De lichten waren zo fel dat het leek of we in een tv-studio zaten. In werkelijkheid was het een tot de nok zwartgeverfd zaaltje dat smeekte om een zweterig dansfeest maar in plaats daarvan een literaire avond moest huisvesten.

Ik ga jullie zo enkele citaten voorschotelen, zei de gespreksleider.

Ik zie er tegenop, fluisterde een van mijn gespreksgenoten, ik heb het gevoel dat we worden onderworpen aan een test.

Welnee, wilde ik zeggen, maar toen zag ik in het publiek een paar schrijvers en een emeritus hoogleraar die ik hooglijk waardeerde. Sinds wanneer bezochten schrijvers literaire avonden als ze zelf niet hoefden op te treden?

Het ik, dat was de kwestie. Aan tafel vier vrouwelijke ikken en één man die de vragen stelde.

Het soort columns dat vrouwen schrijven, of in elk geval vrouwen bij het weekblad De Groene Amsterdammer, zei de gespreksleider, dat waren allemaal columns waarbij iets kleins wordt geëxtrapoleerd. Lelijk woord, dacht ik: geëxtrapoleerd. Ineens wist ik ook niet meer wat het betekende.

Wat vonden wij als vrouwen van onszelf als vrouwen? Waarom zijn we, hoe, valt het op dat? Er zat weinig zuurstof in de lucht, het had te maken met die zwarte muren. Kleine onderwerpen, geen meningen, was het een school?

Ze konden wel doen alsof het hier ging om een nier, maar in wezen ging het over vrouwen

Na het nietje, zo noemt men die columns in de wandelgangen van het tijdschrift. Vóór het nietje de urgente wereldkwesties, de meningen, na het nietje de… vrouwen? Het easy-readen? Het even-niet-hoeven-denken-aan-de-klimaatcrisistoeslagenaffaire?

Je was geweldig, zei een blozende jongen in de pauze tegen een van mijn gesprekspartners, de manier waarop je je schouders ophaalde!

Het is wonderlijk, hoe je soms per ongeluk een weg in slaat en die hardnekkig blijft volgen. Waar ik eigenlijk over wilde schrijven, nu, op deze plek, was echt een heel andere kwestie, namelijk het verschil tussen goede en slechte kunst. Ik had zin om, voor mijn doen, eens uit te pakken met een statement van formaat. Een mening, zeg maar.

In The New York Times Magazine had een lang artikel gestaan over een smeuïge vete tussen twee collega-schrijvers – schrijfsters – de één bescheiden succesvol, de ander nauwelijks gepubliceerd. De onsuccesvolle had een nier gedoneerd aan een onbekende, als ultieme daad van empathie. Ze had een Facebookgroep opgericht om over haar donatie te praten met vrienden. Daar postte ze weeïge berichten over het lijden van vreemden, dat haar evenzeer aan het hart ging als vormen van lijden dichter bij huis. De relatief succesvolle schrijver had het allemaal gevolgd, en kwam op het idee een verhaal te schrijven over een geprivilegieerde witte vrouw die een nier doneert, zogenaamd uit de goedheid van haar hart maar in werkelijkheid om zich moreel superieur te voelen.

Via via kwam de onsuccesvolle schrijver erachter dat er een verhaal was gepubliceerd over een nierdonatie, door de relatief succesvolle schrijver die zij beschouwde als haar vriendin. En dat niet alleen, een van haar Facebookposts over het lijden van anderen was daarin bijna woordelijk overgenomen. Plagiaat! Een jarenlange shit show volgde, met rechtszaken over en weer. De centrale kwestie, zo leek het, was de vraag of je als schrijver ongelimiteerd mag parasiteren op andermans verhaal. Ja natuurlijk, zeiden alle schrijvers op Twitter.

In het tienduizend woorden tellende stuk in de NYT werd niet gerept van kwaliteit – was het rauwe materiaal goed gejat, had de relatief succesvolle schrijver er kunst van gemaakt die los van dit relletje iets om het lijf had? En, daaruit volgend: bestond er überhaupt goede literatuur waarvoor de schrijver niet, op z’n minst een klein beetje, over lijken was gegaan?

Ja, ja, blabla, denkt mijn particuliere, enkelvoudige vrouwelijke ik ten overstaan van al mijn geïnstitutionaliseerde, universele mannelijke ikken. Je kon allerlei posities over vrijheid en ethiek in de kunsten nog eens onder het stof vandaan halen, maar uiteindelijk ging het hier toch om een verhouding tussen twee vrouwen die de één had aangezien voor vriendschap en de ander als gebruiksvoorwerp. Zo was het al sinds de basisschool en het begin der tijden, populaire meisjes, minder populaire meisjes, insluiting, uitsluiting. Ze konden wel doen alsof het hier ging om een nier, of literatuur, of verraad, maar in wezen ging het over vrouwen, hoe vrouwen zich verhouden tot elkaar en de wereld, de manier waarop vrouwen kwetsen en zich laten kwetsen door andere vrouwen.

Soms sla je niet alleen een weg in die je niet wil inslaan, je gaat meteen maar op de middenstreep lopen in het donker. Jullie waren allemaal heel kalm, zei de hoogleraar na afloop. Ze bedoelde het niet als compliment, maar verpakte het toch op die manier.