Het Nederlandse slavernijverleden

Na de zweep de welvaart

Nieuw onderzoek naar de Atlantische slavenhandel toont dat de impact op de Nederlandse economie allerminst marginaal was. Een mijlpaal volgens onderzoekers. En belangrijk: zonder activisten was dit niet onderzocht.

Keti Koti, de jaarlijkse viering van de afschaffing van de slavernij. Amsterdam, 1 juli 2017 © Berlinda van Dam / HH

Wie schrijft onze koloniale geschiedenis? Over het antwoord op deze vraag bestond tijdens een bijeenkomst twee weken geleden in debatcentrum De Balie in Amsterdam geen twijfel: witte Nederlanders. Historica Patricia D. Gomes begon de avond met een gloedvol betoog over de strijd die geleverd is door activisten om een meervoudig perspectief te introduceren in de Nederlandse slavernijgeschiedschrijving. Na jaren van lobbyen en agenderen werden er eindelijk stappen gezet. Gomes spreekt in dit verband van een paradigmaverandering. Het perspectief van zwarte mensen, de slachtoffers van de Nederlandse slavenhandel en slavernij, wordt steeds meer onderkend. Maar deze ontwikkeling is broos.

De conservatieve kijk op het Nederlandse slavernijverleden verliest in het laatste decennium weliswaar rap terrein, maar nog steeds verzetten historici van naam zich tegen de huidige ontwikkeling in dit vakgebied. Een goed voorbeeld daarvan zijn de opiniestukken van de emeritus hoogleraren Piet Emmer en Henk den Heijer de afgelopen weken in Trouw, Elsevier en de Volkskrant. De gehanteerde tactiek: beticht iedereen die op onwelgevallige feiten en praktijken wijst van activisme.

In Nederland wordt namelijk doorgaans weinig flaterend gedacht over activisten. Zij zouden onoprecht zijn, een vooraf bepaald standpunt hebben. Door selectief met feiten om te gaan en lukraak informatie te verzamelen proberen ze dat standpunt te onderbouwen. Een buitengewoon onwetenschappelijke werkwijze. Daarnaast worden ze vaak gezien als emotioneel, agressief zelfs.

Wetenschap en activisme lijken twee onverenigbare categorieën. In een interview met historisch weblog Over de Muur hekelt Nadia Bouras dit onderscheid. Voor de onderzoeker en universitair docent aan de Universiteit Leiden gaat activisme over het positief veranderen van de wereld, op basis van je idealen. ‘Maar dan niet zomaar lukraak, ook activisme moet welbeschouwd en goed beargumenteerd zijn. Met alle kennis en kunde die je opdoet in je werk heb je als academicus juist een perfecte positie om te strijden voor een betere samenleving.’

Bouras voegt vaak het woord bij de daad. Ze is geenszins bang om zich uit te spreken, op Twitter en in interviews. Daardoor wordt ze geregeld ronduit onbeschoft bejegend door mensen die haar houding niet appreciëren. Misschien is dat een reden waarom veel andere wetenschappers zich minder mengen in het maatschappelijke debat en weinig lijken op te hebben met activisten.

Guno Jones, onderzoeker aan de Vrije Universiteit, spreekt in dit verband van ‘academic snobism’. Wetenschap wordt in Nederland veelal gezien als objectief, universiteiten en andere academische instellingen als de plek waar ‘ware kennis’ wordt gegenereerd. Personen die buiten die orde staan, worden doorgaans minder serieus genomen. Ze zijn tenslotte geen wetenschappers. Ook academische historici doen daaraan mee.

Jones geeft daar in zijn artikel ‘Activism’ and (the Afterlives of) Dutch Colonialism uit 2018 een aantal treffende voorbeelden van. Hoe Jeffry Pondaag, die de oorlogsmisdaden van Nederlandse soldaten in Indonesië eind jaren veertig van de vorige eeuw onvermoeibaar bleef agenderen, genegeerd werd door veel historici. Of hoe activisten Eurocentrische terminologie van historici aankaartten, maar lange tijd weinig gehoor vonden onder academici. Activisten hebben bij de geschiedschrijving van kolonialisme en slavernij een niet te onderschatten rol gespeeld, stelt Jones. Zij zetten deze onderwerpen op de agenda, vuurden het maatschappelijke debat aan en stimuleerden onderzoek. Jones benadrukt dat die binaire positie van wetenschap en activisme oneigenlijk is. Hij spreekt van scholar-activists, waarmee hij die tweedeling doorbreekt. Mensen kunnen zowel binnen als buiten de muren van de academie kritisch en geëngageerd zijn, activistisch dus. Ook academici die zich op deze manier uitspreken kunnen de nodige hoon verwachten, stelt Jones.

