De Britse dichter Daljit Nagra vernoemde zijn recentste bundel naar het British Museum – en waarom ook niet? Je hoeft niet eens een goede verstaander van poëzie te zijn om de doorn in de hiel van de samenleving te voelen. Het British Museum, een monumentaal met zuilen omgeven gebouw, in het hart van een van de rijkste gedeeltes van Londen, was ooit de culturele schatkamer van het Britse Rijk. Nu is het een tastbaar schuldcomplex, want een deel van de schatten zijn door koloniale plundering verzameld.

Daljit Nagra is dan ook sardonisch in het titelgedicht:

I stand dead centre at the treasure core
of our crowning jewels,
our Great Court
and noble casket

Die verwijzing naar de kroonjuwelen is al exemplarisch, want die zijn ingelegd met diamanten die op hun beurt weer via discutabele routes naar Engeland zijn gekomen. Ook daar is debat over.

Het museum is een ‘nobele kist’, impliceert Nagra, die het lijk bevat van een koloniaal rijk. Hij gaat verder:

A museum as nation,
as a fragment of varnished Britannica;
here are our classrooms from Bermuda to
Burma; here’s Rhodes plotting red trains
lines to froth in steam
a cheek of Africa.

Nagra vraagt zich af wat de Britse smaak bepaalde: was het niet juist die zucht die iedere Indiër of Keniaan slaakte wanneer hij de schatten uit zijn thuisland hier opgesteld zag?

Op een doordeweekse ochtend, vijf minuten na opening, zit er al een schoolklas op de vloer voor de Elgin Marbles. Ze dragen gele hesjes en luisteren braaf naar wat de gids te zeggen heeft.

‘Wie willen jullie tekenen?’ vraagt de gids en de meeste kinderen rennen naar een van de grote paardenkoppen toe.

De Elgin Marbles, of in het Nederlands: de Parthenon-friezen, zijn prachtig. Ze tonen het klassieke Griekse zelfbeeld, waarin de mens strijdt met en tegen de goden en hun afgezanten. Hoewel veel van de standbeelden hun koppen hebben verloren, stralen ze dynamiek uit, ze hebben interactie met elkaar. Het is moeilijk voor te stellen dat ze 2500 jaar geleden gemaakt zijn – al is dat vooral moeilijk te bedenken omdat het de vraag is of er vandaag überhaupt nog kunstenaars zijn die zoiets zouden kunnen maken. Nu zouden we ze eerder willen 3D-printen.

Ze zijn ook gejat. Anders kun je het niet noemen. Aan het einde van de achttiende eeuw lag het Parthenon in Athene in duigen, na aardbevingen en een ontploffing tijdens een van de vele Ottomaanse oorlogen. De Britse graaf van Elgin was in Athene als gezant aan het Ottomaanse hof (Griekenland was toen deel van het Ottomaanse Rijk) en vond dat er prachtige friezen en beelden rond het Parthenon lagen. Hij vroeg de lokale autoriteiten of hij afgietsels mocht maken. Nee, dat mag niet, kreeg hij te verstaan. Hij deed het toch, en gaandeweg besloot hij niet alleen afgietsels te maken, maar gewoon stiekem hele beelden te laten verschepen. Hij zou ze willen beschermen, voor de oplaaiende onafhankelijkheidsstrijd van de Grieken, maar dacht ook dat ze zijn landhuis in Schotland aanzienlijk zouden verfraaien.

Maar, zul je altijd zien, heb je net een tempel leeggeroofd, wil je vrouw bij je weg. Om zijn scheiding te bekostigen, zag graaf van Elgin zich genoodzaakt de friezen aan de Britse staat te verkopen.

