Het decennium 5: Charlotte Mutsaers

‘Na mij de zondvloed’

‘Het zien hangen van de jas van de overledene…’ Het verdwijnen dat altijd maar doorgaat, daar kan Charlotte Mutsaers niet bij. Een gesprek over nostalgie, onttovering, Facebook en een omelet in een hoge hoed.

Medium rc20120515charlottemutsaers

Enkele weken geleden zijn we naar haar toe gereden, naar Oostende. In een chic etablissement aan de boulevard aten we garnalenkroketjes met gebakken peterselie, terwijl in de nabije verte de zee schuimde en de lucht donkergrijs en dreigend boven de Belgische kustplaats hing: de beste garnalenkroketjes die Charlotte Mutsaers kent, veel beter dan die in Amsterdam. Het ligt aan de fond, met garnalenschillen gebrouwen, zei ze. Dan en daar spreken we af elkaar te ­tutoyeren.

Nu zitten we op het Centraal Station van Amsterdam, in een broeierige restauratie waar ze geen maltbier hebben, zien we links de treinen vertrekken en aankomen, en onder ons de centrale hal, waarin haast en gelukkig weerzien elkaar afwisselen.

Er zijn een paar woorden die aan Mutsaers (1942) blijven haken. Excentriek en dubbel­talent zijn de hardnekkigste. Over ‘excentriek’ komen we later te spreken. Eerst het dubbeltalent. Mutsaers studeerde Nederlands in Amsterdam en ging les geven. Daarna volgde ze de avondopleiding vrije grafiek en schilderen aan de Gerrit Rietveld Academie. Na haar afstuderen werd ze daar tot docent schilderen benoemd en dat is ze meer dan tien jaar gebleven. In 1985 verscheen haar literaire debuut, Hazepeper, waarin de lezer voor het eerst kennismaakte met de ‘charlottesque’ (een term van Arnold Heumakers): de karakteristieke mengvorm tussen essay, herinnering en fantasie die in haar werk zo vaak zou terugkomen. Rachels rokje (1994), Zeepijn (1997) en Koetsier Herfst (2008) zijn wellicht haar bekendste werken. In 2000 kreeg ze drie prijzen: de Constantijn Huygensprijs, de Jacobus van Looyprijs en de Busken Huetprijs, waarvan de eerste twee voor haar gehele oeuvre. In 2010 ontving Mutsaers voor haar literaire werk de P.C. Hooftprijs. Twee weken geleden werd ze in Vlaanderen benoemd tot buitenlands erelid van de Koninklijke ­Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde.

Haar lach heeft in eerste instantie iets wantrouwends. Ze is niet dol op interviews. Naarmate we langer praten verandert de lach: voller, vrolijker.

Van onze gasten ben jij de eerste die allergisch is voor de begrippen ‘decennium’ en ‘generatie’.

‘Ja, die zeggen me vrij weinig. Ze bieden me totaal geen uitgangspunten bij het leggen van contacten, of bij het beoordelen van iemands persoon of werk. Ik heb me ook nooit deel gevoeld van mijn generatie. Toen ik jong was dacht ik zelden: ik ben jong. En nu denk ik zelden: ik ben oud. Ik heb me ook nooit willen afzetten, nooit gevonden dat de oudjes maar eens moesten ophoepelen. Waarom zouden ze, en waarom zou ik dat willen? Ik verbaas me erover dat die woorden zo makkelijk worden uitgesproken en mediageniek zijn geworden.’

Jonge kunstenaars die samen optreden, dat vind je ook niks.

‘Nee. Talent lijkt me een veel belangrijker criterium dan leeftijd. Moet je dan mensen ineens tof en interessant vinden omdat ze in hetzelfde jaar geboren zijn?’

Tegelijk is het een redelijke manier om jezelf als jonge kunstenaar een podium te verschaffen, zeker in deze tijden, waarin roem een voorwaarde lijkt voor succes.

