Irak 3: Scenario’s voor een Amerikaanse bezetting

Na Saddam

Mocht het «probleem» Saddam Hoessein worden opgelost met een oorlog, dan beginnen de moeilijkheden pas echt. Niet alleen voor Irak. Een regimewisseling betekent een internationale inspanning van formaat. Er zijn talloze scenario’s mogelijk voor een Amerikaanse bezetting van Irak.

Ik heb onlangs enkele tientallen mensen geïnterviewd over wat er kan worden verwacht in Irak nadat de VS Saddam Hoessein hebben afgezet. Ik heb gepraat met spionnen, Arabisten, managers van oliebedrijven, diplomaten, wetenschappers, beleidsdeskundigen en vele soldaten, actief of niet langer actief. Ze kwamen uit Amerika, Europa en het Midden-Oosten. Sommigen waren uitgesproken vóór een preventieve oorlog tegen Irak; meer mensen waren daar tegen.

Ik begon mijn onderzoek met het idee dat het afdwingen van een «regimewisseling» in Irak een historische noodzakelijkheid was van ons onaangename tijdperk: een oorlog beginnen zou slecht zijn, maar wachten tot wij in een oorlog worden gestort, zou nog slechter zijn. Dat idee was tot op zekere hoogte gebaseerd op de overtuiging dat de Amerikaanse regering niet voor het publiek toegankelijke informatie bezat over hoe ver Saddam af is van het hebben van inzetbare massavernietigingswapens.

Het belang van de verbeelding bij het denken over oorlog werd voor mij benadrukt door Merrill McPeak, een voormalig luchtmachtcommandant met twijfels over een preventieve aanval. Toen Amerika zich mengde in de Vietnamoorlog, waarin McPeak oorlogsmissies vloog, kon het publiek zich niet voorstellen hoe slecht een oorlog tegen een «zwakke» vijand kon uitpakken. Sinds die tijd, en vanwege Vietnam, hebben we algemeen de risico’s van een oorlog overschat. Amerika’s kleine oorlogen in Grenada, Haïti en Panama pakten beter uit dan veel deskundigen voorspelden. De grotere, op de Balkan, in de Perzische Golf en Afghanistan, eveneens. De episode-Somalië is de belangrijkste uitzondering — in de strijd tegen statenloze vijanden hebben we onze kwetsbaarheden onderschat.

In 1990, toen de VS zich klaarmaakten om Irakese troepen uit Koeweit te dwingen, was McPeak stafchef van de luchtmacht. Hij meende dat oorlog noodzakelijk was en pleitte voor zware bombardementen op Irak. Nu is hij tegen een invasie, voornamelijk omdat het erg moeilijk is de gevolgen in te schatten van Amerika’s eerste preventieve oorlog — en de eerste grote oorlog sinds de Spaans-Amerikaanse oorlog waarin de VS weinig of geen bondgenoten zouden hebben. Oorlogen veranderen de geschiedenis op manieren die niemand kan voorzien.

Sommige leden van de oorlogspartij drongen oorspronkelijk aan op een snel-erin-en-eruit-aanval. Hun voorbeeld was de driedelige formule van de «Powell-doctrine». Ten eerste, zet alle duidelijke steun op een rij — van de politieke leiding van Amerika, zoniet internationaal. Verzamel vervolgens genoeg troepen om geen twijfel te laten bestaan over de afloop. Bereik voor de oorlog begint overeenstemming over hoe hij zal aflopen en wanneer te vertrekken. Dat model is onrealistisch geworden. Saddam het land uit krijgen, zal betekenen mensen, apparatuur en verwoesting het land binnen brengen. Als de VS een groot grondoffensief zouden beginnen, dan zouden tienduizenden soldaten, met hun zware gevolg van logistiek, midden in een vreemd land zitten als de strijd voorbij was. Als het Amerikaanse leger zou vertrouwen op de luchtmacht tegen Bagdad, zou het vele burgers doden voordat het Saddam uitschakelde. Hoe het ook gaat, Amerika zou een enorme voetafdruk op Irak achterlaten, die niet in korte tijd te verwijderen is.