Volgens Jones wordt het hoog tijd om activisten en scholar-activists te waarderen om hun kritische inzet, die ervoor gezorgd heeft dat de geschiedschrijving van kolonialisme en slavernij in beweging kwam. Dat dit kan leiden tot nieuw wetenschappelijk onderzoek, waarbij gekozen wordt voor een andere insteek dan gebruikelijk, bewijst het onderzoeksproject Slaves, Commodities and Logistics dat vorige week werd gepubliceerd in het Tijdschrift voor Sociale en Economische Geschiedenis. Hoewel uitgevoerd binnen de muren van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (iisg), de Vrije Universiteit en de Universiteit Leiden, is het duidelijk dat de grote verschuiving in het debat waar deze studie deel van is niet had kunnen plaatsvinden zonder de jarenlange inzet van activisten en scholar-activists. Maar tegelijkertijd laat deze studie ook zien waar nog de nodige vooruitgang geboekt moet worden.

In Nederland wordt onder historici al jaren discussie gevoerd over de betekenis van de Atlantische slavenhandel en slavernij voor de toenmalige Nederlandse economie. Historici als Matthias van Rossum, Karwan Fatah-Black en Gerhard Kok, die werkte als promovendus in het genoemde project, probeerden op basis van onderzoek en beredeneerde schattingen aan te tonen hoe breed en omvangrijk deze handel was. De Leidse hoogleraar Piet Emmer deed deze pogingen af als weinig steekhoudend en bleef op het standpunt staan dat de invloed van deze handel marginaal was. Het debat liep steeds vast op speculatie. Echt goed uitgezocht was dit vraagstuk nooit, er waren geen harde cijfers. Tot nu dus.

Het project Slaves, Commodities and Logistics doorbrak de impasse in deze discussie door voor het eerst niet alleen geïsoleerd naar de slavenhandel te kijken, maar alle op slavernij gebaseerde activiteiten in de Nederlandse economie in kaart te brengen. De hoofdconclusie van het vorige week gepresenteerde onderzoek is dat in 1770 de handel in door slaven geproduceerde producten in de provincie Holland 10,36 procent was van het bruto binnenlands product. Voor de gehele economie van de Republiek was het 5,2 procent. Het jaar 1770 is uiteraard niet bij toeval gekozen. Je kunt zeggen dat het hier om relatief twaalf saaie maanden gaat, er waren oorlogen noch economische crises. Daardoor is 1770 representatief voor andere jaren in die periode wat handelsactiviteiten betreft. Maar het zijn niet alleen deze harde resultaten die dit onderzoek belangrijk maken. Het zijn ook de toon en de moeite die gedaan is om de betekenis van de op slavernij gebaseerde handel tastbaar te maken, die opvallen.

In het onderzoek is een vergelijking gemaakt met hedendaagse economische sectoren. ‘De Rotterdamse haven – inclusief alle logistieke industrie en financiële diensten daaromheen – vormt ongeveer 6 procent van de huidige Nederlandse economie’, legt iisg-onderzoeker Pepijn Brandon uit. ‘De hele digitale sector – waaronder alle techbedrijven in Silicon Valley, de totale productie van computers, het leggen van internetkabels – maakt ook zo’n 6,5 procent uit van de Amerikaanse economie. Als je die vergelijking maakt, krijg je een indruk hoe groot een sector van 5,2 procent eigenlijk is.’ De impact van de Atlantische slavernij op de Nederlandse economie was dus allerminst marginaal.

‘Met alle kennis en kunde die je opdoet in je werk heb je als academicus juist een perfecte positie om te strijden voor een betere samenleving’

In het onderzoek wordt benadrukt dat niet alleen producten van plantages in Suriname en andere Nederlandse koloniën de havens van de Republiek bereikten. Dit gold ook voor bijvoorbeeld suiker en koffie van plantagecomplexen van andere Europese mogendheden. ‘Vooral de Franse kolonie Saint-Domingue, het huidige Haïti, was belangrijk’, vertelt Brandon. Het onderzoek laat verder zien dat niet alleen de elite uit steden als Amsterdam, Rotterdam, Middelburg en Vlissingen verdiende aan de op slavernij gebaseerde activiteiten, maar dat ook de stedelijke middenklasse van ambachtslieden, bakkers en kapiteins profiteerde.

