Gifgas voor Irak (2)

Na Van Anraat de staat

Vorige week berichtte dit blad over de rol van Economische Zaken en toenmalig staatssecretaris Bolkestein bij de levering van grondstoffen voor chemische wapens aan Irak in 1980-1988. Moeten Bolkestein en zijn ambtenaren worden vervolgd?

AL IN 1982 wist de Nederlandse overheid dat Irak gifgas gebruikte. Uit onderzoek van Campagne tegen Wapenhandel en het VPRO-radioprogramma Argos bleek dat de Nederlandse overheid rijkelijk laat, in 1984, een deel van de chemicaliën die als grondstoffen voor strijdgassen konden dienen vergunningplichtig maakte, zodat levering aan Irak voorkomen kon worden. Pas na een waarschuwing van de Amerikanen twee jaar later wilde Buitenlandse Zaken de export van 21 stoffen, geselecteerd door een chemisch expert, verbieden. Economische Zaken (EZ), onder leiding van staatssecretaris Bolkestein, probeerde dat te verhinderen en slaagde daar deels in. Uiteindelijk kon de export van slechts elf gifgaschemicaliën aan banden worden gelegd.
Frans van Anraat werd vorige week door het Haagse Gerechtshof veroordeeld tot zeventien jaar gevangenisstraf wegens medeplichtigheid aan oorlogsmisdaden. Hij werd verantwoordelijk gehouden voor het leveren van meer dan 1100 ton thiodiglycol, grondstof voor mosterdgas, dat onder meer werd ingezet in het Noord-Iraakse stadje Halabja. Vijfduizend Koerden werden gedood. Maar stopt de zaak daar? Of zijn ook de Nederlandse staat, ambtenaren van EZ en een voormalig bewindsman als Frits Bolkestein aan te klagen wegens medeplichtigheid aan oorlogsmisdaden, die niet verjaren?

Advocaat Liesbeth Zegveld vertegenwoordigt vijftien slachtoffers van gifgasaanvallen. Zegveld: ‘In Iran zijn naar schatting honderdduizend mensen slachtoffer geworden van gifgas, in Irak twintigduizend.’ Namens haar cliënten eiste ze in de strafzaak tegen Van Anraat een schadevergoeding van 680 euro en 67 cent, het equivalent van 1500 gulden. Dat was in de jaren tachtig het wettelijke maximum in strafzaken. Voor hogere bedragen moet men aankloppen bij de civiele rechter: ‘Ik zie het bedrag als een symbolische som. Wie had ooit gerekend op dit soort zaken, waarbij oorlogsmisdaden worden berecht?’
De vordering is niet-ontvankelijk verklaard. Zegveld vindt dat ‘verbijsterend’: ‘Deze zaak is doorspekt van letsel. Ik begrijp niet waarom het Hof niet meer moeite heeft gedaan. Ik had gehoopt op meer gevoel voor de slachtoffers.’ Er volgt nog cassatie, bij de Hoge Raad; Zegveld handhaaft de vordering. Ze verwacht dat de uitspraak minstens een jaar op zich zal laten wachten: ‘Als de claim niet wordt toegewezen, gaan we naar de civiele rechter.’
Zo’n civiele zaak kan gericht zijn tegen Van Anraat, maar ook tegen anderen. Zegveld: ‘Tegen bedrijven of personen. Ambtenaren misschien. We zijn aan het onderzoeken wat de mogelijkheden zijn.’ Een civiele zaak tegen de staat is in principe mogelijk, en ambtenaren zijn strafrechtelijk te vervolgen. ‘Ook daar kijken we naar. Je voelt op je klompen dat er iets niet klopt en dat ook de overheid zich dient te verantwoorden. Maar de bewijsvoering is niet eenvoudig. Er moet aangetoond worden dat handelen van de overheid, of het nalaten daarvan, heeft geleid tot letsel bij de slachtoffers.’
Volgens hoogleraar strafrecht Ybo Buruma is in principe de staat strafrechtelijk te vervolgen, maar dat is niet gemakkelijk: ‘Bovendien heeft het weinig zin, want je kunt de staat niet in de gevangenis stoppen. Dat kan wel met ambtenaren, zoals Bolkesteins directeur-generaal.’ Frits Bolkestein achter de tralies krijgen is echter hoegenaamd uitgesloten. Ministers, staatssecretarissen en parlementariërs kunnen slechts strafrechtelijk worden vervolgd (voor hun beleid) na toestemming van de Tweede Kamer of bij koninklijk besluit. Een civielrechtelijke zaak tegen de staat of tegen Bolkestein biedt wel mogelijkheden, meent Buruma: ‘Je klaagt aan wegens een onrechtmatige daad, namelijk het niet verhinderen dat bepaalde chemicaliën werden geleverd die gebruikt werden voor gifgas.’

Voor Liesbeth Zegveld is de vervolging van Van Anraat alleen niet genoeg: ‘Als het openbaar ministerie echt serieus was geweest, had het breder onderzoek gedaan. Van Anraat was een gemakkelijke prooi. Hij had onverstandige uitspraken gedaan op de televisie. Ook andere bedrijven hebben grondstoffen voor gifgassen geleverd en de overheid had impliciet een faciliterende rol. Reken maar dat als het OM ook haar wil vervolgen, er tegenwerking komt. Daarover maak ik me geen illusie.’
Ook Buruma vindt de zaak verder strekken dan Van Anraat: ‘De overheid had eerder moeten ingrijpen. Men wist al voor 1984 dat Irak gifgas gebruikte, en burgerbedrijven laten zich sturen door het exportbeleid. Ze kunnen zich nu achter het late instellen van de vergunningplicht proberen te verschuilen.’ Volgens Buruma is het ‘diep kwalijk’ dat EZ zo dwarslag: ‘Hoe is het mógelijk. Je vraagt je af of dit nu weer kan gebeuren.’ Nu bekend is geworden (zie De Groene van vorige week) dat nog altijd gifgasgrondstoffen naar dubieuze regimes als dat van Soedan worden uitgevoerd, sluit hij zich aan bij de roep van Campagne tegen Wapenhandel om een onderzoek naar de chemicaliënuitvoer in de jaren tachtig: ‘Het is waarschijnlijk te lang geleden voor een deugdelijke parlementaire enquête, maar je kunt ook een commissie van wijzen instellen, net als bij de zaak-Menten.’
In een ingezonden brief aan de Volkskrant (10 mei 2006) verdedigde Bolkestein zich tegen columniste Marjolein Februari, die hem naar aanleiding van de Argos-uitzendingen hekelde. De voormalige staatssecretaris beriep zich erop dat hij nooit de wet had overtreden en dat veel voorlopers van gifgassen ook voor andere doeleinden werden gebruikt. De documenten van Argos en Campagne tegen Wapenhandel tonen echter aan dat veel van die stoffen in zulke grote hoeveelheden werden besteld dat civiel gebruik uitgesloten was.
Moet Frits Bolkestein zich zorgen maken? De voormalige staatssecretaris kan in elk geval civielrechtelijk worden aangeklaagd. Liesbeth Zegveld: ‘Hij moet zich zeker zorgen maken, al is het maar omdat hij op deze manier in de media komt. Van Anraat gaf toe dat hij, toen hij de gevolgen van de gasaanval op Halabja op televisie zag, zich afvroeg of dat gebeurd was met wat hij geleverd had. Ik vraag me af of ook Bolkestein na Halabja slapeloze nachten heeft gehad.’