Essay - Groei groei groei

Na vier jaar de zondvloed

Als we doorgaan met produceren en consumeren zoals we nu doen, dan leven we nog een tijdje in het Land van Cocagne, maar moeten we straks ons nageslacht uitleggen waarom we het uitgeput voor ze hebben achtergelaten.

Medium groene essay einde feest 2

Het was een spannende tijd. De meeste mensen die ik kende waren werkloos en niet in staat huisvesting te betalen, als ze die al konden vinden. Ze woonden in kraakpanden of bij hun ouders, werkten via uitzendbureaus en je kon geen hoek omslaan of er stond ‘no future’ op de muur. Ik was goud- en zilververkoper in een weidewinkel (‘Nee, ik ga geen gaatjes prikken bij uw baby’), huisschilder, computeroperator, archivaris bij de nam (waar Gerrit Krol met stapeltjes ponskaarten binnenwandelde), ik viel af en toe in als copywriter bij een reclamebureau en gedurende een paar maanden was ik zelfs nog aardappelcontroleur. Punk had de ingedutte cultuur opgeschud, de eerste muziekzenders kwamen op (Superchannel!), beeldend kunstenaars gingen weer schilderen en noemden zich Nieuwe Wilden, Mülheimer Freiheit of Transavantgardist, Oek de Jong en Frans Kellendonk zetten de ramen open van de Nederlandse literatuur.

Het was 1980. It was the best of times, it was the worst of times, it was the age of wisdom, it was the age of foolishness, it was the epoch of belief, it was the epoch of incredulity, it was the season of Light, it was the season of Darkness, it was the spring of hope, it was the winter of despair, we had everything before us, we had nothing before us, we were all going direct to Heaven, we were all going direct the other way.

De Haagse Post, een blad dat je nog serieus nam, noemde de jongeren die eind jaren zeventig afstudeerden The Lost Generation. Op de markt gekomen toen er geen werk was, op zoek naar woonruimte toen die er niet meer was en hongerend naar een betere wereld toen iedereen, met Doe Maar, dacht dat De Bom elk moment kon vallen. En toen het een paar jaar later weer aantrok en er ineens weer van alles mogelijk was, waren ze ingehaald door jongere, slimmere en goedkopere arbeidskrachten. Ik weet niet of het ooit is onderzocht, maar het zou zomaar kunnen zijn dat de generatie van eind jaren zeventig een ongehoord groot aantal klusjesmannen en -vrouwen, universitair geschoolde fietsenmakers en andere kleine zelfstandigen heeft voortgebracht.

In het decennium voorafgaand aan de crisis had de Club van Rome vastgesteld dat er grenzen aan de groei waren, was er een olieboycot geweest en de oliecrisis die de oorzaak van economische ineenstorting was. Milieu was hét onderwerp geweest van de jaren zeventig. Wim Kan grapte in zijn oudejaarsconference over de emmer water die Liesbeth den Uyl in de woonkamer op temperatuur liet komen om de kooktijd te verkorten en zo gas te besparen. Het halve land was in de weer met tochtstrips, allesbranders en zuinig rijden en avontuurlijke post-hippies dagdroomden over biodynamisch geitenhouden in communeverband. Het Postbus 51-spotje van die tijd was een wereldbol in de vorm van een kaars die langzaam opbrandde.

Aan het idee van het milieu als iets wat we persoonlijk opvatten, kwam een einde door de diepe economische crisis van de jaren tachtig. Onze zorgen betroffen nu werk, inkomen en huisvesting, de zaken die ons direct raakten, en toen de crisis voorbij was en de cultus van de manager en het ondernemerschap de tegenculturen van de gedesillusioneerde hippies en de uitgewoede punk verdrong, was Het Milieu ferm geïnstitutionaliseerd en de schrik om het onheilspellende rapport van de Club van Rome weggeëbd. De olie was blijkbaar niet op, de wereld niet vergaan en alleen concrete rampen – de Exxon Valdez, Tsjernobyl – deden de eerder gevoelde bezorgdheid nog af en toe opvlammen. Getob over natuur en milieu heette nu doemdenken en de slechte droom van de vroege jaren tachtig werd vergeten in het consumptiegeweld van de welvaartsbel dat in de jaren negentig losbarstte.

Toen eerder dit jaar de Club van Rome een nieuw rapport publiceerde, 2052: A Global Forecast for the Next Forty Years, was de ontvangst lusteloos. De nieuwsmedia deden hun verplichte nummertje, de ontkenners raaskalden over sciencefiction en bedachten nog eens een nieuwe samenzweringstheorie en daarna werd het stil.