En na drastisch actie te hebben ondernomen, zouden we worden gezien — door de wereld en onszelf, door Al Jazeera en CNN — als verantwoordelijk voor de gevolgen. «Het is goed mogelijk dat als we binnenvielen, Saddam uitschakelden en dan snel weer vertrokken, het resultaat een uiterst bloedige burgeroorlog zou zijn», zegt William Galston van de Universiteit van Maryland, die tijdens de Vietnam-oorlog marinier was. «Dat bloed zou aan onze handen kleven.» De meeste mensen die ik sprak, vóór een oorlog of tegen, erkenden dat militaire actie een weerhaak is: zit hij er eenmaal in, dan is het niet vlug afgelopen.

Naoorlogse problemen in Afghanistan hebben bijgedragen aan een groeiende bezorgdheid over Irak: de oorlog zelf kan snel gaan, misschien zelfs sneller dan de overwinning op de Taliban. Maar het einde van de gevechten zou nauwelijks het einde van Amerikaanse betrokkenheid betekenen. In augustus, toen warlords opnieuw de macht grepen in Afghanistan, zei generaal Franks, de Amerikaanse bevelhebber, dat Amerikaanse troepen misschien jaren in Afghanistan zouden moeten blijven.

In Afghanistan reageerden de VS vooral op een aanval en initieerden niet zozeer een regimewisseling. Ze hadden brede internationale steun en de Noor delijke Alliantie om het werk op te knappen. Omdat de Taliban en al-Qaeda uiteindelijk liever wegsmolten dan vochten, kregen VS-troepen de grootste steden in handen met relatief weinig onbedoelde schade. En toch zal weggaan veel meer tijd kosten dan binnenkomen.

Sommige voorstanders van een oorlog zien een langdurige aanwezigheid in Irak als iets positiefs. Als Amerika binnenviel met de bedoeling te blijven, zou het het tegenovergestelde kunnen doen van het destabiliseren van de Arabische wereld. Richard Perle, een vooraanstaand lid van de oorlogspartij, stelde in de Daily Telegraph «dat Saddams vervanging door een fatsoenlijk Irakees regime de weg zou effenen voor een veel stabielere en vreedzame regio. Een democratisch Irak zou een krachtige weerlegging zijn van het arrogante idee dat Arabieren niet in staat zijn tot democratie.»

Sommige regionale deskundigen beweren het tegenovergestelde: dat een sterk, welvarend, zelfverzekerd en stabiel Irak het laatste is wat zijn buren willen. Anderen verwerpen het idee dat een westerse macht, hoe hard die ook probeerde en hoe lang die ook bleef, enige verandering van betekenis in de politieke cultuur van Irak zou kunnen bewerkstelligen.

Ongeacht deze verschillen zou de dag nadat een oorlog eindigde Irak het probleem van Amerika worden. Omdat we de politieke orde zouden hebben verwoest en daarbij materiële schade hebben toegebracht, zouden overwonnen Irakezen zich richten tot de Amerikaanse regering voor noodhulp, rust en orde, economisch herstel en bescherming van hun grenzen. Ze zouden een deel van ons zijn.

Hieronder volgt een sorteerlijst voor Amerikaanse bezetters: de belangrijkste problemen die ze in de eerste dagen, weken en maanden van een bezetting zouden tegenkomen.

Chaos-op-het-laatste-moment. Het grootste probleem op de eerste vredesdag zou voortkomen uit wat er in de laatste oorlogsdagen gebeurde. Wat zou Saddam, de nederlaag en misschien de dood in het verschiet, laat in de oorlog hebben besloten te doen met de opgeslagen massavernietigingswapens die de oorspronkelijke rechtvaardiging vormden voor de aanval? De diverse strijdplannen van het Pentagon die naar de media zijn gelekt, gaan er allemaal vanuit dat Irak chemische wapens zou gebruiken tegen Amerikaanse troepen. (Biologische wapens werken te langzaam, en een kernwapen, als Irak dat zou bezitten, is niet bedoeld voor gebruik op het slagveld.)

