Essay: Het leven als scenario

Na regen komt zonneschijn

De mens heeft de neiging om de werkelijkheid in verhalen te vatten. Op die manier geven we betekenis aan een bestaan dat, omdat het eindig is, feitelijk zinloos is. Welke rol speelt Hollywood daarin?

Betty Grable, Carole Landis en Victor Mature in de film I Wake Up Screaming, 1941 © 20th Century Fox

Iedere avond fiets ik een rondje door de stad. Ik trek er mijn regenjas voor aan, die zwart en onopvallend is en ruimer zit dan mijn andere jassen, waardoor ik me er vrijer in kan bewegen. Iedere avond, als ik op de bank lig, denk ik: vanavond ga ik niet. Maar ik ga toch. En het doet me goed: de buitenlucht, de beweging, de lichtjes in het donker, het ritueel an sich. Iedere avond maakt het me gelukkig om een uur lang door Amsterdam te fietsen en iedere avond denk ik, zonder uitzondering, aan de dood. De mouwen van de regenjas zijn een beetje lang en soms blijft mijn stuur erin haken. Zo gebeurt het natuurlijk, denk ik, ik geef een slinger aan mijn stuur, raak uit balans, er komt net een auto langs, die iets te hard rijdt, het fietspad is te smal, de straatverlichting te zwak – en dat was het dan. Boem! Flits! Dood. Ze stierf terwijl ze deed wat haar gelukkig maakte, zeggen de mensen.

Op geluk volgt ongeluk – en vice versa. Het leven is geen rechte lijn, maar een ontwikkeling. Eén grote opbouw. Niet naar de dood maar naar de aftiteling. In de eerste akte (‘set-up’) wordt een probleem gepresenteerd. In de tweede akte (‘confrontation’) zoekt de protagonist naar een oplossing. In de derde akte (‘resolution’) dient zich – tijdens een spectaculaire climax – een oplossing aan. The end.

In de verhalen die we elkaar vertellen heeft alles betekenis. Er bestaat geen toeval, it all adds up. Dat geldt voor alle narratieve kunstvormen – roman, documentaire, toneelstuk, tv-serie, podcast of speelfilm – maar films zijn, meer dan die andere kunstvormen, sterk afhankelijk van een spanningsboog en dus van een strakke plot die zich langs vaste lijnen ontwikkelt. Waar een roman bijvoorbeeld betekenis kan vinden in symbolische details, daar schuilt de bevrediging van film bovenal in de verhaalstructuur, in hoe de plot zich ontwikkelt. Die ontwikkeling besluit niet altijd met een happy ending. Soms blijft een fietsstuur haken in de mouw van een regenjas, ook dat klopt. Ook daar zit een bevredigende logica in. Het houdt de kijker niet alleen in zijn bioscoopstoel, het biedt nog iets anders: catharsis.

Ik zit op de fiets en dat maakt me gelukkig. Kennelijk is het een gebeurtenis die niet op zichzelf kan staan, die ik automatisch onderdeel maak van iets groters: een plot. Het nu bestaat voor mij alleen in relatie tot een straks. In zijn essay over het filosofisch absurdisme, De mythe van Sisyphus (1942), schrijft Albert Camus: ‘We teren op de toekomst: “morgen”, “later”, “als je eenmaal een vaste baan hebt”, “als je ouder wordt”, dan zul je het begrijpen. Dat zijn wonderlijke inconsequenties, want het gaat ten slotte om de dood. (…) Morgen, hij keek uit naar morgen, terwijl alles in hem zich daartegen had moeten verzetten.’

Maar we kijken niet alleen uit naar morgen, we gebruiken die relatie tussen nu en later, oftewel een verhaalstructuur, ook om de wereld te begrijpen. Zelfs onze clichés zijn mini-plotjes: als je een goede daad doet, zal die worden beloond; na regen komt zonneschijn (en omgekeerd); what doesn’t kill you makes you stronger. Het zijn denkpatronen die de werkelijkheid vatten in oorzaak en gevolg. Het is Hollywood in het klein.