Sindsdien staan ze in het British Museum en sindsdien is er ophef over. Destijds vonden Britten het al roversgedrag (Lord Byron dichtte over het door hem geliefde Parthenon: ‘Dull is the eye that will not weep to see/ Thy walls defaced, thy mouldering shrines removed/ By British hands’). Maar de populariteit bij het publiek zorgde ervoor dat elke twijfel kon worden weggewoven. Bovendien heerste er een zekere imperiale arrogantie: Engeland was toch een veel beter opgeleide, veel veiligere plek om ze te bewaren? Sinds Labour-oppositieleider Neil Kinnock in 1984 zowaar waagde te zeggen dat de friezen terug moesten naar de Grieken (‘Een Parthenon zonder de friezen is als een lach met een missende tand’) heeft zo’n beetje iedere premier er een punt van gemaakt uit te spreken dat ze horen te blijven waar ze zijn.

Maar de laatste jaren werd de roep om ze terug te geven aan Griekenland luider, de Grieken dringen ook steeds meer aan. Politici durven minder hard die eisen weg te wuiven. Vorig jaar waste Boris Johnson zijn handen in onschuld en zei, op bezoek in Griekenland, dat het niet aan hem was om er een beslissing over te nemen, maar aan het museum zelf. Tristram Hunt, historicus en directeur van het eveneens met koloniale kunst behangen Victoria & Albert Museum, maakte er een punt van dat dat makkelijk zeggen was, maar dat er op dit moment wetten zijn die het onmogelijk maken roofkunst te retourneren aan de rechthebbenden.

En toch: begin deze maand lekte een Griekse krant dat er vergevorderde geheime overleggen zijn met de Britse staat om de friezen terug te geven. Het zou een waterscheiding zijn.

De schoolkinderen tekenen de friezen na. Een van de leraren kletst met de gids. Ze zijn allebei eind dertig. Ik vraag of de gids denkt dat de beelden er over vijf jaar nog staan:

‘In de museumwereld gaan dingen meestal heel langzaam’, zegt hij schouderophalend tegen me. En tegen de leraar: ‘Maar misschien hoef jij over een paar jaar niet meer met je klas op excursie.’

Mate’, zegt hij met een grijns, alsof het hem jaren van zijn leven zou schelen.

Wat is er over van het Britse zelfbeeld? In Julian Barnes’ satirische roman England, England (1998) besluit een excentrieke miljardair Groot-Brittannië als een pretpark ‘na te maken’ op het Isle of Wight. Hij neemt een groep historici in dienst om een lijst te maken van wat ‘het meest Brits’ is. Hun top vijf is:

  1. De koninklijke familie
  2. Big Ben/ Het Parlement
  3. Manchester United
  4. Het klassensysteem
  5. Pubs

Met de pubs gaat het nog prima. Maar Manchester United doet al jaren niet meer mee voor de titel, een boze Cristiano Ronaldo deed het zelfs voorkomen dat het een provinciale club is die zijn sportschool niet op orde heeft. Het klassensysteem is verstoord en nog eens extra besmeurd geraakt door de influx van oligarchen en andere vies-rijken die zich inkopen in de upperclass en zich hele Londense woonwijken lijken toe te eigenen. Het Parlement staat er nog, de Big Ben is gerestaureerd, maar alle deftigheid is met de clowneske toestanden van de Conservatieve Partij en het vijf-weken-tellende premierschap van Liz Truss uit de politiek verdwenen. En dit jaar overleed koningin Elizabeth II, overgrootmoeder van het land, en de rest van het koningshuis – de dissidente Harry en Meghan voorop – is verwikkeld in een paleisoorlog.

Op Barnes’ lijst staan vijftig items, die vrijwel allemaal met het Britse verleden te maken hebben. Het evidente probleem is dat het verleden juist moerassig is geworden: in een tijd waarin landen door een jongere, meer diverse generatie tot de verantwoording worden geroepen voor historische misstanden, heeft Groot-Brittannië heel veel historie en dus ook heel veel misstanden.

Dit botst extra omdat het verleden altijd zo toonaangevend is geweest voor het Britse zelfbeeld. Een van de interessantste boeken die daarover verschenen is Rule, Nostalgia van de jonge academica Hannah Rose Woods. Het is een studie in nostalgie: de laatste jaren kenden wij de nostalgie van de brexiteers, die zich uit Europa wilden vechten vanuit een terugverlangen naar de ‘Blitz spirit’ van de oorlogsjaren toen Engeland dapper in zijn eentje tegenover Duitsland stond. Maar in de oorlogsjaren waren de Britten nostalgisch naar de onschuld van de edwardiaanse tijd van voor de Eerste Wereldoorlog. Op hun beurt waren de edwardianen onzeker over de snelle modernisering en globalisering, en verlangden ze terug naar het optimisme van de victorianen – et cetera. Woods citeert de Duitse komiek Karl Valentin, die grapte: ‘In het verleden was zelfs de toekomst beter.’