De belangrijkste chemische wapens in Irakese arsenalen zijn waarschijnlijk het zenuwgas sarin en het vloeibare VX. Beide kunnen worden opgenomen door de longen, de huid en de ogen, en een enkele druppel ervan kan dodelijk zijn. Sarin vervluchtigt snel, maar VX is verhoudingsgewijs stabiel en kan een blijvender gevaar betekenen. Amerikaanse troepen zouden worden uitgerust met beschermende pakken, maar aangezien die log zijn en warmte vasthouden, was de noodzaak ze te dragen een argument om een aanval uit te stellen tot de winter.

Een ander probleem is dat Saddam in zijn ondergang chemische wapens zou gebruiken, niet alleen om VS-soldaten aan te vallen, maar ook om uit te halen over zijn grenzen — hoogstwaarschijnlijk tegen Israël. De scud- en «al-Hoessein»-raketten van Irak kunnen Europa niet bereiken, maar Israël wel — zoals Irak aantoonde tijdens de Golfoorlog. Toen voldeed de Israëlische regering van Yitzhak Shamir aan Amerikaanse verzoeken om alle repercussies over te laten aan Washington. Er is niets in de lange carrière van Ariel Sharon dat erop wijst dat hij op dezelfde manier kan worden ingetoomd.

Een Amerikaanse bezetting van Irak zou kunnen beginnen terwijl de rest van het Midden-Oosten in oorlog is. «Wat is de ergste nachtmerrie bij het begin?» vroeg een officier die in de Golfoorlog had gevochten retorisch. «Saddam treft Israël en Sharon treft een of andere Arabische stad. Dan krijg je de totale religieuze oorlog waar de islamitische fundamentalisten en misschien enkele likoedniks op hopen.»

Dat is meer een worst-case-voorspelling dan een waarschijnlijkheid, dus laten we aannemen dat een regionale strijd kan worden beperkt en dat we snel overgaan naar de problemen van de naoorlogse dagen.

Vluchtelingen en hulp. Hoeveel zonniger de langetermijnvooruitzichten van Irak ook kunnen worden, op de korte termijn zouden vele Irakezen wanhopig zijn. Burgers zouden zijn gedood en lijken moesten geborgen worden, de wonden verzorgd, wezen opgevangen, ziekenhuizen bemand.

«Je begint direct met een humanitaire crisis», zegt William Nash van de Raad voor Buitenlandse Relaties. Nash, een gepensioneerde legergeneraal, had het bevel over post-combat-hulpoperaties in zuidelijk Irak na de Golfoorlog en diende later in Bosnië en Kosovo. «Bij de opmars naar Bagdad zul je een heleboel schade aanrichten», zei Nash tegen me. «Ofwel verwoest je veel infrastructuur door te proberen het slagveld te isoleren, of zij verwoesten het in een poging onze voortgang te vertragen.» Naoorlogse handel en herstel in Irak zullen vanzelfsprekend afhankelijk zijn van wegen, spoorwegen, luchthavens en bruggen over de Tigris en de Eufraat — faciliteiten waarvoor beide partijen in de oorlog redenen zullen hebben om ze op te blazen. «Je hebt meteen voedsel, water en onderdak nodig — die mensen moeten overleven», vervolgde Nash. «Omdat jij de oorlog bent begonnen, heb je een morele verantwoordelijkheid voor hen geaccepteerd. En je zou heel goed de sociale structuur die voorheen die diensten leverde, vernietigd kunnen hebben.»

Herstel van de infrastructuur is niet onmogelijk, maar het is duur. Irak zou voedsel, tenten, mobiele ziekenhuizen, waterzuiveringssystemen, generatoren enzovoort nodig hebben. Scott Feil, een gepensioneerde kolonel, zei in een Senaatshoorzitting dat de kosten voor het eerste jaar in Irak ongeveer zestien miljard dollar voor post-conflict-veiligheidstroepen zouden zijn en één miljard voor wederopbouw.

Saddam Hoessein pakken. Vanuit het Amerikaanse perspectief doet het er niet toe of Saddam na de oorlog dood, gevangen of verbannen is. Wel belangrijk is dat zijn verblijfplaats bekend is. De enige uitkomst die bijna net zo slecht is als Saddam die aan de macht blijft, zou zijn dat Saddam voortvluchtig is, net als Osama bin Laden en veel al-Qaeda-leiders na 11 september.