Het nieuwe rapport is niet veel optimistischer dan Grenzen aan de groei, waarmee de denktank het discours over het milieu veertig jaar geleden aanzwengelde. Misschien dat het daarom zo weinig rumoer veroorzaakte. Een betere verklaring is dat we niet echt willen geloven dat de situatie kritiek is en vooral gericht zijn op de hevigheid van het hier en nu, de economische crisis, de leeggelopen huizenmarkt, de werkloosheid, Europa.

Maar dat is nou precies waar de Club van Rome zo bezorgd over is. Het zijn vooral de heersende politieke en economische modellen, volgens het rapport, die funest zijn voor mens en milieu. Ze lijden zeer aan kortetermijndenken, en wat de wereld harder dan ooit nodig heeft, zijn juist bestuurssystemen met een langetermijnvisie. Maar ook, of misschien wel vooral: in een verkiezingsjaar lijken we nauwelijks in staat vergezichten op te roepen die voorbij de komende vier jaar reiken. De kwesties zijn of de crisis over een paar jaar feestelijk wordt afgesloten met een bonus van duizend euro, of en hoe de hypotheekaftrek blijft bestaan, op welke wegen we 130 kilometer per uur mogen rijden. De crisis is een technische aangelegenheid, iets voor economen en bankiers, een zaak van bezuinigen en bijstellen. En als we dat flink doen, sluiten we het decennium straks misschien nog met winst af.

Het is een gerieflijke vorm van kortzichtigheid, het idee dat de economie alleen maar een grote beurt nodig heeft. Het is de kortzichtigheid van iemand die rot hout bedekt met een flinke laag verf, de kortzichtigheid waarmee je een lekkend dak bestrijdt door er een zeil overheen te gooien.

Het rapport van de Club van Rome pleit tegen die kortzichtigheid (of is het ontkenning?) en is daarom misschien nog wel onheilspellender dan het vorige. Constateren dat we zuinig aan moeten doen met natuurlijke hulpbronnen en minder moeten vervuilen is één ding, zeggen dat we op een heel andere en veel verstrekkender manier moeten nadenken over onszelf en de wereld vraagt om fundamentele wijzigingen in de manier waarop we leven en denken en werken. Dan kunnen we niet meer vooral in het hier en nu bestaan en consumeren op krediet, dan komt er een einde aan genot zonder prijs en het idee dat het altijd alleen maar beter wordt. Dan is duurzaamheid niet meer een modieuze meme waarmee bedrijven en overheden zich positioneren. Dan kunnen we onze biologische hamburgers niet meer in een afbreekbare plastic tas stoppen en voor de vakantie naar Ecuador vliegen. Dan streven we niet meer, in de woorden van Ton Lemaire, naar vooruitgang, maar naar voortgang.

De G8, de oeso, zo’n beetje heel Europa vindt inmiddels dat er niet alleen moet worden bezuinigd, maar dat tegelijkertijd de groei moet worden gestimuleerd. Over wat die groei betekent, anders dan brandstof voor onze welvaartsverslaving, geen woord. Geen idee over het op raken van olievoorraden, gasbellen, een scala aan mineralen waarvan de meeste mensen nooit hebben gehoord maar zonder welke de computers niet meer lopen en de telefoons niet meer bellen. Geen gedachte aan de desastreuze gevolgen voor het klimaat, dat één oorzaak heeft: groei.

Blijven groeien, om er niet op achteruit te gaan, is als van een berg af hollen omdat je anders valt. Maar de managers van de wereld denken er anders over. ‘Het probleem van westerse democratieën is dat ze wel geld geven aan hun burgers, maar niet groeien. En met groei los je problemen op.’ Dat zei Eric Schmidt, president-commissaris van Google, in College Tour (ntr, 3 juni). Nou valt het wel mee met geld geven aan de burgers – ik heb eerder de indruk dat het vooral de burgers zijn die geld geven aan de overheid – maar ook de bewering dat je problemen oplost met groei rammelt. Hoe gaan we weer groeien? Door te bezuinigen op sociale en culturele verworvenheden. Met het geld dat daarmee ‘vrij’ komt, wordt de economie gestimuleerd, die daardoor weer kan groeien. Pas als er daarna weer wat over is, krijgen we misschien die sociale en culturele verworvenheden terug. Ik zou er niet op rekenen, maar het is mogelijk.

Maar wat hebben we ondertussen voor onze wereld gedaan? Wat hebben we gedaan aan de uitstoot, aan de slinkende natuurlijke hulpbronnen, aan de kwaliteit van ons leven? Hebben we ons na de grote hersteloperatie alleen voorzien van perspectief op meer welvaart (door de industrie) of hebben we naar het probleem gekeken en manieren bedacht om te voorkomen dat het weer zo misgaat? Hebben we eindelijk onder ogen gezien dat we ons gedragen als sprinkhanen en de bron van ons bestaan kaalvreten?