‘Een podium, ach. Ik vind voorlezen in een café voor twaalf man leuker dan in een overvolle schouwburg.’

Maar dat kun je alleen zeggen als je vaak genoeg voor een volle schouwburg hebt gestaan.

‘Dat is natuurlijk zo. Maar dan blijft mijn bezwaar: waarom zou je zoiets samen moeten doen en per se met generatiegenoten? Een kunstenaar moet autonoom zijn, een eigenzinniger beroep kun je je toch niet indenken?’

Ben je nooit bang geweest dat je ‘het niet zou redden’?

‘Nee, dat is nu echt nooit in me opgekomen. Dat zou dan misschien een generatieverschil kunnen zijn. Pas rond de jaren negentig is die manier van denken ontstaan. Toen ik op de Rietveld les gaf, begonnen studenten ineens vragen te stellen als: hoe heb jij dit of dat aangepakt? Dan zei ik altijd: schiet op, ga schilderen. Leerlingen die me bezorgd vroegen: moet ik dan niet naar openingen, om mensen te ontmoeten? Ik zei dan: ze zien je aankomen, ze zitten op je te wachten. Die houding is een resultaat van mijn opvoeding. Berekening was vroeger bij ons thuis zo ongeveer het ergste wat er was, en die mensen moest je verre van je houden, zei mijn vader, want ze houden helemaal niet van je.

Die mij wezensvreemde omslag vond min of meer gelijktijdig plaats in de literatuur. Voorheen was je gewoon aan het schrijven, en was je dolblij als er iets gepubliceerd werd. Nu vragen debutanten gigantische voorschotten en publiciteitsbudgetten. De oudere schrijvers zouden eens moeten weten… Het is een klimaat waar jonge schrijvers in denken mee te moeten, uit vrees dat ze anders niks verkopen. Onbelangrijke boeken die wel mooi bestsellers zijn geworden hebben waarschijnlijk ook hun invloed. Als je achttien bent en je ziet je buurman ineens een bestseller schrijven en met een sportwagen de straat in rijden, ja, wat moet je dan denken? Poen en roem, zo simpel is het. Je afvragen of je wel verlangen koestert om te schrijven, of je wel talent hebt: waarom zou je het jezelf zo moeilijk maken…’

Je hebt ooit gezegd dat je al nostalgisch was voordat je wist wat dat betekende.

‘Ik vind voorbijgang moeilijk te accepteren. Als kind was dat: gisteren was hier nog een bakkerswinkel, vandaag staat het gebouw leeg. Nu is het de gedachte aan de dood. Het feit dat al heel veel mensen uit mijn leven niet meer bestaan. Die zijn weg. En ik heb ook het idee dat een mens in zijn eigen leven enkele malen verdwijnt. Ik denk vaak: ik liep daar en daar in Utrecht en daar loop ik nu niet meer. Mijn voetstappen liggen er wel maar mijn gedaante van toen bevindt zich niet meer in het straatbeeld. Ik ben daar dus in zekere zin dood. Dat meisje is dood. Dat zie ik dan helemaal voor me. Als ik daaraan denk wordt het akelig en koud. Het verdwijnen, dat altijd maar doorgaat, ik kan daar niet bij.

Toen ik negen was en mijn opa overleed, zeiden mijn ouders: nu zullen we nooit meer in Kapellen komen. Dat kon ik me niet indenken. Zoals ik me ook nog steeds niet in kan denken dat mijn ouderlijk huis niet meer bestaat. Als ik ’s nachts wakker lig, dan loop ik het in gedachten vaak helemaal door. Hoe de gang eruit zag, waar de lichtknopjes zaten, ik weet alles nog.

In plaats van seksuele voorlichting zou ik doodsvoorlichting willen voorstaan. Want het is niet alleen het simpele doodgaan dat zo gruwelijk is, maar ook het zien hangen van de jas van de overledene, het ruiken van zijn geur, het lezen van zijn handschrift, dat misselijke gevoel dat je krijgt omdat je lichaam aanvoelt dat de dood onbevattelijk en onherroepelijk is.’