In totaal werd ongeveer twintig procent van alle goederen die door de Nederlandse havens stroomden verkregen door slavenarbeid in de Atlantische wereld. Achter dat percentage gaan 120.000 levensjaren slavenarbeid schuil, een confronterend cijfer. Het onderzoek maakt duidelijk dat het om zoveel meer gaat dan louter economische activiteiten en abstract cijfermateriaal. Slaves, Commodities and Logistics verbindt het lijden van tot slaaf gemaakten op plantages in Europese koloniën met Nederlandse winstmarges, zweepslagen met welvaart. Het onderzoek laat zien dat weliswaar niet iedere Nederlander direct van doen had met plantageslavernij, maar dat alle inwoners van de Republiek in aanraking kwamen met de uitwassen van de Atlantische slavernij.

Brandon benadrukt dat de betrokken historici beseften dat dit project belangrijk is voor de Nederlandse samenleving. ‘We hebben het in het Engels geschreven, maar we publiceren het als eerste in het Nederlands. Het gaat om een grote maatschappelijke discussie en ook als wetenschappers heb je denk ik de taak om niet alleen maar naar je eigen peer group te kijken. We wilden de Nederlandse samenleving ook echt voeden met deze kennis.’ Daarnaast is steeds feedback gevraagd uit de samenleving. ‘In een vroeg stadium hebben we een stakeholdersbijeenkomst gehouden, waarvoor we mensen die zich in het maatschappelijke debat bezighouden met slavernij uitgenodigd hebben. Wetenschap doe je niet in een ivoren toren, je moet als onderzoeker in contact staan met de samenleving.’

Onze koloniale geschiedenis wordt steeds vaker geschreven door historici die onderzoek anders inrichten en breder kijken dan hun voorgangers. Is wat zij doen genoeg? Voor wie een niet-Eurocentrische geschiedschrijving voorstaat misschien niet. Maar het is goed om te beseffen dat het nog niet zo heel lang geleden totaal ondenkbaar was dat een onderzoek als Slaves, Commodities _and__ Logistics_ uitgevoerd zou worden, zegt historicus Karwan Fatah-Black. ‘Op de Universiteit Leiden werd bijvoorbeeld door Piet Emmer en Henk den Heijer lange tijd geen enkele prioriteit gegeven aan het economische belang van de Atlantische slavernij. Zij maakten als gatekeepers uit wat er onderzocht werd en wat niet. Den Heijer is nog niet zo heel lang geleden tot het inzicht gekomen dat dat onterecht is. Dat is mooi, maar desondanks loopt Nederland ook door zijn opstelling ontzettend achter op dit wetenschappelijk vlak.’

Het eigen onderzoek naar het economisch belang van slavernij van Piet Emmer is daarbij flinterdun, benadrukt Fatah-Black. ‘Hij roept vooral langs de zijlijn, schrijft enkel nog opiniestukken. Zijn boek over de omgang met het koloniale verleden schaar ik daar ook onder. Steeds probeert Emmer de boel te sussen, beweert dat het Nederlandse slavernijverleden niet zoveel voorstelde. “Maakt u zich vooral geen zorgen”, is zijn boodschap, terwijl de feiten anders laten zien. Maar daar wil hij gewoon niet aan.’

Ook in de Nederlandse samenleving was er lange tijd nauwelijks aandacht voor het slavernijverleden. Hoogleraar Caribische geschiedenis Alex van Stipriaan Luiscius van de Erasmus Universiteit spreekt zelfs van een oorverdovende stilte. ‘In de wetenschap was er altijd wel iemand die ermee bezig was, ook in de jaren vijftig en zestig al. Maar dan zéér beperkt, op een toon en vanuit een perspectief die wij nu allerminst zouden waarderen. Slavenhandel was niet meer dan een goederenstroom. In schoolboeken werd er lang niet meer dan één regel aan gewijd.’ Dat zijn er vandaag de dag meer, maar de Atlantische slavernij wordt in verreweg de meeste gevallen nog steeds beschreven in economische termen. De Amerikaanse sociologe Melissa Weiner concludeerde in 2014 dat geen enkel geschiedenisboek de link legde tussen slavernij en ras of racisme. ‘Naast die minimale aandacht was er heel lang helemaal niets’, zegt Van Stipriaan.