‘Als jonge mensen uit Albanië willen komen om te werken mogen we ze dankbaar zijn’

Wat voor deze tijd kenmerkend is, is dat de nostalgie zich in schuttersputjes heeft teruggetrokken. Woods schrijft: ‘We verkeren in de vreemde positie dat elke oproep tot herinnering gezien wordt als een oproep tot vergeten; waarin elke behoefte om het verleden opnieuw te belichten wordt besmeurd als censuur; waarin elke poging het verleden in al zijn complexiteit te bestuderen wordt afgedaan als vooroordeel.’

Conservatieve politici doen daar vaak grif aan mee, en klagen luid over ‘woke’ historici, die, zoals Liz Truss dat noemde, ‘are trying to do Britain down’. De historicus Sathnam Sanghera schreef de onverwachte bestseller Empireland, over hoe het imperialisme doorwerkt in de huidige tijd, en kan sindsdien alleen met persoonlijke beveiligers naar optredens. Toen de National Trust, de enorme organisatie die door het hele land heen landhuizen beheert voor toeristen, besloot een onderzoek te starten naar met welk geld die landhuizen waren gebouwd – oftewel: waren ze gebouwd met geld uit de slavenhandel? – werd de organisatie het doelwit van media-aanvallen en talloze bedreigingen van internettrollen.

Voor de goede orde: wie weleens bij een National Trust-huis is geweest, weet dat de organisatie drijft op vriendelijke, gepensioneerde mevrouwen die hun vrijwilligerswerk uit plichtsbesef doen.

De Elgin Marbles in de Parthenon Galleries in het British Museum. Londen, augustus © Nicolas Economou / NurPhoto / Getty Images)

‘We zitten in een crisis of meaning’, zegt William Davies, hoogleraar aan Goldsmiths, University of London, in het oosten van de stad. Vanbuiten is het hoofdgebouw van Goldsmiths prachtig, vanbinnen lijkt het met plakband bij elkaar te worden gehouden. Politicoloog Davies verontschuldigt zich: de universiteit heeft met financieel mismanagement te maken gehad. En misschien nu wel weer, want aan alles is een tekort, maar de kachels branden als ketters. Gas is blijkbaar geen probleem. Het is loeiwarm.

Het probleem van de Britse politiek is dat het nauwelijks nog politiek is, legt Davies uit. Ideeën zijn schaars en bovendien is politiek crisismanagement geworden: eerst de crisis van de Brexit, toen de crisis van covid, toen de aanhoudende crisis van de Conservatieve Partij zelf. ‘Je kent die bekende uitspraak uit de jaren zestig dat Groot-Brittannië zijn rijk kwijt was, en nog geen nieuwe rol voor zichzelf had ontdekt? Die rol vinden we maar niet. Een tijdje werkte de socioloog Paul Gilroy hier aan Goldsmiths, en hij sprak altijd over “postkoloniale melancholie”. Dat is een freudiaans idee; als er iemand van wie je houdt overlijdt, dan kun je twee dingen doen. Of je pleegt, wat Freud noemt, “rouwarbeid”, waarbij je het verdriet en gemis induikt en je na groot verdriet ermee leert te leven. Of je blijft in een staat van ontkenning, waarbij je het diepe verdriet niet aangaat, maar langzaam in een melancholie terechtkomt, waarmee je met ressentiment gaat kijken naar het leven dat je leidt zonder de gemiste persoon. Gilroys idee was dus dat Groot-Brittannië nooit zijn rouwarbeid heeft gepleegd, en daardoor een reservoir aan ontkenning en zelfhaat opbouwde.’