In Zeepijn staan twee kindertekeningen van kerstbomen, door jou gemaakt. Er zit nog geen tien maanden tussen. De verschillen: bij de latere tekening is de piek afgehakt, en zijn de takken kaal. Daarin zit het onvermijdelijke, en onherroepelijke van ouder worden al vervat. Je schrijft, terugkijkend op die twee tekeningen, waarvan je je niet meer kunt herinneren waarom je ze hebt gemaakt: ‘Ik geef niet om de feiten. Ik wil maar één ding: de top en de naalden terug.’

‘Ja, dat is, hoewel niet bewust zo bedoeld, nogal metaforisch. Er zijn tal van zaken die het leven onttoveren: ontdoen van het speelse, het onschuldige, het betoverde en betoverende van de jeugd. Dat onttoveren heb ik in mijn werk altijd willen tegengaan. Ik wilde die naalden terug. >

De ergste onttovering vindt evenwel niet in de wereld plaats, maar in jezelf. Vroeger tekende ik altijd boerderijen. Al die dieren, koeien, paarden, varkens, ik dacht: dat is geluk. Later wil ik ook een boerderij. Maar gaandeweg ontdekte ik dat die boeren hun dieren helemaal niet hielden uit liefde. Dat de smeerlappen alleen maar geld aan hun dood wilden verdienen.

Onbevangen van de wereld genieten is alleen mogelijk als je nergens achter kijkt. Maar verdomd, met mijn aangeboren detective-instelling doe ik niet anders! Of het nu de medische wereld, het uitgeversvak of iemands gedrag betreft, ik moet weten hoe alles in elkaar zit. Maar met al die verworven kennis tast ik wel een deel van mijn geluksvermogen aan: ik ben minder onbekommerd dan vroeger, en het is gedeeltelijk mijn eigen schuld. Dat is een harde peer. En ik dacht nog wel dat ik goed bezig was.’

Wat jij ‘onttovering’ noemt is wat anderen misschien ‘volwassenheid’ zouden noemen.

‘Het zal toch niet. Daar zal ik me altijd tegen blijven verzetten.’

We zijn inmiddels verhuisd naar een andere restauratie, met een kaketoe in de hoek, die soms klaaglijke geluiden maakt. Mutsaers is haar pas aangeschafte telefoon aan het onderzoeken. Ze maakt een foto van een lamp, en zet die op Facebook, een medium waarop Mutsaers zeer actief is. De ober, een jongen van in de twintig met een zwaar brilmontuur zegt: ‘Nokia, dat is voor ons allemaal verleden tijd. Wij zijn al veel verder.’ Een opmerkelijke interventie. Mutsaers zegt dat hij juist mijlen achterloopt, dat de Windows Phone in volle opkomst is.

In je werk zou zoiets een ‘skatsjok’ heten: een verandering van majeur naar mineur, een plotselinge overgang van een zorgvuldig opgebouwde harmonie naar een staat van angstigheid en ontgoocheling.

‘Precies.’

Denk je dat de lezer in het algemeen, en van jouw boeken in het bijzonder, meer oog heeft voor majeur dan voor mineur?

‘Nou, dat hoop ik niet. Ik vind het zelfs tamelijk vreemd om te horen als iemand vrolijk wordt van mijn teksten. Er zit weliswaar vrolijkheid in, maar ook veel angst en somberheid. Vrolijk is een nietszeggend woord. Ik schijn aanstekelijk te zijn, mijn aanwezigheid, mijn plezier in taal. Dat is natuurlijk prachtig allemaal, maar ik wil zelf ook wel eens aangestoken worden.’

Je schrijft toch niet zonder humor.

‘Ja, maar humor heeft weinig met vrolijkheid te maken. Zo heb ik een bloedhekel aan cabaret, aan dingen die gemaakt zijn om mensen aan het lachen te maken.’

