In de voetsporen van Thea Beckmann #5

Na maanden lopen door de hitte was dit waar de Kinderkruistocht eindigde

Het eindpunt nadert. Adam en ik zitten weer in de auto, hij heeft een zwembroekje en waterschoentjes aan en speelt met zijn zwembandjes. Achter in de auto een koelbox en strandspullen. We zijn op weg naar Marseille en ik heb me voorgenomen om er een stranddag van te maken.
Het is wederom, ook al is het nog maar half elf ’s ochtends, loeiheet. Van de drie flesjes zonnebrandcrème die ik voor m’n zoon uit Nederland heb meegenomen is er nog eentje over. Wanneer ik de auto heb geparkeerd en zijn beentjes, armpjes en gezicht insmeer stoot ik mijn hoofd keihard aan het portier.

‘AU!’
‘Wat is eeeeeeer?’
‘Niks’, grom ik, ‘baba smeert zich een ongeluk. Letterlijk.’
‘Wat voor ongeluk? Welke letters?’
Ik grinnik en help hem uit zijn kinderzitje.
We staan op een steenworp afstand van de zee, in de verte klinkt het geluid van een buitenboordmotor. Aan de rand van de parkeerplek loopt een stenen trap naar beneden, naar het strand. Wanneer Adam en ik de trap afdalen worden we gepasseerd door twee mannen in wetsuits en duikspullen.

‘Woah. Wat een grote pieuwers!’ Adam wijst naar de harpoengeweren die ze dragen.
‘Ja, groot hè. Dat is om vissen mee te vangen.’
‘Huh, nee toch? Die kun je toch niet pieuwen!’
Als we op het strand zijn aangekomen zoek ik een rustig plekje. We zijn voor de drukte aangekomen en er zijn nog een aantal parasols en windschermen die we kunnen huren. Er zitten een stuk of veertig mensen op het strand, een paar gezinnen met kleine kinderen en verder vooral jonge stellen.

‘Is dit nu onze parasol?’
‘Nee, we hebben hem gehuurd.’
‘Wat is dat?’
‘Een soort lenen.’
‘Net als de auto?’

Ik knik. Op dit soort momenten word ik overvallen door gevoelens die het best te omschrijven zijn als trots. Drie jaar oud, denk ik, en dan al het concept huren (deels) begrijpen. Wat een kanjer ben je toch, mompel ik, terwijl ik Adam weer insmeer.
‘Nee, ik ben geen kanjer, ik ben Adam!’ grijnst hij en trekt mijn pet van mijn hoofd. Hij zet hem op zijn hoofd en met een lage kinderstem roept hij: ‘Hallo! Ik ben baba! Jij moet naar mij luisteren!’

Het stel dat iets verderop zit blijkt Nederlands te zijn, ze lachen om de geslaagde imitatie.
‘Gaan we zwemmen?’ vraag ik en wijs naar de Middellandse Zee. Het water is verrassend kalm, ik denk dat het iets met de getijden te maken heeft.
‘Nee, nog niet hoor’, antwoordt Adam, ‘ik wil nog even kijken.’

Goed idee. Ik verplaats de parasol zodat we goed in de schaduw zitten, pak iets te eten en te drinken uit de koelbox en we eten.
Na een tijdje doorbreekt Adam de stilte: ‘Wat is daar?’
Hij wijst naar de zee.
‘De zee.’
‘Ja, maar wat is daar nog meer?’
Weer dat trotse gevoel.
‘Wat denk je?’
‘Ik denk…’ en hij heft zijn wijsvingertje op, naast zijn hoofd, alsof hij een goed idee heeft, ‘…ik denk dat daar Amerika is!’

