Na de muur ophef en vertier in linkse kring

Kritiek: Jaarboek voor socialistische discussie en analyse, nrs. 1 t/m 3. De jaarboeken zijn te bestellen bij de Stichting Toestanden (tel. 030-962782), prijs f29,50 per deel of f75,- voor de eerste drie nummers.
Het lijkt al weer zo lang geleden, de tijd dat het begrip ‘linkse intellectueel’ werd beschouwd als een pleonasme en dat zelfs typen als Jan Lenferink, die de diepgang van een olievlek paren aan een bijzonder fijn ontwikkelde neus voor alles wat in de mode is, zich ‘trotskist’ noemden.

In die jaren waarin een beetje non-conformist zich aansloot bij de JOVD, bloeide het ‘linkse boek’ en dito tijdschrift. Uitgeverijen als Van Gennep, de Sun en de Sua gaven nagenoeg alles uit wat was voorzien van het etiket 'socialistisch’.
Wie alle radicaal-socialistische tijdschriften, brochures en pamfletten wilde aanschaffen, diende te beschikken over minstens een hoogleraarssalaris.
Hoewel al sinds het eind van de jaren zeventig in het socialisme behoorlijk de klad zat en bovengenoemde uitgeverijen zich steeds meer gingen richten op meer en vogue zijnde culturele onderwerpen en literatuur, is het toch vooral de revolutie van 1989 geweest die het radicale socialisme tot een uiterst marginaal verschijnsel heeft gemaakt. Linkse intellectuelen kregen een zekere zeldzaamheidswaarde en het werd voor hen steeds moeilijker hun ideeen te ventileren. Oude spreekbuizen raakten verstopt, voormalige podia en fora werden afgebroken of omgebouwd tot postmoderne uitstalkasten van de nieuwste keizerlijke garderobe.
Ruim een maand voor de val van de Muur deden twee linkse 'oudere jongeren’, de socioloog Marcel van der Linden en de historicus Wim Bot, een oproep om te komen tot een nieuwe socialistische spreekbuis. Het ging hun niet om het oprichten van een journalistiek periodiek, maar om een 'algemeen links medium waarin op wetenschappelijke wijze wordt ingegaan op de belangrijkste politieke vragen waarvoor de linkse beweging in de brede zin van het woord zich gesteld ziet’. Twee jaar later, in het najaar van 1991, verscheen het eerste nummer van Kritiek: Jaarboek voor socialistische discussie en analyse. Eind vorig jaar kwam de derde aflevering uit en op het ogenblik wordt, ondanks de voortdurend precaire financien, gewerkt aan nummer vier.
De redactie, die vanaf het tweede nummer is uitgebreid met de econoom Robert Went, erkent dat het 'wetenschappelijk socialisme’ weinig aanhangers meer telt, maar is niettemin van mening 'dat het voor een levendige en geloofwaardige radicale politiek nodig is op basis van degelijke studies en reflectie een algemene kritiek op de bestaande maatschappij te formuleren en de aanzetten van een algemeen alternatief te schetsen’. Tussen de brokstukken van de omvergehaalde ideologie bevinden zich volgens de redacteuren van Kritiek zeker nog bruikbare en zelfs onmisbare bouwmaterialen voor een nieuwe samenleving. Zoals het een echt discussieplatform betaamt is er geen sprake van ideologische homogeniteit. Zo bevatten de eerste drie afleveringen bijdragen van in politiek opzicht uiteenlopende mensen als Ger Harmsen, Cajo Brendel, Immanuel Wallerstein, Hein Wiedijk, Anneke van Baalen, Ralph Miliband, Saskia Poldervaart en Kees van der Pijl. Naast historische studies, recensies en polemieken bevatten de boeken veel studies over maatschappelijke ongelijkheid, ecologie, feminisme, politieke partijen, culturele minderheden en dergelijke.