Je noemt Kafka ergens een humorist.

‘Kafka is dan ook oergeestig. Maar Kafka vrolijk noemen is een ander verhaal. Als ik moet nagaan of ik een schrijver werkelijk goed vind of niet, dan denk ik vaak: zou ik een reisje met deze of gene willen maken? Een uitstekende en simpele test. Nou, met Kafka lijkt me dat hartstikke leuk. Met Céline of Houellebecq ook.’

Tegelijk bevat Kafka’s werk veel angst.

‘Ja.’

Net als jouw werk.

‘Inderdaad.’

En welke angst is dat dan, angst voor verlies?

‘Ja, verlies is voor mij de belangrijkste dreiging. Verlies van je levenspartner, je hond, je vrienden. Van magie. Van je jeugd, van je leven. Een overbewustzijn van eindigheid heb ik altijd gehad. Maar ik kan mezelf ook goed bij mijn haren uit de put trekken. Dan denk ik: pik in, de jaren die je achter de rug hebt, zijn van mij. Kanker op je vijftigste kun jij alvast niet meer krijgen, die is binnen.’ We lachen, er komen bitterballen op tafel.

Is veiligheid zo belangrijk voor je?

‘Het belangrijkste wat er is. Belangrijker nog dan vrijheid. Veilig in mijn eigen bed, in mijn eigen huis.’

Veel van je werk heeft ook iets bezwerends: het zoeken van de veiligheid in gedachten, verbanden, fantasieën en herinneringen.

‘Dat betekent dus dat ik bang ben die veiligheid te verliezen. Ik vind veiligheid niet saai, of tegengesteld aan avontuurlijk. Ik heb veiligheid nodig om onbevreesd te kunnen zijn.

In mijn jeugd heb ik veel veiligheid gekend. Mijn vader was autoritair, er golden strenge regels, maar als je die volgde, wist je je goed geborgen. Anderen zeggen: goh, mochten jullie pas om zes uur de woonkamer betreden, wat raar. Maar als mijn zusje, mijn broertje en ik dan om zes uur binnenkwamen, was het veilig en goed. Ik heb me ook nooit verveeld. Als kind abstraheer je niet, maar ik wist dat ik echt gelukkig was. Er was ook weinig kennis die mijn geluk kon verstoren. Die veiligheid werd pas doorbroken met de dood van mijn opa en het slechter worden van het huwelijk van mijn ouders. Dat huwelijk was eerst zeer romantisch, wat hielden zij van elkaar! Rond mijn zestiende veranderde dat. Dat was voor mij heel ontwrichtend. En minstens zo erg was dat mijn moeder ineens in God ging geloven. Dat vond ik nou kinderachtig.’

Je kunt geloof ook zien als het tegengaan van onttovering.

‘Ja, bepaalde gelovige schrijvers willen ons zelfs doen geloven dat geloof net zoiets verhevens is als fictie. Maar het is te dwingend, te beperkend om artistiek te kunnen zijn, en het speelt in op angst. Mijn moeder zei altijd tegen mij: Gods genade moet je verdienen. Ik vond dat onlogisch. Als God liefde is, als het zo’n fijne man is, waarom geeft hij me het dan niet gewoon cadeau? Dat is pas genade! Ik stond heel dicht bij mijn ouders, tot dat moment, toen voelde ik ineens een vreselijke afstand tot mijn moeder. Dat maakte me doodongelukkig. Ik zie mijzelf nog gewoon op straat gaan zitten tijdens een wandeling met haar.’

Waarom ging je zitten? Probeerde jij haar te overtuigen van het niet-bestaan van God, of probeerde zij jou te bekeren?