Bij de Brexit stroomde dat reservoir leeg. Davies: ‘Voor die tijd waren er wel politici die inspeelden op sentimenten over Churchill en “Brittannia Rules the Waves”. Er was elk WK wel een voetbalfan met een spandoek met de tekst: “We won two World Wars and one World Cup”. Maar pas met de Brexit werd die nostalgie gemobiliseerd, met al het oud zeer en de xenofobie die erbij kwamen kijken. Dat was 2016. Nu is het 2022 en hoewel niemand in de politiek durft te zeggen dat de Brexit een vergissing was, zelfs Keir Starmer van Labour niet, is echt niemand er nog uitgesproken trots op, niemand denkt nog dat het de oplossing van al onze problemen is. Die fantasie is weggevallen en er is niet iets nieuws voor in de plaats gekomen.’

Davies, een vitale veertiger, praat met het tempo van de academicus die ook nog zeventig mails moet beantwoorden en twee colleges moet voorbereiden. Hij heeft een fijne dubbelinteresse – aan de ene kant schrijft hij voor bijvoorbeeld de London Review of Books over politiek, daarnaast publiceerde hij diverse boeken over hoe gevoel en emoties politiek gedrag verklaren.

Nostalgie, met een flinke zweem xenofobie, was heel lang een zoethoudertje dat populisten het volk voorhielden, zegt Davies. Je kon dingen die misgingen in de politiek afschuiven op externe zaken, migranten, of de Europese Unie. Maar inmiddels gaat er te veel mis om dat geloofwaardig vol te houden. Davies: ‘Die permanente crisis is steeds meer het Britse zelfbeeld gaan bepalen. This country is so fucked at the moment. Aan de grens, in de regering, in het onderwijs, in de zorg. Nigel Farage van ukip riep lang dat je in Engeland geen doktersafspraak kon krijgen omdat er al te veel immigranten in de wachtkamer zaten. Nu zijn mensen eerder geneigd te zeggen dat de reden dat ze geen doktersafspraak kunnen krijgen is dat alle immigranten die in de zorg werkten vertrokken zijn, omdat we zelf geroepen hebben dat ze niet welkom waren. Iedereen ziet dat, niet alleen linkse universiteitsmedewerkers zoals ik. Als jonge mensen uit Albanië naar Engeland willen komen om te werken mogen we ze dankbaar zijn.’

Op een vreemde manier, legt Davies uit, werd dat nog eens onderstreept door het overlijden van koningin Elizabeth: ‘Ik ben geen filmspecialist, maar online las ik er veel over: tijdens die urenlange registratie van haar uitvaart kwam niet één keer een andere camera in beeld, was er nergens een snoertje te zien. Alles was perfect getimed. Als het niet zo’n puinhoop in de regering was geweest had haar overlijden misschien meer nog het nieuws bepaald. Maar die uitvaart was the finest hour van twee instituten onder druk: de bbc en het koningshuis. In een land waar niks werkt, was dit ineens voorbeeldig vakmanschap. We kunnen het dus toch.’

Die bekende uitspraak waar Davies naar verwees, dat Groot-Brittannië zijn rijk kwijt was en nog geen nieuwe rol voor zichzelf had ontdekt, werd door de Amerikaanse oud-minister van Buitenlandse Zaken Dean Acheson gedaan. Hij zei het in 1962, niet eens als provocatie, maar matter-of-factly. Het was een opmerking die door de ziel sneed van een hele generatie naoorlogse Britse politici, die waren opgegroeid met het idee van een empire en nu oog in oog stonden met de realiteit dat ze in Europa achter Frankrijk en Duitsland aan kwakkelden.

Die opmerking figureert ook in het eerder dit jaar verschenen Butler to the World, van financieel journalist Oliver Bullough. Hij spreekt het tegen. Terwijl de academici en geletterden existentiële vragen stelden, waren juristen, advocaten en bankiers allang bezig een nieuw pad te bewandelen. Dat van de ‘amorele dienaar van rijkdom waar die dan ook werd aangetroffen’, waarbij de infrastructuur die door de honderden jaren van het Britse Rijk was opgebouwd nu werd gebruikt om ervoor te zorgen dat de bezitters van die rijkdom zo min mogelijk verantwoordelijkheid hoefden af te leggen. Bullough noemt het ‘butlerisme’.

