2009 begon in 2010 de grote opmars van het massatoerisme. Tot tevredenheid van Gehrels. ‘We hebben toeristen nodig om onze culturele voorzieningen in stand te houden’, zei ze zes jaar geleden, toen de zorgen en de kritiek van bewoners en van een klein gezelschap deskundigen serieuzer werd.

Medium gettyimages 916055540
Damrak, Amsterdam, 1963 © GHI / Universal History Archive via Getty Images

Ze zei ook dat ze mensen altijd vertelde dat Amsterdam het mooist is in het voorjaar en in het najaar, als het weer nog zacht is, maar als de straten weer rustig zijn na de drukte van de zomer. Of dat betekende dat ze hoopte dat het zo rustig zou blijven? Nee, dat niet, ze hoopte juist dat ook toeristen die periode zouden ontdekken. De grens van het aantal bezoekers was in haar ogen nog lang niet bereikt, er was nog volop rek. Dat zat ’m vooral in een betere spreiding over het jaar en over de stad.

Zo bezien is het een groot succes dat hotels en Airbnb-verhuurders ook in de maanden tussen oktober en april hoge omzetten draaien. Van een echt laagseizoen is inmiddels al lang geen sprake meer. Het Amsterdam Light Festival dat sinds 2012 jaarlijks plaatsvindt in december en januari is een symbool van het bewuste beleid om bezoekers ook in de donkere maanden naar de stad te trekken. Onder aanvoering van oprichter Felix Guttman van rondvaartbedrijf Canal Company en met financiering van de gemeente en van ondernemers uit de toeristische sector zet het semi-artistieke festival Amsterdam op de kaart als winterbestemming. Hetzelfde geldt voor de wintermarkten die tot afgrijzen van veel bewoners ieder jaar terugkomen op verschillende pleinen in het centrum.

***

Ik ben me ervan bewust dat het niet makkelijk is om een grote stad als Amsterdam te besturen. Ik heb ook bewust nooit gekozen voor een boze wijzende vinger. Opgeleid als planoloog en geograaf weet ik dat het moeilijk is om alle verschillende belangen goed af te wegen om een juiste balans te vinden tussen economische groei en terughoudendheid. Bovendien praat ik veel en vaak met raadsleden, wethouders, ambtenaren en andere deskundigen en weet ik dat de bedoelingen goed zijn.

De Groene Live #12 Van wie is de stad?

Onderzoeksjournalist Floor Milikowski deed voor De Groene Amsterdammer jarenlang onderzoek naar de veranderingen in Amsterdam en schreef hierover het boek Van wie is de stad. Op 23 februari is de presentatie, gevolgd door een debat.

Met onder anderen Frank de Grave (voormalig wethouder, Amsterdam), Laurens Ivens (wethouder Bouwen, Wonen en Dierenwelzijn, Amsterdam), Marjolein Moorman (fractievoorzitter PvdA Amsterdam) en André van Stigt (architect).

23 februari, 20.00 uur, Pakhuis de Zwijger

Toegang gratis, aanmelden verplicht, via dezwijger.nl

Maar dat betekent niet dat er geen grote fouten zijn gemaakt en dat het niet mogelijk was geweest om die te voorkomen of eerder te herstellen. Waarom heeft het tot 2016 geduurd voordat het college van b. en w. en de gemeenteraad erkenden dat er inderdaad een probleem aan het ontstaan was in het centrum? Waarom heeft d66 jarenlang geweigerd om verhuur via Airbnb te beperken en loopt fractievoorzitter Reinier van Dantzig nu te koop met de maatregel om het aantal verhuurdagen terug te dringen van zestig naar dertig? Waarom heeft het stadsdeelbestuur, later de stadsdeelcommissie, nooit zijn vingers willen branden aan het lastige dossier van de hotelstop? In 2016 had het de kans om de verbouwing van 28 brugwachtershuisjes in de stad tot hotelkamers tegen te houden, maar het bestuur koos er bewust voor om dat niet te doen.