Ik lach. Hij is al een tijdje bezig met naar Amerika gaan, dat komt doordat de titelpersoon van Berendbotje ging uit varen uiteindelijk naar Amerika ging varen.
‘Nee, niet Amerika’, zeg ik en wrijf door zijn krullen, ‘maar wat daar wel is: Afrika.’
‘Echt waar?’
‘Echt waar. Maar’, voeg ik snel toe, ‘daar kunnen we niet naartoe, hoor, dat is echt heel ver weg.’
Hij knikt.
‘Dan blijven we zitten.’
Ik knik weer.

Dan blijven we zitten. Zoiets moeten de duizenden kinderen die hier in 1212 waren aangekomen hebben gezegd toen herdersjongen Stephane het wonder dat hij hen had beloofd niet kon verrichten. De zee was niet geweken, hoe hard er ook werd gebeden, hoeveel smeekbeden er ook ten hemel stegen.

Drie dagen hadden de kinderen hier gewacht, de steile straten rond de haven hadden vol gestaan met kinderkruisvaarders, karren, dieren. Na maanden lopen door de hitte, honger lijden en andere ontberingen was dit waar de Kinderkruistocht eindigde.
En toen, na drie dagen, hadden twee koopmannen zich bij de leiders van de Kinderkruistocht gemeld: IJzeren Hugo en Willem de Big, die hun schepen ter beschikking stelden.
Van de ruwweg dertigduizend kinderen die Stephane naar Marseille hadden gevolgd gingen er zevenduizend aan boord. Ze eindigden op slavenmarkten in Noord-Afrika en het Midden-Oosten, of op de bodem van de Mare Nostrum.

Het is een veel voorkomende nachtmerrie bij jonge ouders die ik ken: je kind identificeren met kinderen uit het wereldnieuws of de wereldgeschiedenis. Mijn eerste nachtmerrie als ouder ging over hoe mijn zoontje, toen een maand of twee oud, op een vakantie in een Aziatisch land ontvoerd werd. U kunt zich voorstellen dat ik wakker werd met een mengeling van moordneigingen en angst.

En nu, op dat strand in Marseille, stel ik me voor hoe mijn zoon op een slavenmarkt – nee, ik weiger die gedachte af te maken, niet alleen omdat het een onverdraaglijke maar ook een absurde gedachte is. Maar dan denk ik aan de ruim tienduizend vluchtelingenkinderen die de afgelopen jaren spoorloos zijn verdwenen tijdens hun vlucht naar Europa. En dat is geen fantasie, zoals de Kinderkruistocht dat misschien wel was, noch is het een verre, vreemde geschiedenis. Die tienduizend kinderen zijn kinderen die hemelsbreed vier uur vliegen hier vandaan komen. Mijn zoon had, onder een ander gesternte, een van die kinderen kunnen zijn geweest.

Ik voel m’n ogen tranen en wrijf in mijn gezicht. Adam ziet dat er iets is en – och mensen toch – legt zijn hand op mijn gezicht.
‘Wat is er baba?’
‘Niks, pasha, niks.’
‘Ben je verdrietig?’
(Och mensen toch, nu vecht ik tegen de tranen.)
‘Nee nee, de zon prikt een beetje in mijn ogen.’
‘O.’

Ik sta op.
‘Kom Adam. We gaan zwemmen.’
Hij staat op en schuift zijn zwembandjes zo goed en kwaad als het gaat over zijn armpjes.
‘Ga je me dan vasthouden?’
Ik knik, til hem op en loop de zee in. Het water is koud, maar het went snel. Ik loop tot mijn navel het water in en zak wat door mijn knieën.
Voor ons strekt de zee zich uit, voor ons, onzichtbaar in de verte moeten Sardinië en Sicilië liggen en daar achter, nog verder weg, de Noord-Afrikaanse kust.
Adam klampt zich aan me vast.
‘Je laat me niet los hè?’
‘Nee hoor.’
En dan, terwijl hij me nog steviger omarmt:
‘Echt niet hè, baba?’
‘Echt niet. Nooit.’

Dit was het laatste deel van het reisverslag. Hierna schrijf ik over het repetitieproces van de voorstelling, waar deze reis deel van uitmaakt.