Popmuziek- The Black Keys

Na hiphop en huwelijkssores

Net als mede-tweemansband The White Stripes wijken The Black Keys steeds meer van hun oude idioom af, dat bestaat uit kale, rauwe rock en blues. Beide groepen zijn na hun eerste platen op zoek gegaan naar verbreding en verdieping, en tasten de grenzen af van de beperkingen die zo'n kleine samenstelling met zich meebrengt. Dat lukt de twee formaties zo goed dat je steeds vaker vergeet dat ze met zo weinig zijn, en sinds hun toenemende aandacht voor het studiowerk helemaal.
Zo werken drummer Patrick Carney en gitarist/zanger Dan Auerbach, na vier rudimentair opgenomen albums, op Attack & Release uit 2008 nauw samen met producer Danger Mouse. Hij behoudt op deze doorbraakplaat de krachtige energie in het geluid van de band en voegt er meer gelaagdheid aan toe. Stilzitten is er na de succesvolle ontvangst niet bij voor de bandleden. Ze richten zich op eigen muzikale projecten en duiken daarnaast met gerenommeerde hiphopartiesten (Mos Def, Q-Tip, RZA) de studio in om een rap-rockplaat te maken als Blakroc.
Bij het maken van die liedjes gebruikt Auerbach vooral de bas in plaats van gitaar en die werkwijze past hij met Carney ook toe bij de muziek van Brothers. Het instrument is prominent aanwezig op deze zesde plaat en bepaalt bijvoorbeeld sterk het karakter van een liedje als Sinister Kid. Beat en basloop lijken rechtstreeks een product van de Blakroc-sessies. Verder kiezen de twee niet voor opnames in hun vertrouwde regio Ohio, maar voor de legendarische Muscle Shoals Sound Studios in Alabama (onder meer Aretha Franklin, Wilson Pickett en de Staple Singers). Die verhuizing lijkt meer een persoonlijke dan een muzikale overweging, omdat Carney rond de opnames in scheiding lag met zijn vrouw. Het levert de nieuwe plaat een vintage Black Keys-klassieker op met Next Girl (‘The look of the cake/ It ain’t always the taste/ (…) My next girl/ She’ll be nothing like my ex girl’).
Hiphop en huwelijkssores zorgen er dus voor dat op Brothers weer een paar nieuwe dingen te horen zijn. Het geluid klinkt warmer dan ooit en heeft onmiskenbaar de nodige 'ouderwetse’ soul in nummers als Tighten Up, Ten Cent Pistol en These Days. Het tekent de groep, die hoorbaar nog steeds meer heeft met een spontane aanpak dan een uitgewerkte planning, en weinig moet hebben van poespas. Zowel muziek als mening wordt bezield, maar zonder veel opsmuk geuit. 'Onze missie was en is nog steeds dat we met muziek maken om onze huur te kunnen betalen’, zegt Carney in een recent interview, om nog maar eens te benadrukken hoe nuchter ze onder het succes zijn gebleven.
Hun oude motto 'less is more’ hadden ze qua kwantiteit nog wel wat sterker kunnen toepassen, want Brothers heeft als minpunt dat hij met 55 minuten en wat mindere nummers (The Go Getter, Unkown Brother) echt te lang duurt. In ieder geval zal het betalen van de huur voorlopig geen probleem zijn met deze overwegend sterke plaat.

The Black Keys, Brothers, label: Nonesuch/V2