De voorzitter van stadsdeel Centrum twitterde dat hij zich mateloos ergert aan bewoners die denken het beter te weten dan hij

Ook oordeelde de rechter dat de gemeente onterecht vergunning had gegeven aan het geplande Soho House aan de Spuistraat en het Heineken Hotel aan het Leidseplein. Via een beroepszaak bij de Raad van State hoopt de gemeente de komst van het Soho House alsnog mogelijk te maken, ondanks hevige protesten van omwonenden. Over het Heineken Hotel wordt nog gesproken. De gemeente blijft zich verschuilen achter cijfers over de grote economische waarde van het toerisme, waarvan duidelijk is dat ze een vertekend beeld geven.

Het geeft te denken. In wiens belang wordt er gehandeld en hoe oprecht zijn de uitgesproken ambities om de balans in de binnenstad terug te brengen? En waarom zegt Van Dantzig enerzijds dat hij wil dat er in de stad ruimte blijft voor kunstenaars en dat de gemeente bewuster moet omgaan met het vastgoed dat de gemeente zelf bezit, om vervolgens in te stemmen met de verkoop van betaalbare atelierruimtes op onder andere de Geldersekade en de Lauriergracht? Wat is dan het plan?

Een paar weken geleden schreef voorzitter van de stadsdeelcommissie Centrum Boudewijn Oranje op Twitter dat hij zich altijd mateloos ergert aan bewonersbijeenkomsten, waar bewoners denken het beter te weten dan hij. Het kwam hem op een stortvloed van kritiek te staan van betrokken Amsterdammers. Alsof zij niet snappen wat er gebeurt in hun stad en niet mogen meedenken over eventuele oplossingen.

Onder bewoners en ondernemers leiden de arrogantie en het wispelturige beleid tot wantrouwen en onvrede. Voorzitters Richard Francke en Zeger Stinis van de ondernemersverenigingen van de Dam en de Kalverstraat lieten dat duidelijk merken tijdens een gesprek dat ik met collega Saskia Naafs met ze voerde in het voorjaar van 2017. De ondernemers zelf hadden de kennis en de ideeën om iets te doen aan de toenemende monocultuur in de binnenstad, maar het werd ze nooit gevraagd. De enkele keer dat ze bij wethouder Ollongren mochten komen, voelde het niet als een constructief gesprek, maar als een audiëntie.

Dezelfde houding manifesteert zich steeds nadrukkelijker bij invloedrijke denkers binnen het ambtelijk apparaat en de kringen daaromheen. Bijzonder hoogleraar Zef Hemel van de UvA, een voormalig topambtenaar binnen de gemeente, was zes jaar geleden een visionaire denker over de toekomst van de stad, maar is nu vooral boos en verongelijkt over het onbegrip van anderen. Al jaren wijst hij op de noodzaak om als stad snel te blijven groeien. Als de stad niet uitbreidt naar een omvang van twee miljoen inwoners, dan delft Amsterdam volgens Hemel op korte termijn het onderspit in de harde concurrentiestrijd tussen steden wereldwijd. Hij wijst graag naar de Aziatische reuzen, die in een mum van tijd uitgroeien tot miljoenensteden en daardoor wat betreft economische potentie een groot schaalvoordeel hebben ten opzichte van Amsterdam. Ook maakt Hemel graag en vaak de vergelijking met het Canadese Toronto, dat er niet voor terugdeinst om in een ongekend hoog tempo overal in de stad wolkenkrabbers te bouwen om de bevolkingsgroei te accommoderen.

Als Amsterdam niet meegaat, dan is het snel voorbij, is zijn heilige overtuiging. Dan zullen getalenteerde jonge mensen kiezen voor een andere stad, in een ander land en dan zullen ook de bedrijven uit Amsterdam vertrekken. Hemel is zoals bijna alle bepalende bestuurders en beleidsbepalers die de afgelopen tien jaar aan de knoppen hebben gezeten een denker in de lijn van Richard Florida en Edward Glaeser, die zich op hun beurt hebben laten inspireren door Jane Jacobs.