‘Ze probeerde me te bekeren. “Kom maar eens op mijn kamertje. Kom eens praten.” En dan kwam ik. “Weet je wat ik denk dat echt goed voor jou zou zijn? Om een kind te krijgen.” Of een keer in de duinen van Wijk aan Zee, toen ze me op de knieën dwong om God te smeken dat zij met haar minnaar kon trouwen. En ik die huilend gehoorzaamde, maar erachteraan riep: “Nu heb ik gebeden voor de dood van Vaatje!” Zo ver ging dat. Afschuwelijk. Een moeder die haar dochter probeert te bekeren en daar macht aan ontleent. Toen is er veel tegelijk onttoverd.’

Werkt de dood alleen onttoverend, of kan hij ook iets van betovering brengen?

‘Soms kan hij de fantasie aanvuren. Maar dat is niet altijd fantasie waar je op zit te wachten. Wanneer ik in mijn kamer zit en rondkijk met de gedachte dat ik er ooit niet meer zal zijn. Naar alle spullen die voor mij van betekenis zijn, maar voor een vreemde niet. Daar kan ik het echt moeilijk mee hebben. Als ik op het punt sta om met mijn man naar Frankrijk te vertrekken voor vier maanden, dan bekijk ik ons huis altijd met het idee: wat als we niet meer terugkomen? Ik vind “na mij de zondvloed” een top­uitspraak. Volgens mij wil iedereen dat eigenlijk wel. Mijn man en ik zeggen wel eens tegen elkaar: kon het maar zo zijn dat als wij doodgaan, ook ons huis en al onze sporen verdwijnen. Als ik weg ben, dan ook alles weg! Dat idee is acceptabeler dan het idee dat mensen slechts een paar dagen om je rouwen, en dan al weer tetteren: “Het leven gaat door!”’

Dergelijke angsten zijn belangrijk in je werk, en in je denken, maar tegelijkertijd is je taal zeer onbevangen.

(hoopvol) ‘Die onbevangenheid heb ik toch nog wel?’

Zeker.

‘Weet je, ik ben nog tot in mijn tenen nieuwsgierig en dat zal ik altijd blijven. Argwaan vind ik het ergste wat er is. Angst en nieuwsgierigheid sluiten elkaar niet uit, argwaan en nieuwsgierigheid wel.’

Is het nieuwsgierigheid die je naar Facebook heeft geleid?

‘Niet alleen dat. De tragische verdwijning van Gijs Thio vorig jaar heeft de doorslag gegeven. Dat zijn Facebook-vrienden acties opzetten, flyers maakten om hem terug te vinden. Dat vond ik zoiets moois. Ik dacht: ik wil ook wel zo omringd zijn mocht ik zelf ooit kwijtraken.

Ik wist niets van Facebook af, ik deed maar wat, en tot mijn verbazing raakten mensen enthousiast over wat ik schreef en postte. Nu heb ik meer dan vierduizend Facebook-­vrienden, waaronder enkele zeer dierbare. Facebook biedt een heel directe manier van publiceren, zeker voor iemand bij wie het schrijven over het algemeen zo traag gaat is dat magnifiek. En het stelt je in staat om niet alleen te zijn, terwijl je toch alleen in je kamer zit, dat is magie! Het feit dat je niet op elkaars huid zit, werkt ook mee. Dat haalt vaak het beste in de mens naar boven.’

Maar Facebook kan ook confronterend zijn. Zo herinner ik me een bericht van jou, na de moordpartij van Breivik, waarin je stelde dat het opmerkelijk was dat de jonge leeftijd van de slachtoffers voortdurend werd benadrukt, en dat hierdoor de suggestie werd gewekt dat de dood van een kind erger zou zijn dan de dood van een volwassene. Terwijl je, schreef je, net zo goed zou kunnen redeneren dat het andersom is.

‘Maar dat is toch ook zo? Kinderen hebben tenslotte veel minder lijnen uitgezet, veel minder vertakkingen en wortels.’

Heb je dat bericht moeten verwijderen?

‘Welnee.’

Kreeg je hatelijke reacties?

‘Een enkele.’