‘Rampenfilms beginnen altijd met een wetenschapper waar niet naar geluisterd wordt’, staat tijdens een klimaatdemonstratie op een spandoek te lezen. ‘This is the part when I say I don’t want ya/ I’m stronger than I’ve been before’, zingt Ariana Grande in ‘Break Free’, alsof haar liefdesgeschiedenis geen opeenvolging van gebeurtenissen is, maar een narratief opgedeeld in hoofdstukken. Op Twitter wordt het meest tot de verbeelding sprekende nieuws geduid en geïroniseerd door er een verhaalstructuur op te projecteren. Baudet stapt op? Heerlijke seizoensfinale. Ruth Bader Ginsburg overlijdt? Typische tweede-akte-tragedie. ‘Plot twist’, citeert de Volkskrant de Instagram-post van een influencer in een stuk over complottheorieën. ‘Is Donald Trump dan toch de good guy?’

De werkelijkheid is rommelig. Er vinden afgrijselijke gebeurtenissen plaats, gebeurtenissen die zinloos zijn, die geen betekenis hebben, geen upside of silver lining. Maar we vinden troost in de illusie dat alles zijn verloop heeft. Set-up, confrontation, resolution. We hebben de werkelijkheid weliswaar niet voorspeld, maar we sussen onszelf met het idee dat we hem hadden kúnnen voorspellen. Zie je wel, zeggen we. Zo móest het lopen.

Ik trek mijn regenjas aan. Kijk die vrouw, zeggen de mensen. Ze dacht dat ze zelf het geluk kon maken. 'Think again'

Ik trek mijn regenjas aan. Voor de zekerheid rol ik de mouwen een stukje op. Licht aan, koptelefoon op. De maan staat hoog. Er speelt nog iets mee, bedenk ik me, bij het feit dat mijn gedachten als vanzelf richting de dood gaan. Ik voel me nederig ten opzichte van het lot, want ik twijfel aan de vrije wil. Kijk die vrouw, zeggen de mensen. Ze dacht dat ze zelf het geluk kon maken. Think again.

Boem! Flits! Et cetera.

In de film noir, de stroming van goedkoop gemaakte, dramatisch vormgegeven en diep cynische misdaaddrama’s uit de jaren veertig en vijftig, kijken we als een wrede god neer op personages die zich meester van hun eigen lot wanen, om uiteindelijk ingehaald te worden door hun zonden, het verleden, hun onvermijdelijke ondergang. Een lijst van film noir-titels leest als een opsomming van wanhopige kreten, met als vaste thema’s de wurggreep van de tijd, geweld en misdaad, eenzaamheid, op de vlucht zijn, in de val lopen en de onafwendbare dood: The Desperate Hours, Make Haste to Live, No Way Out, Cornered, They Won’t Believe Me, Hunt the Man Down, Nobody Lives Forever, I Wake Up Screaming, I Walk Alone. Soms staat er zelfs een uitroepteken achter de titel, voor extra effect: Railroaded! Of: I Want to Live!

De personages uit deze films voelen de ‘opstand’ die Camus in De mythe van Sisyphus beschrijft: ze beseffen dat het bestaan inherent tegenstrijdig is omdat het onherroepelijk wordt afgesneden door de dood. ‘Na de kennismaking met het absurde komt alles op losse schroeven te staan’, schrijft Camus. ‘Dat idee van “ik ben” en mijn manier van handelen alsof alles zin heeft (…), dat alles wordt op een duizelingwekkende manier gelogenstraft door het absurde feit dat je dood kunt gaan.’