***

Jane Jacobs verzette zich als journalist, activist en moeder van een kind in de jaren vijftig en zestig tegen de grootschalige sloop van oude woonblokken en gebouwen in New York. In die tijd werkte de idealistische maar rücksichtslose en oppermachtige planoloog en politicus Robert Moses aan een totale transformatie van Manhattan. De levendige, smalle straatjes met de vervallen maar sfeervolle woningen waren in zijn ogen niets meer dan viezigheid, rommel en armoede. Hij zag een New York voor zich met brede autowegen, moderne woonblokken en overzichtelijke openbare ruimtes. Hierin stond Moses niet alleen. Het modernistische bouwen domineerde in die tijd de stedenbouw in de hele westerse wereld. Ook in Amsterdam, waar onder meer de oude knusse Weesperstraat werd gesloopt om plaats te maken voor een vierbaansweg, geflankeerd door rechthoekige kantoren en flats.

Het was Jacobs die in New York als eerste de publieke opinie en later ook de politieke opinie wist te veranderen met haar meesterwerk Death and Life of Great American Cities. Hierin laat zij zien dat het niet de stenen zijn die het hart vormen van een stad, maar de mensen die erin wonen en het leven op straat. Zij beschreef tot in detail hoe de grootschalige sloop van Amerikaanse binnensteden en de bouw van kille, modernistische straten en gebouwen leidden tot ontzielde steden. Een stad is niets zonder de bruisende dynamiek van moeders, kinderen, winkeliers, vaders in het café en toevallige passanten, die samen de sfeer op straat bepalen, legde ze uit.

Jacobs was een pionier in een tijd dat niemand meer iets gaf voor de oude stad. Op zijn eigen manier was de hoogleraar geografie Richard Florida van University of Toronto een pionier toen hij als een van de eersten aantoonde hoe de opkomst van de diensteneconomie hand in hand ging met de wederopstanding van de stad. Zijn boek The Rise of the Creative Class uit 2002 heeft in de loop der jaren een bijna heilige status gekregen. Florida liet zien dat de creatieve kenniswerker, die de brandstof is van de diensteneconomie, een zeer bewuste keuze maakt om te wonen in een aantrekkelijke, levendige stad met veel gelijkgestemden. Daarnaast leverde hij het bewijs dat bedrijven zich vervolgens vestigen op de plekken waar veel creatieve kenniswerkers wonen. In het verleden was het altijd andersom geweest. Fabrieken vestigden zich in de buurt van grondstoffen of havens en arbeiders verhuisden naar de plek waar de kans op een baan het grootst was. Dat het vies en stinkerig wonen was onder de rook van de fabriek moest op de koop toe worden genomen.

Het werk van Florida gaf een wetenschappelijke verklaring voor het feit dat steden als Amsterdam, Londen, Parijs en New York een periode van ongekende hoogtij meemaakten. Hier waren de cafés, theaters en boekwinkels, hier heerste een gevoel van vrijheid, tolerantie en levensvreugde waar de creatieve klasse zich thuis voelde. En hier vestigden zich dus ook de reclamebureaus, banken, advocatenkantoren, mediaondernemingen en andere bedrijven op zoek naar getalenteerd personeel. >

‘We ontwerpen geen buurten meer, maar alleen nog maar gebouwen’

Vervolgens was het de beurt aan de econoom Edward Glaeser van Harvard University. In Triumph of the City uit 2011 betoogt hij dat het succes van steden afhangt van hun agglomeratiekracht. Hoe meer kenniswerkers zich clusteren op een specifieke locatie, des te groter de economische potentie is. Daarbij is het niet alleen belangrijk dat ze in dezelfde gemeente of regio wonen, maar ook dat ze fysiek dicht bij elkaar zijn. Op die manier is de kans op (toevallige) ontmoetingen het grootst en worden kennis en ideeën optimaal verspreid. Dit leidt weer tot innovatie en tot meer economische groei.