In 2000 al stelde VU-hoogleraar politieke geschiedenis Susan Legêne dat na 1863 de slavernij uit het Nederlandse geschiedbeeld verdween. Slavernij hoorde bij Suriname en de Antillen, niet bij ‘ons’, zo schreef ze in de Volkskrant. Dat moest nodig veranderen, ‘omdat het heersende geschiedbeeld een krachtig mechanisme is van in- en uitsluiting in de huidige samenleving’.

De groeiende aandacht voor slavernij is er niet spontaan gekomen. Volgens Gloria Wekker zit Nederland midden in een tweede antiracistische golf. Het gaat dan niet om een gestroomlijnde beweging waarin iedereen hetzelfde denkt en wil, met één voorman of -vrouw. Het is eerder een wirwar van mensen, groepen – grassroots, geïnstitutionaliseerd en alles daartussen – die al dan niet samen optrekken. Van activisten, wetenschappers en scholar-activists. Soms komt samenwerking bij toeval tot stand, soms wordt ze georkestreerd en soms is ze er niet. Maar in welke vorm dan ook, de samenleving wordt steeds vaker gewezen op het verleden van de Nederlandse slavernij. Betrokken personen willen een eerlijker samenleving, zoals een generatie voor hen dat eveneens eiste, in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw. Ook toen speelde bewustwording van het slavernijverleden een cruciale rol in het aankaarten van racisme in de samenleving.

Gerrit Schouten, Diorama van de Waterkant van Paramaribo, 1820. Hout en papier-maché, 70,7 x 102 cm x 40 cm © Rijksmuseum Amsterdam

Die eerste antiracistische golf werd gedragen door zwarte vrouwen, onderstreept Patricia D. Gomes. ‘Eerst waren er zelfhulpgroepen, die bezig waren met de gevolgen van racisme. Later kwamen daar verschillende bewustzijns- en empowermentgroepen bij, zoals de stichting Sophiedela, die in 1993 werd opgericht. Daarnaast was er een intellectueel-feministische tak’, zegt Gomes. ‘Verschillende zwarte vrouwen waren jaren actief geweest in de “witte” vrouwenbeweging, maar constateerden dat racisme ook hier tot de orde van de dag behoorde. Witte vrouwen zaten op sleutelposities en bepaalden de emancipatieagenda.’

Gomes was zijdelings betrokken bij Sophiedela, en ging ook naar bijeenkomsten van andere groepen. ‘Bewustwording was een belangrijk doel. De zwarte burgerrechtenbeweging en het zwarte feminisme in Amerika gaven inspiratie. We lazen boeken van Frantz Fanon, Stokely Carmichael en Angela Davis, hielden discussies en lezingen.’ Er werden huiskamerbezoeken georganiseerd om mensen te informeren over het slavernijverleden, columns en ingezonden brieven geschreven, acties gehouden tegen het gebruik van racistische benamingen als ‘neger’ en ‘creool’, in die tijd ‘gewone’ aanduidingen voor zwarte mensen. Vanaf 1993 vond er op het Surinameplein in Amsterdam een jaarlijkse Keti Koti-herdenking plaats om de afschaffing van de slavernij te vieren.

‘Dat Amsterdam en Middelburg gebouwd zijn op de winsten die gemaakt werden in de Gouden Eeuw, gaf een gevoel van onbehagen: we moesten er iets mee’

Barryl Biekman was een van de oprichters van Sophiedela. Onder haar leiding werd de petitie ‘Sporen van de slavernij’ opgesteld voor het oprichten van een nationaal slavernijmonument en een jaarlijkse herdenking. Ze wist verschillende groepen te verenigen tot het Landelijk Platform Slavernij. Drie jaar werd er bij de overheid gelobbyd, steeds weer werd het belang van dit deel van het verleden onderstreept. Monument en herdenking kwamen er in 2002. Voor Biekman stond ook toen al vast dat de slavernij economisch gewin heeft opgeleverd voor Nederland. ‘Laten we niet naïef zijn. Suriname stond op de beurs in de achttiende eeuw. Wie denkt u dat daar rijk van werd? Niet de tot slaaf gemaakten op de plantages.’

Biekman is verder duidelijk over de rol van activisten. ‘Het Europees Parlement heeft in maart van dit jaar een resolutie aangenomen waarin het Afrofobie erkent en de lidstaten oproept om het te bestrijden. In de landelijke media is daar totaal geen aandacht voor geweest. Ik ben als een van de weinigen daarmee gaan sjouwen, loop Tweede-Kamercommissies af om te vragen welke actie er ondernomen gaat worden vanuit de Nederlandse overheid. Maar die actie blijft uit. Netjes vragen werkt niet. Je moet meer doen, voor rumoer zorgen. Dan worden ze wel wakker. Mijn houding was destijds: ik laat me geen knollen voor citroenen verkopen. Je moet standvastig zijn.’