«Mijn nachtmerrie-scenario», zei McPeak tegen me, «is dat we erin duiken, het vliegveld innemen, het 101ste Airborne sturen en dan Saddam niet kunnen vinden. Dan hebben we Osama en Saddam loslopen, en allebei verkrijgen ze de heldenstatus in de Arabische wereld door alleen al te overleven.»

Tijdens de Golfoorlog ontdekten McPeak en zijn collega-bevelhebbers dat Saddam een vloot Winnebago-achtige voertuigen gebruikte om door Bagdad te bewegen. Ze probeerden de voertuigen op te sporen maar wisten Saddam zelf nooit te lokaliseren. «Mijn zorg is dat hij individueel slimmer is dan onze bureaucratie collectief», zei McPeak. «Bureaucratieën vertragen de dingen vaak. Dus door hem te zoeken, hebben we een schaakwedstrijd tussen een bureaucratie en Saddam Hoessein.»

Politiecontrole, menskracht en inlichtingendiensten. Als de ketenen worden verbroken na een lange periode van onderdrukking zijn mensen dankbaar en blij. Maar ze kunnen ook woedend en wraakzuchtig zijn, zoals de post-bevrijdingsgeschiedenissen van Roemenië en Kosovo laten zien. Phebe Marr, Irak-deskundige, zei in augustus tegen een Senaatscommissie: «Als er in Bagdad geen krachtig leiderschap is… kunnen wraak, vereffeningen en slachtpartijen plaatsvinden, vooral in steden.»

Enige controle over veroverde gebieden, om eigenrichting en de activiteiten van warlords te minimaliseren, is essentieel. Wat vereist is, zijn genoeg mensen om de controle uit te voeren; een manier om plaatselijke vetes en spanningen te begrijpen, en een plan voor het creëren en geven van de macht aan een lokale politie. «Je moet toewerken naar een lokale, door burgers geleide politie», vertelde Frederick Barton me, een voormalige USAid-official. «Een academie opzetten is prima, maar nationale politiemachten zijn vaak bronnen van toekomstige staatsgrepen en corruptie. Ik heb liever 150 kleine diensten door het hele land en neem op de koop toe dat er dertig corrupt zijn dan… één grote, slechte.»

In het bezettingswezen zijn er enkele verrassende vuistregels. Bijvoorbeeld: of een land nu groot of klein is, het inleveren van wapens door de overwonnen troepen lijkt zo’n 120 dagen te kosten. Net zo lijkt, ongeacht de grootte van een land, het handhaven van de orde één bezettingssoldaat of politieagent op elke vijfhonderd mensen te kosten — plus een supervisor voor elke tien politiemensen. Voor de 23 miljoen mensen van Irak zou dat een bezettingsmacht van ongeveer vijftigduizend betekenen. Scott Feil vertelde een Senaatscommissie dat volgens hem de bezetting 75.000 veiligheidstroepen zou vereisen.

Bij de meeste van hun militaire optredens sinds Vietnam hebben de VS veel bezettingsplichten overgegeven aan bondgenoten of VN-troepen. Idealiter zouden de bezetters van Irak andere Arabieren zijn, maar het overhalen van andere landen om op te ruimen na een oorlog waar ze tegen waren, zou erg moeilijk zijn.

Zelfs 25.000 bezetters op een duurzame basis leveren zou niet makkelijk zijn voor het Amerikaanse leger. In het afgelopen decennium is het aantal mensen in het leger gedaald, ook al zijn het niveau van buitenlandse deelname en het defensiebudget gestegen. In totaal zijn er zo’n 1,4 miljoen mensen in actieve dienst. Ten tijde van de Golfoorlog lag het totaal boven de twee miljoen. Begin september was het aantal soldaten van de Nationale Garde en de reserves die waren gemobiliseerd door federale oproepen ongeveer tachtigduizend, vergeleken met 5600 net voor 11 september. Voor Amerika in het algemeen was de oorlog in Midden-Azië voornamelijk toekijken; geen oorlogsbanden, geen benzineaccijnzen, geen verplichte overheidsdienst. Voor de vrijwillige militair was het behoorlijk reëel. Een manier om meer soldaten in Irak te krijgen zou zijn om ze te herstationeren vanaf bases overzee. Voor 11 september waren er 250.000 soldaten gelegerd buiten de VS, waarvan meer dan de helft in Duitsland, Japan en Korea. Er zijn 118.000 soldaten alleen in Europa.