Misschien is het weer tijd om aan E.F. Schumacher te denken, de Britse econoom van Duitse komaf die in 1973 een boek publiceerde dat de bijbel werd van de opkomende milieubeweging. Small Is Beautiful is een pleidooi voor een economie van ‘genoeg’, een economie die niet dient ter verrijking, maar om voldoende te genereren, een economie die natuurlijke hulpbronnen niet ziet als een onuitputtelijke stroom die alleen maar dient om de industrie te voeden. Van Schumacher is ook het idee dat het bruto nationaal product niet de aangewezen manier is om welvaart te meten.

Vorig jaar was zijn honderdste geboortedag en die gelegenheid is net zo geruisloos voorbij gegaan als de publicatie van het nieuwe rapport van de Club van Rome.

Een van de belangrijkste punten in Schumachers denken is het idee dat we grondstoffen moeten beschouwen als kapitaal dat op kan raken en niet als inkomen dat steeds maar weer opnieuw gegenereerd kan worden. Het lijkt een waarheid als een koe, maar die gedachte is in industriële kring nog steeds niet populair. In het online lobbyblaadje van de energie-industrie, de European Energy Review, treffen magisch denken en selectieve blindheid elkaar als wordt beweerd dat het helemaal niet zeker is dat de hulpbronnen op raken, omdat dat nog niet is gebeurd. Daar komt het tenminste op neer, als in een hoofdredactioneel wordt geschreven dat de ijzertijdmens olie en gas nog niet kende en die hulpbronnen dus niet had en wij het misschien wel op dezelfde manier zonder nog onbekende hulpbronnen moeten stellen. Dat is alsof je alvast een dikke Mercedes bestelt omdat je volgend jaar misschien rijk wordt.

En toch is dat zoals wordt gedacht, in de VS, waar de conservatieven elk milieuplan afschieten als een waanidee van de klimaatmaffia, in Nederland, waar we aan de ene kant weer harder mogen rijden en aan de andere kant investeringen in groene technologie afknijpen. Vergelijk dat eens met Duitsland, waar Björn Pieprzyk, adviseur van de Duitse Federatie voor Hernieuwbare Energie (bee), kan voorspellen dat zijn land in 2050 alle energie duurzaam kan produceren. Nu al bedraagt het aandeel groene stroom meer dan twintig procent van het binnenlands verbruik en die trend stijgt alleen maar.

In Walt Disney’s Fantasia is Mickey Mouse een tovenaarsleerling die de hoed van de meester op zet en een bezem betovert om het schoonmaken te ‘automatiseren’. Als hij, tevreden met zijn slimheid, in slaap valt, droomt hij dat hij de sterren als vuurwerk uiteen laat spatten en oceanen doet rijzen en dalen. Hij wordt wakker als blijkt dat de bezem emmer na emmer water heeft uitgestort en de werkplaats is ondergelopen. Zelfs als hij de bezem tot splinters hakt, stopt het niet. Uit elke splinter staat een nieuwe bezem op, die vlijtig water haalt en in de werkplaats leegt. De leerling gaat in een draaikolk ten onder en wordt alleen maar gered omdat de tovenaar is teruggekeerd en alles herstelt.

Het onwrikbare geloof in de immer groeiende economie als tovermiddel om alles goed te maken, een perpetuüm mobile dat maar door en door kan blijven gaan om ons te voorzien van nog meer welvaart zonder schadelijke neveneffecten, dat geloof is, zoals Ton Lemaire dat beschrijft in De val van Prometheus, een seculiere religie, materialisme dat de plaats heeft ingenomen van god en gebod en dat het paradijs heeft vervangen voor een economisch Land van Cocagne, waar de olie altijd stroomt, het gas nooit op raakt en de weiden immer grazig zijn en de lucht schoon. Het is een sprookje, het ontkent de werkelijkheid voor de illusie dat alles met minimale inspanning goed komt en dat we niets werkelijks hoeven te veranderen aan onze manier van leven en denken.

Als we blijven rijden in voertuigen met een energierendement van nauwelijks meer dan dertig procent, de laatste druppel olie uit de aarde persen en steeds hogere dijken en grotere opvangbekkens bouwen om de stijgende zee te weren, als we sperziebonen uit Kenia eten en van koeien levende fabrieken maken die zeven kilo plantaardige proteïne nodig hebben om één kilo vlees te produceren, dan leven we nog een tijdje in het Land van Cocagne, maar zullen we ons nageslacht moeten uitleggen waarom we het kaalgevreten, opgewarmd en uitgeput voor ze hebben achtergelaten.