Haar platform pleitte niet alleen voor een nationaal monument en een jaarlijkse herdenking. ‘We wilden dat er een dynamisch monument zou komen. Een instituut dat zich helemaal zou richten op onderzoek naar de Nederlandse slavernijgeschiedenis en de sporen die het heeft nagelaten in het heden. Dat was enorm belangrijk, want anders is het niet mogelijk om het bewustzijn verder te vergroten, zo was onze inschatting.’

Het Nationaal Instituut Nederlands Slavernijverleden en Erfenis (NiNsee) kwam er eveneens in 2002. Een van zijn kerntaken was het doen van onderzoek. Sociologe Aspha Bijnaar was als NiNsee-onderzoeker betrokken bij het onderzoek Op zoek naar de stilte, dat in 2007 werd gepubliceerd. ‘Daarin brachten we voor het eerst erfgoed over de Trans-Atlantische slavernij in kaart’, vertelt Bijnaar. ‘Dat leverde veel op. Niet alleen het Tropenmuseum bleek materiaal te bezitten, maar ook De Nederlandsche Bank, het Theater Instituut en vele andere instellingen. We gingen naar musea en archieven die aanvankelijk dachten nauwelijks of geen stukken te bezitten die met slavernij te maken hadden. Maar steeds weer bleek dat dat toch anders zat.’

Die bewustwording noemt Bijnaar de grootste opbrengst. ‘Mensen begonnen te snappen dat we leven in een land waarin het slavernijverleden eigenlijk overal te zien is.’ Ook Alex van Stipriaan was betrokken bij dit onderzoek. ‘Het ging hier weliswaar om wetenschappelijk onderzoek, maar de insteek was wel degelijk activistisch’, zegt hij. ‘We wilden de stilte over dit verleden aankaarten en laten zien. Het is gevaarlijk om de term “activistisch” te gebruiken omdat heel veel mensen het dan meteen als niet-wetenschappelijk beoordelen. Je kunt dan misschien beter spreken van geëngageerde wetenschap. Maar de insteek verandert daar natuurlijk niet mee.’

Karwan Fatah-Black zegt dat door al die activiteiten mensen wakker zijn geschud, zowel in de Nederlandse samenleving als in de wetenschap. Als voorbeeld wijst hij op het artikel dat hij in 2012 samen met Matthias van Rossum schreef. ‘Dat was de eerste keer dat historici keken naar de bredere betekenis van de Atlantische slavenhandel. We deden dat in onze vrije tijd – op mijn universiteit had dit onderwerp totaal geen prioriteit – mede door de bewustmaking van activisten. Steeds werd er gewezen op de winsten die gemaakt werden in de Gouden Eeuw, dat Amsterdam en Middelburg daarmee gebouwd zijn. Dat gaf een gevoel van onbehagen, creëerde urgentie: we moesten er iets mee.’

Onze koloniale geschiedenis wordt niet meer exclusief geschreven door witte Nederlanders. Aspha Bijnaar promoveerde in 2002 op een onderzoek naar de informele geldeconomie die onder andere onder tot slaaf gemaakten bestond, zette in 2010 het project Kind aan de Ketting op, over kinderen in het slavernijverleden, en was projectleider van Rebelsevrouwen, een theaterstuk over vrouwelijk verzet in de slavernij. De historicus Frank Dragtenstein schreef in 2017 het boek Van Elmina naar Paramaribo, over het leven van slavenhaler Jan Wils. Leo Balai promoveerde in 2011 op een onderzoek naar schepen van de West-Indische Compagnie. Daarin beschrijft hij ook de laatste tocht van het slavenschip Leusden, waarbij honderden tot slaaf gemaakten op gruwelijke wijze omkwamen. Zijn onderzoek vormde de basis voor de geruchtmakende tentoonstelling in het Scheepvaartmuseum in 2013, dat de naam van het slavenschip droeg. Al deze initiatieven zijn het tastbare bewijs dat de Nederlandse slavernijgeschiedenis zich niet langer in de marges van samenleving en wetenschap bevindt.