Maar op korte termijn zou de bezetting van Irak mensen vereisen uit de civiele-zaken-vleugel van het leger: mensen opgeleid voor het opzetten van rechtbanken en politiesystemen, herstellen van de infrastructuur enzovoort. Velen zitten bij de reserves en zijn al ingezet bij missies in Bosnië, Kosovo of elders. «Zij vormen een raar stelletje», zei James Dunnigan, redacteur van strategypage.com. «Het zijn vaak te hoog opgeleide burgers — ze werken graag voor de overheid en zijn dol op avonturen.»

Zo iemand is Evan Brooks, die luitenant-kolonel was bij de reserves, gespecialiseerd in civiele zaken, tot zijn pensionering onlangs. In zijn gewone leven is Brooks advocaat bij het hoofdkwartier van de Internal Revenue Service. «Tussen 1947 en 1983», vertelde Brooks me, «kon het aantal civiele zaken-eenheden dat werd geactiveerd vanuit de reserves op één hand worden geteld. Sinds 1987 is er niet één kerst geweest dat de civiele zaken-unit in het DC-gebied geen mensen van overzee heeft gehad.»

Waar de bezettingsmacht haar mankracht ook vandaan haalt, ze zal de uitdaging moeten aangaan van het begrijpen van de politiek en rivaliteiten in een land waarvan weinig Amerikanen de taal spreken. De CIA heeft Arabisch sprekenden geworven en Irakese bannelingen uitgehoord voor inlichtingen. In de leiding van het Pentagon zit één Arabisch sprekende: de voorzitter van de gezamenlijke staf John Abizaid, een driesterrengeneraal. Als bevelhebber tijdens de Golfoorlog kon Abizaid rechtstreeks met Irakezen praten. De meeste Amerikaanse bezetters zullen die vaardigheid missen.

Het vormen van een regering. Als een tirannie valt, kan een nieuwe, legale bron van autoriteit een tijdje op zich laten wachten. Als nieuwe leiders makkelijk aan te wijzen zijn, is dat meestal vanwege hun familienaam, verleden of politieke strijd. Corazon Aquino illustreert de eerste mogelijkheid: als weduwe van een politieke rivaal die in opdracht van Ferdinand Marcos moest worden vermoord, was zij de ideale opvolger van Marcos op de Filippijnen (ondanks haar latere problemen). Charles de Gaulle in het naoorlogse Frankrijk, Nelson Mandela in Zuid-Afrika en Kim Dae-jung in Zuid-Korea illustreren de tweede mogelijkheid.

Irak heeft niet zulke voor de hand liggende bronnen van nieuw leiderschap. Vanaf 1500 bestuurde het Ottomaanse rijk, gevestigd in Istanboel, het gebied dat nu Irak is. Toen het rijk viel, na de Eerste Wereldoorlog, hield Engeland toezicht op het nieuw gecreëerde Koninkrijk Irak, onder een mandaat van de Volkenbond. De Britten importeerden een lid van de Hasjemitische koninklijke familie van Syrië, die in 1921 koning Faisal I van Irak werd. (In Jordanië heerst nog steeds een Hasjemiet.) Het koninkrijk Irak hield stand tot 1958, toen koning Faisal II werd gedood bij een staatsgreep. In 1963 greep de Ba’ath of vernieuwingspartij de macht bij een andere coup — waar de VS oorspronkelijk blij mee waren, in de hoop dat de Ba’athisten anticommunistisch zouden zijn. Eind jaren zeventig was Saddam Hoessein in de partij gaan heersen.

De oude monarchie heeft te ondiepe wortels om een herintroductie in Irak te overleven en Saddam heeft de tijd gehad om vrijwel alle interne tegenstand te elimineren. De Koerdische stamhoofden van de noordelijke provincies zijn de belangrijkste uitzondering. Maar hun drijfveer is altijd separatistisch geweest: ze streven naar onafhankelijkheid van Bagdad en bestrijden elkaar. Dat maakt Irakese bannelingen, met name het Irakese Nationale Congres, de meest waarschijnlijke leveranciers van leiders.