Facebook is een directe toegangsweg naar de open zenuwen van een samenleving.

‘Sommige open zenuwen zijn terecht, en begrijpelijk. Maar over sommige dingen is ook gewoon nog niet goed genoeg nagedacht, zoals over dat Breivik-incident. Mijn argumentatie is hard, maar zuiver. Of is het alleen maar toegestaan om te zeggen: o, wat is het allemaal vreselijk? Natuurlijk is het vreselijk, dat spreekt voor zich, maar je kunt nog wel redelijk nadenken?’

Twee dagen later zitten we in kunstenaars­sociëteit Arti, aan het raam, achter de pooltafel waar mannen met baarden aan het driebanden zijn. De voorzichtigheid is definitief voorbij. Mutsaers lacht hartelijk, recenseert een bizarre reeks televisieprogramma’s en maatschappelijke verschijnselen, en drinkt cava.

Wanneer voel je je het veiligst?

‘Wanneer ik werk.’

Voel je je in het schrijven veiliger dan in het schilderen?

‘Min of meer vergelijkbaar. Het gaat om de sensatie dat je, wanneer je iets aan het maken bent, volledig gericht bent op het werk, zonder enige angst.’

Maar afwisselend schrijven en schilderen, de ene dag het ene, de andere dag het volgende, is onmogelijk?

‘Zo werkt mijn concentratie niet. Daarvoor zijn het allebei te intense bezigheden. En uiteindelijk, onder meer daarom heb ik nu voorlopig gekozen voor het schrijven, verdwijn ik in de pen nog meer dan in het penseel. Terwijl je schildert kun je nog aan allerlei problemen denken die niks met het schilderij te maken hebben. Bij het schrijven is zoiets uitgesloten. Schilderen is wel fysieker, ook in die zin dat je direct geconfronteerd wordt met wat je maakt. Terwijl je bezig bent, moet je tegelijkertijd oordelen.’

Je keuze tussen schrijven en schilderen is je duidelijk geworden in een droom, toch?

‘Een droom over een inktvis. Die zei: “Write, little inkfish.” En dat heb ik toen gedaan. Het is een mooi, treffend beeld. Je denkt dat je jezelf met inkt beschermt, maar door die gecreëerde zwarte wolk word je juist zichtbaarder. Net schrijven. Verhullen dat uitpakt als onthullen.’

In je werk onthul je bij tijd en wijle ook eigen jeugdherinneringen. Zo hebben we gelezen dat je vroeger met komkommers speelde. Dan kreeg je een komkommer van je vader, daar kerfde je een gezichtje in en daar liep je mee over straat, een dag of zes, daarna werd de komkommer week. Zo streng was de opvoeding dus ook niet.

‘Strengheid is een moeilijk begrip. Ik geloof niet in een vrije opvoeding. Als je alles mag, dan leer je niet te genieten van beperkingen, dan tol je maar wat in het rond, zonder iets om je aan vast te houden. Ik vond het reuze sympathiek van mijn vader dat hij elke week een nieuwe komkommer voor me kocht, hij deed altijd alsof het gewoon was, stond mij alle fantasie toe die een kind nodig heeft. Hij prees me ook nooit om mijn bijzonderheid of zoiets vreselijks.’

Dat brengt ons bij het woord excentriek.

‘Ik vind dat dus geen prettig woord. Ik besef dat ik in sommige zaken afwijk van anderen. Maar excentriciteit suggereert een zekere opzettelijkheid, en dat maakt het aanstellerig en onoprecht. Terwijl iemands “vreemdheid” juist de waarachtige motor kan zijn achter zijn schrijverschap. Het hanteren van zo’n term betekent voornamelijk dat iemand zijn best niet doet om je te begrijpen. Origineel is ook zo’n woord. Voor een kunstenaar is het een conditio sine qua non dat hij origineel is.’

Goochelde jij niet als kind?