***

Het gedachtegoed van Jacobs, Florida en Glaeser is zichtbaar in alles wat er de afgelopen jaren in Amsterdam is gebouwd, aangelegd of geherstructureerd. Buurten moeten allemaal een levendige stadsstraat hebben, volgens de visie van Jacobs. Er moeten overal hippe cafés, winkels en musea zijn, om de stad zo aantrekkelijk mogelijk te maken voor de creatieve kenniswerker. Om de agglomeratiekracht te vergroten, worden nieuwe woningen zo compact mogelijk gebouwd in hoge dichtheden. Alles om de groei van de economie en de aantrekkingskracht van de stad te stimuleren.

Maar wat doe je als blijkt dat het succes ook zijn keerzijde heeft? Dat er ook grote nadelen kleven aan de opkomst van de creatieve klasse? Blijf je doorgaan of maak je pas op de plaats om nieuwe afwegingen te maken? Al zeker vijf jaar is het duidelijk dat niet alleen huishoudens met een laag inkomen, maar ook die met een middeninkomen steeds meer moeite hebben om zich in Amsterdam te handhaven. Woningprijzen zijn simpelweg te hoog om te kunnen betalen met een modaal salaris. Al in 2013 gaf nota bene Richard Florida zelf toe dat het succes van de populairste steden ten koste gaat van een groot deel van de inwoners.

Medium hh 69681060
Prins Hendrikkade, 2017 © Sabine Joosten / HH

Terwijl de prijzen van zowel woningen als dagelijkse uitgaven stijgen, blijven de inkomens van het grootste deel van de bevolking achter. Netto gaan de meeste mensen erop achteruit. Zij zijn gedwongen om te vertrekken en worden vervangen door welgestelde huishoudens, die de hoge kosten wel kunnen betalen. Een internationale kosmopolitische elite neemt bezit van de steden waar iedereen graag wil wonen. Ook van Amsterdam, waar beleggers vrij spel hebben en waar het aandeel hoge inkomens al jaren toeneemt. Het penthouse op de bovenste verdieping van het nieuwe Pontsteigergebouw in de Houthavens werd voor zestien miljoen euro verkocht. Op de Dam gingen appartementen in de verkoop met vraagprijzen variërend van 1,5 tot 24 miljoen euro.

Tegelijkertijd neemt de armoede in de stad toe, worden sociale huurwoningen duurder en schaarser en is er al jaren een schrijnend tekort aan woningen in het middensegment. We staan erbij en kijken ernaar. Vier jaar geleden was het realiseren van betaalbare woningen voor de middenklasse een van de speerpunten in de campagne van d66. De partij werd de grootste bij de verkiezingen en was leidend bij de formatie van het college. Maar van de ambitieuze plannen is niets terechtgekomen. Ook SP-wethouder Laurens Ivens van Wonen is er niet in geslaagd om iets te doen aan de grote problemen op de woningmarkt. Hij hield de boot af toen corporaties hem vroegen om te mogen bouwen voor het middensegment. Ook voelt hij niets voor een gezamenlijk plan van corporaties, ontwikkelaars en beleggers met ditzelfde doel. Zijn collega’s van d66 zijn weer faliekant tegen het beleid dat hij wist door te drukken om bij nieuwbouwprojecten een verdeling aan te houden van veertig procent sociale huur, veertig procent woningen in het middensegment en twintig procent in de vrije sector. Volgens Van Dantzig maakt Ivens Amsterdam op deze manier ontoegankelijk voor mensen met een goed inkomen.

Ondertussen weigerde vvd-wethouder Eric van der Burg jarenlang om de grondprijzen te verlagen als dat de bouw van betaalbare woningen mogelijk zou maken. En de pvda? Hoewel de partij zeer doelbewust door d66 buiten het college is gehouden, krijgt de partij nog steeds de schuld. ‘De pvda is verantwoordelijk voor elke steen die de afgelopen zestig jaar in Amsterdam is gebouwd’, zei Van Dantzig met een blik op onweer tijdens een gesprek in grand café Amstelhoeck.