Het INC overleeft van geld van de Amerikaanse regering. De president, de door Amerika opgeleide zakenman Ahmad Chalabi, werd door de Washington Post omschreven als een «toegewijd voorvechter van de democratie» die «het grootste deel van zijn fortuin heeft opgeofferd om tegen Saddam te vechten». Het minpunt van Chalabi betreft eveneens zijn fortuin: hij leeft op grote voet, en onder hem werd het INC achtervolgd door beschuldigingen van finan cieel wanbeheer. «De oppositie buiten Irak is bijna even verdeeld, zwak en onbelangrijk als de Wit-Russen in de jaren twintig», zegt Anthony Cordesman, van het Centrum voor Strategische en Internationale Studies.

«Wat je nodig zult hebben, is een man met een zwarte snor», zei een gepensioneerde Britse spion tegen me. «Uit de chaos zal iemand verrijzen. Maar het kan niet Chalabi zijn, en het zal waarschijnlijk geen democratie zijn. Democratie is iets bijzonders, en cynisch genoeg heb je een sterke man nodig om het op de korte termijn bijeen te houden.»

Toen de Britten de supervisie hadden over de voormalige Ottomaanse gebieden in de jaren twintig mengden ze zich graag in de plaatselijke cultuur, zoals Lawrence van Arabië. «Normaal gesproken ging een jonge man daar naartoe als hij in de twintig was, leerde de plaatselijke dialecten, nam een lokale minnares voor hij zich uiteindelijk settelde als iets fatsoenlijkers», zei Victor O’reilly, een Ierse romancier gespecialiseerd in militaire onderwerpen, tegen me. «Ze bereikten heel veel met minimale middelen. Op die manier bestuurden ze enorme stukken van de wereld. Ze raakten innig betrokken bij de locals.» De oorspronkelijke Groene Baretten probeerden een variant hiervan te gebruiken in Vietnam en tot op zekere hoogte is het nog steeds het ideaal voor de special forces.

Maar in de generatie sinds Vietnam is het Amerikaanse leger in tegenovergestelde richting gegaan: naar een definitie van zijn rol in strikt krijgskundige termen. Het is gebruikelijk officiers hun missie te horen omschrijven als «mensen doden en dingen opblazen». Die formulering wordt opzettelijk gebruikt om burgers te schokken, en vanwege de absolute helderheid over wat een «militaire respons» is. Het doel is het leger te beschermen voor misbruik.

Strikte scheiding van militaire en politieke functies kan echter lastig zijn in Irak. Op korte termijn zou het Amerikaanse leger noodzakelijkerwijs de regering van Irak vormen. Bij afwezigheid van bondgenoten of VN-steun, en bij gebrek aan een logisch Irakees opvolgend regime, zouden VS-soldaten ter plekke politieke besluiten moeten nemen en uitvoeren. De twee meest succesvolle operaties van Amerika omhelsden het idee dat militaire officials politieke rollen moeten spelen. Douglas MacArthur, een soldaat, was betrokken bij de gedetailleerde wederopbouw van de binnenlandse orde van Japan. In bezet Duitsland deed generaal Lucius D Clay iets vergelijkbaars, zij het minder flamboyant. De gezamenlijke stafchefs van vandaag zouden proberen elk voorstel voor een Mac Arthur-achtige proconsul te blokkeren. Amerikaanse legerleiders op de Balkan hebben de VN die rol opgedrongen. Wie hem precies zou kunnen spelen in Irak is niet duidelijk.

Territoriale integriteit. Daar zou het uitoefenen van macht voor het eerst op de proef worden gesteld. In oude tijden was wat nu Irak is de wieg van de beschaving, Mesopotamië. Onder het Ottomaanse rijk was het huidige Irak niet één provincie maar drie, en de delingen hebben nog steeds invloed op de politiek van vandaag. De provincie Bagdad, in het midden van het land, is het domein van Iraks soennitische moslim-minderheid. Soennieten domineerden bestuursposities in de Ottomaanse tijd en hebben sindsdien altijd het leger en de regering beheerst, ook al vormen ze slechts zo’n twintig procent van de bevolking. De voormalige provincie Mosul, in het bergachtige noorden, is het thuisland van Koerdische stammen, die vijftien tot twintig procent van de populatie uitmaken. In de loop der jaren hebben ze beide oorlog gevoerd tegen en gemene zaak gemaakt met andere Koerdische stammen buiten Iraks grenzen in Turkije, Iran en Syrië. Mosul heeft ook enkele van de rijkste oliereserves van het land. De vroegere provincie Basra, in het zuidoosten, grenst aan Iran, Koeweit en de Perzische Golf. De bevolking bestaat voornamelijk uit shi’ieten, die de meerderheid vormen in Irak maar weinig macht hebben.