Nog interessanter dan de parallel die loopt tussen Camus’ absurdisme en de film noir (niet toevallig stammen ze uit dezelfde tijd, namelijk rond de Tweede Wereldoorlog) is het cruciale verschil tussen de twee denksystemen. Want waar Camus’ theorie draait om het feit dat het leven geen betekenis heeft, en dus willekeurig is, daar draait de film noir om samenhang. De spiraal gaat weliswaar neerwaarts, maar ook daarin herkennen we structuur. Dat de mens sterfelijk is, en zich daar ook bewust van is; dat hij met zijn rug tegen de muur staat, verklarend dat hij vrij is maar wetend dat dat niet waar is, dat is de ruggengraat van Camus’ absurdisme. Het maakt het leven zinloos, en ontneemt de mens zijn illusie van vrijheid. Maar in de film noir geeft dat feit juist houvast. Als mijn stuur in mijn mouw blijft haken – boem, flits, dood – is dat domme pech. Een gril van de werkelijkheid. Maar in Hollywood, waar alles een reden heeft, vindt mijn dood betekenis in zijn onontkoombaarheid. Het was geen willekeur, het was het noodlot.

Susan Hayward en Robert Young in de film They Won’t Believe Me, 1947 © RKO Radio Pictures Inc

Met de soundtrack op onze koptelefoon wanen we onszelf de hoofdpersoon in de verhaallijn van ons leven. Er schuilt schoonheid in, vind ik, in hoe we ons vastklampen aan betekenis, hoe we weigeren ons neer te leggen bij willekeur. Maar dat we Hollywood, waar het individu altijd centraal staat, kopiëren naar de werkelijkheid, maakt ons ook narcistisch. Verwend. Het doet ons geloven dat we recht hebben op voorspoed en happy endings; op de buit, theone of het meisje. Het maakt ons naïef, passief, burnt out, misnoegd. Het zorgt ervoor dat we hoopvol zijn wanneer wanhoop gepaster zou zijn. Wat dat betreft is het wrang dat het spandoek op de klimaatdemonstratie de wetten van de rampenfilm oproept, want was de klimaatcrisis door Hollywood geschreven, dan zou een deus ex machina de hoofdpersonen redden van de ondergang. Het is misschien ook wel de reden dat we in het licht van een onafwendbare catastrofe niet veel massaler in actie komen: heimelijk geloven we écht in een deus ex machina.

Wat ik steeds definieer als ‘Hollywood’, omvat natuurlijk veel meer dan alleen de Amerikaanse filmindustrie. Al ver vóór die verhalenfabriek was het religie die het menselijk bestaan orde en betekenis gaf in de vorm van regels, verhalen en dat ultieme happy ending: een leven na de dood. Ik geloof niet in God, ik maak mijn eigen geluk. Ik stap op de fiets en doe iets waar ik blij van word. Dat is wat we vrijheid noemen. En toch is mijn geluk niet totaal, toch schuurt dat idee van vrijheid. ‘Het absurde’, schrijft Camus, ‘ontstaat uit de confrontatie tussen het roepen van de mens en het onredelijke zwijgen van de wereld.’ Religie vult die stilte in, ze biedt antwoorden. Religie maakt het schurende gevoel zacht, niet alleen door er een verhaal van te maken, zoals Hollywood, maar vooral door de vrije wil uit te schakelen. Wie gelooft, die levert zich over. Hij maakt niet zijn eigen geluk, net zomin als dat hij verantwoordelijk is voor zijn eigen ongeluk.

This is the part where I die, parafraseer ik Ariana Grande, en wacht op de aftiteling. Ik ben de absurde mens, zoals Camus die beschrijft. Ik roep, de wereld zwijgt. Ik leef zonder god, in het volle besef dat het bestaan betekenisloos is, en mijn vrijheid schijn. Maar bij Camus vind ik ook een oplossing: ‘Als ik ervan overtuigd ben dat dit leven geen andere kant heeft dan die absurde kant (…), dan moet ik zeggen dat het enige wat telt niet is dat ik zo goed mogelijk leef, maar dat ik zo veel mogelijk leef.’ Ik probeer niet na te denken over het einde, happy of anderszins. Ik leef, zo veel mogelijk.