‘Ja, daar was ik heel goed in. Dan studeerde ik heel lang op een truc, die ik ook perfectioneerde. Oké, één truc dan: een omelet bakken in een hoge hoed. Kijk, een hoge hoed heeft een dubbele bodem. Thuis, ter voorbereiding, bak je een omelet, die je precies volgens de omtrek van de hoed bijsnijdt. Die stop je in de hoed. Dan, op het podium, heb je een gasbrander en vier eieren. Je zet de brander aan en terwijl je dat doet laat je een ei op de grond stukvallen. Je trekt een vies gezicht en zegt: “Dat ruimen we straks wel op.” Ondertussen breek je de andere eieren op de rand van de hoed, maar, en nu komt het, die eieren zijn leeggeblazen! Maar omdat die ene gevallen is, komt niemand op het idee dat de andere eieren leeg zijn. En dan doe je met veel bombarie alsof je een ei aan het bakken bent, en ziedaar. Magie. Net als schrijven, dat deels ook uit getover en manipulatie bestaat.’

En deels…?

‘Nou, schrijven kan bijvoorbeeld ook terroristische kanten hebben. Een schrijver is in staat om met zijn woorden alles te ondergraven, te verstoren. Het is natuurlijk geweldloos terrorisme, maar dat is dan ook het enige.’

Is Kafka een terrorist of een tovenaar?

‘Beide. Daarin ligt ook zijn grootheid. Zijn visie, die in iedere zin trekt, verandert de manier waarop je naar de wereld kijkt. Dat is magie, maar tegelijk breekt hij veel van je bestaande ideeën over veiligheid en orde volledig af.’

Als je nadenkt over het afgelopen decennium, zijn het dan vooral politiek-maatschappelijke gebeurtenissen die naar boven komen, of persoonlijke?

‘Zoals mijn P.C. Hooftprijs?

Bijvoorbeeld.

‘Dat vond ik het summum. Mijn man en ik zaten bij de Hema. Vier kaiserbroodjes voor een kwartje, dat was echt top. Je moet wel heel saai zijn als je dat niet top vindt. En toen werd ik gebeld op mijn mobiel: u bent voorgedragen voor de P.C. Hooftprijs. Ik dacht: alleen maar voorgedragen? Heeft iemand het dan tegengehouden? Want ik was al helemaal geil geworden van dat woord. En toen vroeg ik: heb ik ’m nou, ja of nee? En: zowaar! Mijn man bood meteen iedereen taart aan. Dat moment vergeet ik nooit meer.’

Fantaseer je wel eens over toekomstige boeken?

‘Voor mij is schrijven hard werken. Hoe spontaner een tekst oogt, hoe harder ik eraan heb gewerkt. Als ik 350 magere woorden haal op een dag, dan is het veel. Vaak genoeg denk ik: is dit geen gekkenwerk, dat schrijven? Maar ik kan niet anders. Dan maar minder boeken. En fantaseren? (aarzelend) Ik heb wel trucs bedacht om mezelf op te peppen. Zo maak ik bij elk boek van tevoren het omslag. Gek genoeg weet ik meestal precies hoe dik zo’n boek gaat worden, en dan pak ik een werk van vergelijkbare dikte uit mijn kast, en daar wikkel ik dan een door mij ontworpen kaft omheen. Met charlotte mutsaers erop, vrij groot, en de titel iets kleiner, ha. En dat boek leg ik dan op tafel zodat het voor mijzelf al bestaat. Er is niets zo beeldends als het fysieke boek.’


Het decennium

Tien gesprekken, met tien deelnemers, ieder geboren in een ander decennium. Te beginnen bij de jaren nul van de vorige eeuw. Voor De Groene Amsterdammer gaan Daan Heerma van Voss en Daniël van der Meer in op belangrijke gebeurtenissen, het afgelopen decennium en het werk van de geïnterviewden. Met de eerdere vier afleveringen wonnen ze in april de journalistieke Tegel in de categorie Interview.