‘Iedereen denkt aan de schatten in het British Museum wanneer we het over de besmette nalatenschap van het empire hebben’, zegt Bullough aan de telefoon. Hij woont in Hay-on-Wye, een beeldschoon dorp in Wales. ‘Maar je moet ook kijken naar de instituten die we over de hele wereld hebben opgetuigd en hoe die nu functioneren in de internationale financiële markt.’

Bullough beschrijft hoe de Maagdeneilanden de brievenbusfirma zo’n beetje uitvonden, hoe Gibraltar een vrijhaven voor gokparadijzen werd, hoe de chique Bank of London internationale geldstromen vrij spel gaven. Hoewel de polemische insteek van het boek niet te missen is, schrijft Bullough het bijna geamuseerd op. Op verschillende plekken spreekt hij met Britse advocaten en bankiers, vaak in ruste, die het ‘butlerisme’ hebben opgetuigd. Ze spreken er monter over. Mooi is het verhaal van de advocaat Michael Riegels, kind van het Rijk, op en top Brits zonder ooit meer dan een paar jaar in Engeland gewoond te hebben. Hij groeide op in Kenia, maar toen dat land begin jaren zestig zijn onafhankelijkheid verwierf, vertrok hij uit Afrika, kon niet aarden in het Verenigd Koninkrijk en belandde op de slaperige Britse Maagdeneilanden. Daar, meer door toeval dan met kwade intentie, verzon hij hoe de eilanden de grootste pleisterplek voor brievenbusfirma’s kon worden.

‘Wat ik geleerd heb bij het schrijven van dit boek’, zegt Bullough, ‘is misschien iets banaals, namelijk dat het leven geen James Bond-film is. In zijn hoofd is iedereen the good guy. Er zijn geen schurken die blij zijn om schurk te zijn en met kwade intenties handelen. Als je naar een ideologie onder het butlerisme zoekt, kom je waarschijnlijk uit bij een anti-ideologie. Een ideologie die zich beroept op een achterdocht van -ismes, die zich beroept op gezond verstand, praktisch handelen. Die houding zie je zeker ook in het Brexit toejuichende gedeelte van de politiek, waarin nogal eens wordt gesuggereerd dat ideologie “niet Brits” is. Het punt is natuurlijk: die anti-ideologie is ook een ideologie. Want die houding kiest partij: voor de sterkeren, de rijkeren, de bedrijven, het establishment.’

Butler to the World verschijnt komende januari in vertaling, bij uitgeverij Thomas Rap, als De butler van de wereld. Toen het boek begin dit jaar verscheen werd het in grote besprekingen vooral gelezen door de lens van de net uitgebroken oorlog in Oekraïne. Grootscheepse embargo’s tegen Russische kapitalisten werden afgekondigd. Maar klotste Londen niet van het Russische geld? Was Londen niet Londongrad geworden, waar de Russen hun miljoenen, verdiend in de door Poetin geschapen wereld, vrij en vrolijk uitgeven in Harrods? Waar de statige huizen in de mooiste straten van de stad driekwart van het jaar leegstaan, omdat de oligarchen die ze bezitten ze als veredelde hotelkamer gebruiken?

Daar schrijft Bullough, een Rusland-expert, ook zeker over. Hij geeft het voorbeeld van meneer Chambers die met het idee komt de talloze metrostations die in ongebruik zijn geraakt te transformeren tot ontmoetingsplekken. Het mooist was het metrostation aan Brompton Road, dat in de oorlog nog was gebruikt als schuilplaats tijdens de Blitz. Het was nog helemaal in vooroorlogse stijl, een ‘Tutankhamuns’ tomb of discarded treasures’. Na eindeloos gelobbyd te hebben, zag iedereen het plan van meneer Chambers zitten, tot en met toenmalig burgemeester Boris Johnson aan toe. Chambers verzamelde 25 miljoen pond, deed zijn bod bij de gemeente – en kreeg niks. Brompton Road werd voor het dubbele verkocht aan de Oekraïense, aan Poetin gelieerde oligarch Dmytro Firtasj. Niet dat hij er iets mee zou doen, maar het metrostation was naast zijn huis, en hij zat niet op toeristen op de stoep te wachten. Inmiddels lopen er talloze aanklachten tegen Firtasj.

