Hoofdcommentaar

Na de kruimels de echte dilemma’s

De toezegging om de schulden van achttien arme landen kwijt te schelden is goed nieuws voor Afrika en Latijns-Amerika. Geen weldenkend mens zal erop tegen zijn. Blair is te prijzen om zijn initiatief. De regeringsleiders van de G8 die akkoord gingen, verdienen lof om deze stap, die ertoe leidt dat nationale inkomsten beter kunnen worden ingezet dan voor het afbetalen van dure projecten uit het verleden of de verkwisting van Afrika’s steel klasse.

Het is een lastenverlichting waar arme landen met reden om vroegen, en niet omdat het geld voor hen nu eenmaal meer waard is of omdat zij zielig zijn. In de jaren vijftig en zestig staken veel arme landen op westers advies veel geld in grote, zware nationale industrieën die al snel een molensteen om de nek van hun econo mieën bleken. In de jaren zeventig en tachtig waren de leningen doorgaans politiek getint en vloeiden de fondsen naar staten wier leiders zich gepast anticommunistisch gedroegen – en zich daarna met hun entou rage rijkelijk van het makkelijke geld bedienden. Het was niet meer te verdedigen dat de huidige Afrikanen nog zo lang moeten betalen voor slechte westerse adviezen en slechte westerse beslissingen.

Toch is er niet alleen reden voor blijdschap. Ten eerste kwam deze moeizame deal er alleen omdat het om erg weinig geld gaat. Voor de landen in kwestie is de anderhalf miljard dollar die zij jaarlijks samen besparen een smak geld. Voor de G8 – die sinds hun principebesluit tot schuldenverlichting in 1996 nog bijna tien jaar nodig hadden voor het akkoord van zaterdag – gaat het om kruimels. Zo gaan de VS (overheidsbudget 2,4 biljoen dollar) jaarlijks 175 miljoen bijdragen. En daar moest Bush’ beste bondgenoot Blair na een aanvankelijke weigering nog hard voor vechten ook. Dat voorspelt weinig goeds voor duurdere maat regelen die ook ter sprake komen, zoals het opheffen van landbouwsubsidies in de VS en de EU en verdubbeling van het bedrag dat rijke landen jaarlijks aan ontwikkelingshulp afstaan, 41 miljard euro – ofwel 33 keer zo veel als de jaarlijkse schuldenverlichting.

Een tweede reden voor zorg is breder en laat moeilijker een duidelijke conclusie toe: meer financiële armslag bij regeringen is allerminst een garantie dat de armen zullen profiteren of dat onderwijs en gezondheidszorg zullen verbeteren. Want het ontwikkelingsprobleem is meer dan geld alleen.

Het verduidelijkt om eens te kijken naar een rijk land als de VS. De tientallen miljoenen Amerikaanse armen zullen er weinig van merken als hun regering plotseling meer geld krijgt. Onderwijs en gezondheidszorg zijn er voor een groot deel van de bevolking slecht geregeld, terwijl het land het rijkste ter wereld is. Geldgebrek bij de overheid is duidelijk niet de oorzaak van die problemen. Op dezelfde manier is het onmogelijk te zien hoe een mooie financiële meevaller voor een ontwikkelingsland als Nigeria de armen daar ten goede zal komen. Het land beschikt al decennia over een groot oliekapitaal en wist daar nooit wat van te maken. Voor andere Afrikaanse landen geldt in minder extreme mate hetzelfde.

Dus waarom blijven toch zoveel mensen geloven dat in ontwikkelingslanden alles afhangt van de overheidsfinanciën? Het is een sprookje dat in de schoolboeken van de jaren zeventig en tachtig is opgedoken en hardnekkig blijft bestaan: dat enkel hun schulden de arme landen belemmeren om een glorieuze toekomst in te marcheren. Als iets duidelijk is geworden uit zestig jaar ontwikkelingshulp, dan is het dat het antwoord niet ligt in geld alleen.

Een keur aan hulporganisaties kwam er in Afrika al achter dat het voornaamste probleem niet het vergaren van geld is, maar het investeren van dat geld in betrouwbare lange-termijn programma’s die structureel hulp bieden op de plaats waar dat nodig is. Neem de strijd tegen aids. Waar zijn die netwerken die continue distributie kunnen garanderen van grote hoeveelheden aidsremmers naar de talloze kleine dorpen waar Afrika’s aidsramp zich voltrekt, waar capabele en regelmatig betaalde verplegers en artsen volgens afspraak dagelijks op hun werk verschijnen, waar zij de medicijnen verstrekken en erop toezien dat iedereen geïnformeerd wordt en de jarenlange en lastige kuur geheel doorloopt om een resistent aids virus te voorkomen? Als zulke netwerken bestaan, liggen er vele miljoenen voor ze klaar, in vele valuta’s. Maar ze zijn er niet, bij over heden evenmin als bij particulieren en stichtingen.

Het afgelopen decennium hebben donoren daarom massaal gehamerd op goede instituties, betrouwbare civiele structuren, goed en doorzichtig bestuur. Maar wat als die er niet zijn? Het leidt tot een basisdilemma: geef je aan degene die het het meest verdient of aan degene die het het meest nodig heeft?

Ook na het G8-besluit speelde dit dilemma weer op, toen bekend werd dat de schuldverlichting voorbijgaat aan Kenia, dat zijn zaken financieel redelijk op orde heeft. Wat heeft zo’n straf voor goed beleid voor effect op de regio? We weten het niet.

Dergelijke dilemma’s duiken steeds op. Bijvoorbeeld rond het alom gewenste afschaffen van de EU-subsidies op landbouw, wat een enorme stimulans voor de export van Afrikaanse landbouwproducten zou zijn. Wat betekent dat voor de huidige afnemers in Afrika van het nu goedkope regionale graan? De regio’s waar nauwelijks wat groeit, of waar door oorlog of onrust niets geproduceerd wordt? Wordt de honger groter? We weten het niet.

Het zijn dilemma’s waar de G8 aan voorbijgaat en waar de G8 ook geen antwoord op hoeft te geven. Het vrijkomen van geld voor arme landen opent perspectieven voor de strijd van die landen tegen armoede en onderontwikkeling. Maar het is helaas niet meer dan dat: een schenking waar hopelijk iets goeds van komt. Een miljoen kwijtschelden is niet simpelweg een jaar lang twintigduizend kinderen voeden, verzorgen en onderwijzen, alle mooie retoriek rond de schuldenverlichting ten spijt. Daarvoor is armoede te weerbarstig.