Om moeilijke keuzes en maatregelen uit de weg te gaan, gaat men met de kop in het zand door op de weg die we al tientallen jaren bewandelen. We maken de stad leuker, bouwen woningen voor de creatieve klasse en overgieten het geheel met een sociaal sausje. Alsof de problemen op die manier zijn opgelost. Om te laten zien dat men zich ook in de Stopera bewust is van de woningnood worden de gekste plannen uit de kast getrokken. Een hoogbouwwijk op een volstrekt onlogische locatie aan het IJ, zeventigduizend nieuwe woningen in de havens aan de westkant van de stad en het nieuwe centrumeiland van IJburg waar bijna niemand over te spreken is. In bestaande buurten worden in hoog tempo grote nieuwbouwprojecten uit de grond gestampt. Bewoners die zich verzetten tegen de haast en onzorgvuldigheid waarmee dit vaak gebeurt, worden weggezet als egoïsten met enkel oog voor hun eigen belang.

Onder architecten, stedenbouwkundigen, ontwikkelaars en beleggers wordt de kritiek op de ondoordachte manier van bouwen groter. Wat voor buurten worden er gecreëerd? Hoe zullen de mensen er samen leven? Amsterdam heeft een lange traditie van zorgvuldige stedenbouw, met oog voor de samenleving die we voor ons zien. Maar dat aspect wordt in alle haast vergeten. ‘We ontwerpen geen buurten meer, maar alleen nog maar gebouwen’, zei architect Sjoerd Soeters in het najaar van 2017. Hij is een van de weinigen die zich openlijk durft uit te spreken. Collega’s delen zijn kritiek, maar zijn bang om opdrachten te verliezen en houden hun mond.

Om dezelfde reden blijft het stil binnen de Stopera. Ambtenaren die twijfels hebben over het beleid houden dit voor zich, bang om te worden berispt of ontslagen. Onder gemeentesecretaris Arjan van Gils heerst een strikt bewind, dat wordt vergeleken met een militaristisch regime. In de nieuwe gedragscode, die in de zomer van 2017 werd geïntroduceerd, werd in heldere bewoordingen duidelijk gemaakt dat openlijke kritiek op het gemeentebeleid in strijd is met de functie van ambtenaar. Het is een gemis dat er gezien de moeilijke opgaven waar Amsterdam voor staat geen ruimte wordt geboden aan een open en vrij debat over de toekomst van de stad.

Ondertussen verlaten gezinnen de stad omdat een plek waar alles draait om geld geen fijne plek is om te wonen. Bovendien zijn de woningprijzen inmiddels dusdanig hoog dat je voor een verkochte woning in Amsterdam twee keer zo veel vierkante meters terugkrijgt op een andere plek. Volgens de believers in de triomf van de stad is het enkel het gevolg van een gebrek aan woningen, maar volgens anderen is het een duidelijke kentering in woonvoorkeuren. Misschien is de hype wel voorbij en beginnen de voordelen van het wonen in de grote stad af te nemen, terwijl de nadelen toenemen.

In de hoop meer grip te krijgen op de ontwikkelingen spreken raadsleden en bestuurders veelvuldig de wens uit dat Amsterdam een eerlijke, diverse en inclusieve stad blijft, maar weet niemand wat dat precies betekent. Het zijn voorlopig slechts holle termen, voor ieder in te vullen op zijn eigen manier. Duidelijk is wel dat Florida en Glaeser niet het antwoord zullen geven waar we naar op zoek zijn. Nu de euforie over het succes van de stad geleidelijk plaats maakt voor zorgen over de keerzijde ervan is er behoefte aan een nieuwe manier van denken. Het gaat niet langer om het aantrekken van creatieve kenniswerkers en het vergroten van de agglomeratiekracht, maar om het eerlijker verdelen van welvaart en het bewaren van de balans in de stad.

Totdat duidelijk is wat daar precies voor nodig is, is het verstandig om pas op de plaats te maken. In het groeiende spanningsveld tussen de belangen van mensen die in de stad willen wonen en mensen die eraan willen verdienen en bij gebrek aan visie op de toekomst kan een moment van bezinning geen kwaad.