H.J.A. Hofland

Na Van Aartsen

Nog voor Nederland poldermodel werd, was het gidsland. De boventoon van onze buitenlandse politiek werd gevoerd door een hooggestemd moralistisch idealisme waaraan de internationale gemeenschap een puntje kon zuigen. Als het erop aankwam waren we meestal eerst atlantici, trouw aan de Amerikanen. En als het te pas kwam ook geestdriftige Europeanen. In de praktijk vergaten we niet dat we verhoudingsgewijs gastvrije huisvesting boden (en bieden) aan het grootste aantal multinationals. Het compromis tussen hoge moraal en zakelijk inzicht heeft ons goed beschouwd al eeuwen geen windeieren gelegd.

Nu is de revolutie uitgebroken. Het is niet de eerste vraag die zich aandient, maar wel een belangrijke: wat gaat er met onze buitenlandse politiek gebeuren? Er zijn twee goede redenen om daar een antwoord op te vragen. De eerste is, dat sinds 11 september de wereld behoorlijk is veranderd, zodat we toch al aan een heroriëntering toe waren. En de tweede natuurlijk, dat we binnen deze internationale omwenteling straks zijn genoodzaakt ons weer een weg uit de nationale verwarring te zoeken. Hoe verhoudt de oude vriend van Israël zich straks tegenover het Israël na de oorlog met de Palestijnen? Hoe ziet de oude vriend van Arafat na een kabinetsformatie de nieuwe Arafat? Wat blijft er van ons atlanticisme over tegenover het groeiend unilateralisme van Bush? Wat doen we in Europees verband met de groeiende dreiging van een handelsoorlog met de Verenigde Staten? Ik noem maar een paar problemen.

Het nagelaten gedachtegoed van Pim Fortuyn, De puinhopen van Paars, bevat wel een paar passages over de buitenlandse politiek, maar een samenhangend programma kun je het niet noemen. Opzegging van het Verdrag van Schengen is anti-Europees; Bush een ‘hersenloze president’ noemen, belooft niets goeds voor de Atlantische samenwerking; en, schrijft Fortuyn, ‘als 11 september in de fnuikende houding (van onverschilligheid) van de burger een verandering heeft mogen bewerkstelligen, dan zijn die vele doden niet tevergeefs gevallen op dit slagveld van haat en vijandschap’.

Het komt nog niet goed uit de verf, maar het minste wat je van zulke passages kunt zeggen, is dat ze een veelbelovende aanzet vormen voor een nieuw denken in onze buitenlandse politiek. Als na de vijftiende de Lijst Fortuyn regeringsverantwoordelijkheid gaat dragen, mogen we verwachten dat deze lijn in het regeringsprogramma wordt teruggevonden. Voor de denktank valt nog werk te verzetten. En wie wordt de opvolger van Jozias van Aartsen?