Het resultaat van dit lapwerk is een land als Indonesië of Joegoslavië in de sovjettijd. Geografische, etnische en religieuze krachten trekken het vaak uit elkaar; alleen de sterke hand van een sterke centrale regering houdt het bijeen. De meeste mensen denken dat onder de spanning van een regimewisseling Irak meer als Indonesië na Soeharto zou zijn dan als Joegoslavië na Tito — zorgwekkend maar intact. «Het is onwaarschijnlijk — sterker, onvoorstelbaar — dat Irak uiteen zal vallen in drie relatief samenhangende componenten», zei Phebe Marr, de Irak-deskundige. Maar de Koerden zouden de noordelijke olievelden kunnen innemen. «Turkije zou kunnen interveniëren in het noorden, zoals het al eerder heeft gedaan», zei Marr. «Iran zou, door zijn gevolmachtigden, hetzelfde kunnen doen in het zuiden. Er zou zelfs een omgekeerde vluchtelingenstroom kunnen komen, als vele Irakese Shi’a-bannelingen in Iran terugkeren naar huis, waarbij ze gebieden in het zuiden destabiliseren.»

Zes landen grenzen aan Irak: Koeweit, Saoedi-Arabië, Jordanië, Syrië, Turkije en Iran. Niemand heeft gewild dat Saddam het grondgebied van Irak zou uitbreiden. Maar ze voelen zich ook bedreigd door een uiteenvallen of implosie in de post-Saddam-tijd. «In staten als de Verenigde Arabische Emiraten en Qatar, zelfs Saoedi-Arabië», zegt Shibley Telhami op de Universiteit van Maryland, «bestaat de angst dat de complete ondergang van Irak Iran in de kaart zou spelen, wat ze als een nog grotere bedreiging zien.» Iran is vier keer zo groot als Irak, met bijna drie keer zoveel mensen. Hoewel het islamitisch is, zijn de bevolking en het erfgoed niet Arabisch; voor de Arabische staten is Iran «zij», en niet «wij».

Deze angsten zijn van belang voor Amerika, vanwege de olie. Chaos in de Golf zou de wereldoliemarkten verstoren en dus de wereldeconomie. Aanzienlijke uitbreiding van de invloed van Iran zou eveneens het doel schaden van het in evenwicht brengen van regionale macht tussen Saoedi-Arabië, Iran en naoorlogs Irak. Dus, als het stof van de oorlog gaat liggen, zou het bijeenhouden van Irak het probleem van Amerika zijn.

Legitimiteit en unilateralisme. Een belangrijk uitgangspunt voor Amerika is dat bezorgdheid van Arabische regeringen niet serieus genomen kan worden. De Saoedi’s mogen dan zeggen dat ze tegen een aanval zijn, de Jordaniërs mogen er publiekelijk tegen waarschuwen, in werkelijkheid zouden de meeste regeringen in de regio blij zijn als Saddam werd afgezet. Wat de Europeanen betreft, zij zijn sinds de Tweede Wereldoorlog niet meer verantwoordelijk geweest voor militaire oordelen over leven en dood. Amerikaanse oorlogs-voorstanders zeggen dat Europa’s weerzin om tegen Saddam op te treden hetzelfde is als haar weerzin, een generatie geleden, om de sovjetdreiging te erkennen. Toch kan steun van de rest van de wereld een troost zijn. De meeste Amerikanen waren ontroerd door de uitbarsting van solidariteit op 11 september. Op dezelfde manier kan haat van het buitenland onverwacht ontmoedigend zijn.