'Jullie zijn overal tegen en nergens voor’, dat werd linkse jongeren in de jaren zestig en zeventig nogal eens verweten door de oudere generatie. En ook de naam Kritiek wekt de indruk dat de linkse intellectueel nog altijd wordt gekenmerkt door een bij uitstek negatieve drijfveer. Sinds Marx de zogenaamd 'utopische’ socialisten te lijf ging, is het in linkse kring gebruikelijker om te vertellen wat er nu niet deugt dan hoe je het straks wilt hebben. Het formuleren van een redelijk alternatief is nooit de sterkste kant van links geweest.
Dit gebrek komt duidelijk naar voren in Wim Bots artikel 'Voor een post-stalinistisch socialisme’, waarmee het eerste nummer opent. In het begin van zijn stuk definieert hij weliswaar niet wat hij onder 'socialisme’ verstaat, maar duidelijk is dat een politieke beweging die die naam verdient behoorlijk links van de sociaal-democratie dient te staan. Na een uitgebreide kritiek op diverse marxistische denkbeelden en op de stalinistische praktijk, waarbij hij overigens voorbijgaat aan het feit dat de scherpste en meest fundamentele kritiek is geleverd door sociaal-democraten, komt hij uit bij een voorzichtige omschrijving van het doel waar socialisten naar zouden moeten streven. Bot, die inmiddels afstand heeft genomen van het idee dat het socialisme het 'eindstation’ van de geschiedenis is en die tevens de parlementaire democratie heeft omarmd, komt dan tot de conclusie dat de verzorgingsstaat van het moderne kapitalisme meer te maken heeft met het socialistische ideaal van honderd jaar geleden dan met het kapitalisme dat door Marx werd geanalyseerd. Welk verschil er is tussen Bots socialisme en het streven van die vermaledijde sociaal-democraten wordt ons in dit artikel helaas niet verteld.
Overigens is Bot niet de enige auteur die op een enigszins spastische wijze omgaat met de relatie tussen marxisme en stalinisme. Zo ziet Joost Kircz in het eerste nummer 'het stalinisme als een politiek koekoeksjong in het marxistische nest’. Onverlaten hebben het marxisme dus opgezadeld met een volkomen vreemd monster dat de overige jongen uit het nest heeft gemieterd. Alsof van enige relatie tussen marxisme en stalinisme geen sprake is, alsof Popper en Kolakowski pure onzin hebben opgeschreven.
Tussen de 'zuiver kritische’ artikelen bevinden zich echter heel wat bijdragen die de moeite waard zijn. Zo bevat nummer een goede stukken over de agrarische lobby (Wim van Noort), het tijdschrift Krisis (Jeroen Bartels) en de marxistische geschiedschrijving over de Opstand (Marcel van der Linden). In het tweede deel zijn vooral de bijdragen over de uitkeringsgerechtigden (Kratke en Vlek) en over D66 (Robert Went) zeer de moeite waard. Van de derde jaargang wil ik graag de verschillende artikelen noemen over culturele minderheden en essays over het sociaal engagement van christenen (Noordegraaf en Salemink) en over het gebrekkige theoretische fundament van de neoklassieke economie (Geert Reuten).
Ronduit domme bijdragen treffen we helaas ook aan, al zijn dat er niet veel. Het stuk van Anneke van Baalen over 'positieve actie’ is echter zeker als zodanig te kwalificeren. Volgens haar is het met het socialisme achteruitgegaan op het moment dat vrouwen zich ermee gingen bemoeien. Tot die tijd was het een leuk speeltje voor mannen geweest, maar voor hen was de lol er toen af. Ook het artikel van Johan Wijne, over de 'ouderwetse geschiedschrijving van de sociaal-democratie’ getuigt van weinig scherpzinnigheid. Allereerst verwijt hij de critici van zijn proefschrift (over de SDAP in het interbellum) een kortzichtig intellectualisme, om er vervolgens op te wijzen dat intellectuelen altijd erg gevoelig zijn geweest voor de 'totalitaire verleiding’.
Vormen dit soort uitschieters naar beneden nu een reden om schouderophalend aan een jaarboek als Kritiek voorbij te gaan? Het lijkt mij van niet. Als in het rijk der rechtse blinden een eenoog als Bolkestein de scepter kan zwaaien, waarom zouden er in de linkse republiek der letteren geen dwazen en narren voor enig ophef en vertier mogen zorgen?