FILM

Naakt en onvergeeflijk

Emma Blank

In het oeuvre van Alex van Warmerdam zijn de werelden nauwelijks zo duister en absurd en de figuren zelden zo wreed en tragisch als in zijn nieuwste, De laatste dagen van Emma Blank, een film waarin de regisseur zelf een rol vertolkt – die van een hond. Deze thematisch volledig kloppende keuze representeert net als de film als geheel een moment van zeldzame genialiteit in de recente Nederlandse cinema.
Alleen al het samenvatten van het verhaal van De laatste dagen van Emma Blank is een plezier: ergens in Nederland, aan de rand van de duinen, woont Emma Blank (Marlies Heuer), een stervende vrouw van middelbare leeftijd die een klein legertje mensen in dienst heeft (of niet?). Die zijn: kokkin Bella (Annet Malherbe), dienstmeid Gonnie (Eva van de Wijdeven), klusjesman Meier (Gijs Naber) en butler Haneveld (Gène Bervoets). En Theo. Een hond. Met ijzeren hand regeert Emma Blank over deze mensen (en de hond), die hun lot gedwee lijken te ondergaan. Boterhamvlees zuur? Bella! En hopla springt Bella in de houding. Haneveld géén houding? Morgen moet je een snor hebben, Haneveld. En wie heeft de hond al uitgelaten. Kijk, hij moet poepen, dat zien jullie toch?
Genoeg. Dat is een voorproefje. De rest van De laatste dagen van Emma Blank is even onweerstaanbaar, even volmaakt gespeeld door allen, maar vooral door de schitterende Marlies Heuer en de ontluikende steractrice Eva van de Wijdeven, die zich na haar rol in het niet altijd even uitdagende Dunya & Desi ontpopt als een serieuze, belovende toneelspeelster. Dat vindt ook Van Warmerdam, want zijn camera volgt juist háár, vanaf het openingsshot waarin ze als een godin uit de zee verschijnt en vervolgens het duinweggetje volgt richting huis, door een soort bos, waardoor de setting een onwerkelijke kwaliteit krijgt. Juist dat heeft mij altijd aangesproken in Van Warmerdams werk: de wijze waarop hij het vertrouwde Nederland ombuigt, vervormt, zodat je met een frisse blik naar een toch wel tamelijk saaie werkelijkheid kunt kijken.
Van Warmerdam gebruikt vaak een geïsoleerde omgeving als symbool van de psychologische ontreddering van de personages. Dat heeft iets ironisch. Door het verhaal een trapje boven het herkenbare te tillen, en zo een gevoel van vervreemding te creëren, slaagt Van Warmerdam er juist in iets essentieels te zeggen over de echte wereld. Dat is de sleutel tot zijn beste werk: de extreem gestileerde stad in Abel (1986), het Lelystad-achtige wasteland in De Noorderlingen (1992), het nieuwbouwhuisje in Kleine Teun (1998), de eenzame boerderij en het westernstadje in Grimm (2003) en het restaurant in Ober (2006). Al deze omgevingen worden geloofwaardig in beeld gebracht, alsof ze echt bestaan en de bewoners zich echt zo buitenissig gedragen. Zo krijgt het absurdisme bij Van Warmerdam een dubbele bodem. Natuurlijk, dit is een trapje boven de echte werkelijkheid, Monty Python-stijl, maar ja, zo zijn mensen echt, Ricky Gervais-stijl. Zo wreed, zo tragisch, zo verliefd, zo hunkerend. Zo schitterend.
Van Warmerdam houdt graag alle touwtjes in handen: eigen scripts, vaak dezelfde spelers, en deze keer heeft de regisseur ook de muziek zelf gecomponeerd. De kenmerkende klanken, waarbij gitaar en mondharmonica overheersen, passen volmaakt bij verhaal en personages, vooral het gejengel van de mondharmonica, Ennio Morricone-achtig, dat het absurdisme accentueert, een conditie waarbij betekenis en zingeving ontwijkend zijn en alleen de wreedheid van de menselijke natuur overblijft, naakt en onvergeeflijk.

Te zien vanaf 7 mei