Bullough: ‘Dat het butlerisme weinig politici interesseert, snap ik. De politiek heeft geld nodig, steun uit het bedrijfsleven. Die durven geen wetten aan te nemen die het investeringsklimaat onderuithalen. En dat Londen een open, dynamische stad is, waar alles kan gebeuren, vinden mensen ook interessant. Onze meest ambitieuze, hoogstopgeleide studenten vinden het spannend om in de internationale handel mee te draaien. Maar wat ik niet begrijp is hoe het kan dat zoveel landen die door ons gekoloniseerd zijn geweest zich bij ons melden. Een voorbeeld. Je moet je voorstellen dat de klasse die werd opgeleid om het oude rijk te besturen, werd opgeleid aan onze kostscholen. Eton, Harrow. Precies zulke scholen worden nu geëxporteerd naar de voormalige koloniën. In Egypte is net een internationale kostschool geopend – door Tony Blair. Ze zullen hem een aardige onkostenvergoeding hebben betaald. In China worden Britse kostscholen geopend, Thailand heeft er nu al een paar. Waarom zouden de elites daar zoals onze oude elites willen worden?’

Engels bestuur is een brand dat staat voor beschaafd leiderschap – ook al weten de deelnemers heel goed dat dat slechts een façade is. Maar de Thaise en de Egyptische elites geloven er blijkbaar in, net als een groot deel van de Britse bevolking.

Wat is de weg voorwaarts voor het Britse zelfbeeld? Oliver Bullough legt uit dat de Engelse wetgeving financiële constructies toelaat die in vrijwel alle andere westerse landen als corrupt worden aangemerkt. ‘Soms worden er wel wetten aangenomen die geldstromen duidelijk moeten reguleren’, zegt Bullough, ‘alleen wordt er dan geen geld geoormerkt om die wetten uit te voeren. Ik kreeg onlangs een bericht dat ik een correctie moet doorvoeren in mijn boek, want ik schrijf dat niemand in de Britse overheid de portefeuille heeft om het witwassen van Chinees geld te onderzoeken. Dat blijkt achterhaald. Er is nu één iemand met die portefeuille. Eén iemand die alle Chinese geldstromen in de gaten moet houden.’

Maar voer je die wetten uit, dan krijgt de staat miljarden aan extra belastinginkomsten van bedrijven – die niet ergens anders heen kunnen want geen ander land in Europa heeft zo’n financiële sleutelpositie. En als de regering daartoe besluit, of liever de volgende regering daartoe besluit, dan ziet het volk ook dat de staat kiest voor het volk, niet voor Big Business. Het zou een opsteker voor de Britse zelfwaarde van het volk zijn, zegt Bullough.

William Davies krabt aan zijn baard: ‘Ik wil niet zeggen: we hebben meer David Beckham nodig. Maar Engeland won gisteren van Senegal, in de achtste finales van het WK. Heel het land kijkt en ziet dat team, dat bestaat uit spelers vanuit alle hoeken van het land, met wortels door de hele geschiedenis van het rijk heen. Ze lijken allemaal voorbeeldig; slim, eerlijk, menselijk, uitgesproken over mentale gezondheid, over lhbitq+-rechten, over racisme. We kunnen het blijven hebben over de nostalgie van de oude, witte brexiteers, maar ik denk dat steeds meer mensen, als ze aan Groot-Brittannië denken, aan die diversiteit van het voetbalteam denken.’

Dit is precies wat opvalt als je door het British Museum loopt, of door een van de andere musea, en je kijkt niet naar de marmeren bustes, maar naar de schoolklassen die er rondlopen. Ze zijn, zonder uitzondering, ontzettend divers, en zullen alleen nog maar diverser worden. Wat onherroepelijk voor een ander zelfbeeld zal zorgen.