Hoe welkom ze in het begin ook zijn als bevrijders, buitenlandse soldaten zullen uiteindelijk niet langer gewenst zijn. Het zou makkelijker zijn als deze onvermijdelijk irritante aanwezigheid werd gevarieerd in nationaliteit, onder VN-vlag, in plaats van geheel Amerikaans. Nog beter als de troepen islamitisch en Arabisch sprekend zou zijn.

Het gezicht van de bezettingsmacht is niet alleen in Irakese steden van belang maar ook aan de grenzen. Wie Irak dan ook bestuurt, zal troepen moeten stationeren langs de meest kwetsbare grens, de lange flank met Iran, waar ten minste een half miljoen soldaten stierven tijdens de Iran-Irak-oorlog van 1980 tot 1988. De Iraniërs zullen absoluut iedere Amerikaanse aanwezigheid aan de grens opmerken.

De lange termijn. Tot nu toe hebben we de negatieve kant bekeken — die ik in mijn interviews het meest hoorde. Maar er was ook een positief geluid van enkele van de meest toegewijde leden van de oorlogspartij. Hun stelling, nogmaals, was dat het afdwingen van een regimewisseling niet alleen een negatief voordeel zou hebben — het elimineren van een dreiging. Het zou ook de mogelijkheid creëren stabiele democratie in een open-markt-systeem in te voeren in Irak, en uiteindelijk de hele Arabische wereld.

«Dit zou een gouden kans kunnen zijn om het gezicht van de Arabische wereld te gaan veranderen», vertelde James Woolsey me, een voormalige CIA-directeur en een van de meest zichtbare voorstanders van een oorlog. In zijn visie markeerde de val van het sovjetrijk daadwerkelijk het einde van de geschiedenis: het democratisch-kapitalistische model bewees zijn superioriteit over andere systemen en verspreidde zich — over het oude sovjetterritorium, over Latijns-Amerika en Azië, bijna overal behalve tragisch Afrika en het islamitisch-Arabische Midden-Oosten. Wat nodig is, is een eerste Arabische democratie, en Irak zou dat kunnen zijn.

«Als je alleen vooruit kijkt, kun je zien hoe moeilijk het zou zijn», zei Woolsey. «Iedereen kan zeggen: ‹O natuurlijk, je gaat het Midden-Oosten democratiseren.›» Dat was in feite de reactie van de meeste diplomaten, spionnen en soldaten die ik sprak – «geherkauw van gestoorde mensen», zei een Britse official.

Maar Woolsey vervolgde: «Als je kijkt naar wat wij en onze bondgenoten hebben gedaan met de drie wereldoorlogen van de twintigste eeuw — twee heet, één koud — en wat we hebben gedaan in de tussenperiodes, hebben we dit al bereikt voor tweederde van de wereld. 85 jaar geleden, toen we aan de Eerste Wereldoorlog meededen, waren er acht of tien democratieën. Nu zijn er zo’n 120 – sommige vrij, sommige gedeeltelijk vrij. De compromissen die we in de tussentijd sloten, of we nu bondgenoten werden met Stalin of Franco of Pinochet, hebben we kunnen repareren, en de regimes die hen opvolgden zijn democratieën… Ongeveer de helft van de staten beneden de Sahara in Afrika is democratisch, en de helft van de ruim twintig niet-Arabische moslimstaten. We hebben heel Europa behalve Wit-Rusland en af en toe delen van de Balkan. Als je terugkijkt op wat er in minder dan een eeuw is gebeurd, dan lijkt het minder onmogelijk om de Arabische wereld plus Iran in dezelfde richting te krijgen. Het is niet het amerikaniseren van de wereld. Het is de wereld atheniseren. Het is te doen.»

De transformatie-visie is niet, om het voorzichtig uit te drukken, de consensus onder de mensen met lange ervaring in het Midden-Oosten. Woolsey en zijn bondgenoten mogen dan worden bekritiseerd omdat ze een tragische verbeelding missen over waar een oorlog toe kan leiden, maar ze erkennen tenminste dat het ergens toe zal leiden. Als ze optimistischer zijn in hun conclusies dan de anderen die ik sprak, dan zien ze dat de Amerikaanse betrokkenheid in Irak ingrijpend zou zijn en lang zou duren.

© Prospect

Vertaling: Rob van Erkelens