Een ander project dat dit laat zien is Mapping Slavery dat door onder anderen cultuurhistoricus Nancy Jouwe werd opgezet. Ze geeft papieren en online gidsen uit met wandelingen door steden als Amsterdam, Utrecht en Groningen die het slavernijverleden tastbaar maken. ‘Mensen moeten begrijpen dat slavernij-erfgoed zich ook in hun straat bevindt, bij hen om de hoek. En ook niet alleen in Amsterdam of Middelburg, maar evengoed in een stad als Utrecht’, vertelt Jouwe. ‘Wat wij doen is popular education. We vinden het belangrijk dat informatie over het Nederlandse slavernijverleden breed gedeeld wordt. Zo gaan mensen nadenken, zich verwonderen over die geschiedenis. Gaan er meer over praten.’

Jouwe kun je zien als een scholar-activist. Naast haar werk voor Mapping Slavery doceert ze veel en doet ze promotieonderzoek naar de visuele representatie van het slavernijverleden in Nederland. Ook Mitchell Esajas richt zich op het verspreiden van kennis over het slavernijverleden. Hij is betrokken bij onderzoek vanuit het NiNsee naar de debatten in de Tweede Kamer rondom de afschaffing van de slavernij. Verder richtte de anti-Zwarte-Piet-activist Esajas in 2015 de Black Archives op, samen met Jessica de Abreu en Miguel en Thiemo Heilbron. In deze archieven zijn boeken verzameld van zwarte wetenschappers en schrijvers, die perspectieven bieden die in Nederland te vaak onderbelicht blijven.

Esajas zegt niet verrast te zijn door de uitkomsten van het project Slaves, Commodities and Logistics. ‘Het is vooral meer bewijs van wat wij al vermoedden. Het is eigenlijk ook vrij logisch. De gidsen van Nancy Jouwe lieten al zien dat slavernij heel diep verweven was met allerlei industrieën in Nederland. Daar is grof geld aan verdiend. Dus het is logisch dat die activiteiten een aanzienlijk aandeel hadden in de Nederlandse economie. Hoeveel exact, was nog niet bekend. Het is heel goed dat het nu wel bekend is.’ Maar het gaat Esajas niet alleen om het verleden. ‘Zeker zo belangrijk is dat de erfenis van dat verleden ook geadresseerd wordt.’

Een belangrijk pijnpunt is dat de geschiedenisfaculteiten van universiteiten goeddeels wit zijn. Hetzelfde geldt voor instituten als het iisg. ‘Activisten hebben zich enorm ingezet om het slavernijverleden onder de aandacht te brengen’, stelt Patricia D. Gomes. ‘Door de opgelopen achterstand van vierhonderd jaar slavernij en kolonialisme, en door het huidige racisme, komen zwarte mensen op dit moment die witte bolwerken niet binnen. Dat is wrang.’ Gomes vindt dit nieuwe onderzoek wel een stap in de goede richting. ‘Het laat zien dat de Nederlandse welvaart wel degelijk voor een groot deel is opgebouwd uit de slavenhandel en de slavernij. Maar aan de andere kant is het jammer dat zwarte historici hier alleen als klankbordgroep aan mee mochten werken. Aan de erfenis van het slavernijverleden – racisme, achterstelling, uitsluiting – moet nu echt iets gedaan worden.’

Nederland heeft sowieso weinig gekleurde wetenschappers. ‘Tel het aantal zwarte hoogleraren maar of de gekleurde PhD-onderzoekers’, zegt Nancy Jouwe. ‘Universiteiten en instituten zijn lily white. Engelse activisten klagen altijd over lage percentages niet-witte academici. Wij hebben het hier niet eens over lage percentages, in Nederland kun je het aantal zwarte personen binnen de academie letterlijk op één hand tellen. Affirmative action, het positief discrimineren van zwarte mensen, heeft in Nederland totaal geen prioriteit. Dat zou wel moeten, gezien dat slavernijverleden.’

Karwan Fatah-Black heeft op dat vlak ook kritiek op het project Slaves, Commodities and Logistics: bij het onderzoek zijn geen nazaten van tot slaaf gemaakten betrokken. Pepijn Brandon erkent dat dit een probleem is. ‘Het klopt dat de geschiedwetenschap in Nederland erg wit is en op dat vlak moeten nodig stappen gezet worden. Binnen de grenzen van een enkel onderzoeksproject is dat alleen moeilijk te doorbreken. Dit is een probleem waar het hele veld mee aan de slag moet.’

‘Bij vergelijkbare projecten in het buitenland is dat beter gelukt’, zegt Karwan Fatah-Black. ‘Dat er wetenschappelijk onderzoek gedaan wordt en zwarte mensen daarbij betrokken worden, dat ze de wetenschap binnengehaald worden. Als een vorm van reparations.’