Naakte man in de kelder

Kristen Roupenian – Veel van haar vertellers tonen zich bewust van een lezer © Elisa Roupenian Toha

In december 2017 publiceerde The New Yorker het verhaal Cat Person van de tot dan toe onbekende Kristen Roupenian. Premisse: de twintigjarige Margot belandt in bed met de 34-jarige Robert en heeft ondanks haar groeiende weerzin toch belabberde seks met hem. Cat Person bleek een wonderlijk geval van het juiste verhaal op het juiste moment, want in de slipstream van #MeToo ging het viral: het werd meer dan 4,5 miljoen keer aangeklikt en leidde tot een felle discussie over seks, gender, macht. Vrouwen herkenden het schemergebied tussen ja en nee waarin Margot terechtkomt, mannen voelden zich aangevallen en verdedigden Robert. En Roupenian kreeg een boekcontract van 1,2 miljoen dollar.

In haar debuutbundel Je weet dat je dit wil, vertaald door Tjadine Stheeman, blijken het realisme en de psychologische finesse waarmee Cat Person faam verwierf geen graadmeter: de twaalf verhalen lopen uiteen van sadomasochistische horror tot gothic sprookjes waarin personages in hun duisterste krochten afglijden en daar iets dierlijks of zelfs beestachtigs aantreffen. Ze misbruiken hun macht om elkaar te laten geloven dat ze iets willen, of ze onderdrukken hun verlangens omdat ze iets willen wat sociaal onacceptabel is.

In het openingsverhaal Stoute jongen onderwerpt een naamloos koppel een vriend met liefdesverdriet aan steeds wredere seksuele experimenten. Het verhaal raast, pun intended, in moordend tempo af op een gruwelijk exces dat bij de lezer een weeë misselijkheid veroorzaakt. ‘Ga door met wat jullie net deden’, gebiedt het stel hun vriend en zijn toch-niet-ex-vriendin. ‘Laat je niet door ons tegenhouden. Dit wil je toch? Je weet dat je dit wil.’ Met het manipulatieve zinnetje appelleert het machtswellustige koppel aan het schuldgevoel van hun slachtoffer. Wellicht wil Roupenian aannemelijk maken hoe mensen tot grensoverschrijding worden aangezet, maar het shockeffect werkt averechts. Het is een euvel waar meer verhalen onder gebukt gaan: personages blijken al snel zulke pathologische figuren dat aanvankelijke betrokkenheid omslaat in afstandelijkheid.

‘Alles hebben, wat zou daar de moraal van zijn?’

Misschien is dat waarom opvallend veel van Roupenians vertellers zich bewust tonen van een lezer. In Pijnbank experimenteert een vrouw met toverspreuken uit een oud boek, en plots ligt er in haar kelder een naakte man: ‘Het heeft weinig zin een beschrijving van zijn haar, oogkleur en gezichtsvorm te geven, want hij was de levende, ademende belichaming van mijn allerdiepste verlangens, niet van de jouwe. Jij moet maar je eigen naakte man bedenken.’ De schrijfster maakt zo haar lezer getuige of medeplichtig, vraagt ons om begrip voor haar personages op te brengen, de titel ook op onszelf te betrekken. Roupenians talent ligt duidelijk in het blootleggen van de mechanismen waarmee haar alledaagsere personages aan zelfbedrog doen. Het hart van de bundel wordt gevormd door twee verhalen die complementair zijn, het eerdergenoemde Kattenmens en Een fatsoenlijke vent. Met vakkundige psychologische precisie maakt de schrijfster inzichtelijk hoe Margot en Ted tamelijk onbegrijpelijke keuzes voor zichzelf rechtvaardigen.

In Kattenmens loopt de hoogst ongemakkelijke vrijpartij tussen Margot en Robert uit op een eenzijdig fiasco: ‘En terwijl ze verpletterd onder hem lag, dacht ze opgewekt: dit is de slechtste beslissing uit mijn hele leven!’ Het verhaal ontleent zijn kracht aan de manier waarop Margot Roberts woorden en daden stelselmatig in zijn voordeel interpreteert, waardoor ze verzeild raakt in de situatie waarin instemming opeens niet meer zo’n eenduidig begrip is. Robert mag dan directief, bot en zelfzuchtig zijn, Margot wordt net zo goed gedreven door egoïstische motieven. Als hij in het café constateert dat ze dronken is en aanbiedt haar thuis te brengen, vlijt Margot zich tegen hem aan, wat aan hem een diepe zucht ontlokt, ‘en ook dat was sexy, het gevoel te hebben dat ze onweerstaanbaar verleidelijk was’. De beste zin van het verhaal markeert het punt waarop Margot eindelijk voelt dat ze er geen plezier meer aan gaat beleven: ‘Maar nu nog stopzetten wat ze in werking had gezet was een te overweldigende gedachte. De hoeveelheid tact en omzichtigheid die het zou vergen, kon ze op dit moment onmogelijk opbrengen.’ Ze wil niet verwend overkomen door midden in de actie nee te zeggen, Robert is te druk met zichzelf bezig om dat op te merken, doorgaan is makkelijker – dat hellend vlak vat Roupenian feilloos.

In Een fatsoenlijke vent toont ze de impact die ideaalbeelden over mannelijkheid op jongens kunnen hebben. Omdat hij niet bijzonder aantrekkelijk is, meet Ted zich in zijn puberteit een ‘opgewekt aseksueel, volkomen ongevaarlijk’ imago aan. Toch frustreert het hem dat de platonische vriendin op wie hij heimelijk verliefd is ‘een willekeurige verdeling van fysieke kwaliteiten – lengte, symmetrisch gezicht, voetbaltalent – de uitkomst van hun afzonderlijke levens liet bepalen’. Van de weeromstuit begint hij iets met zijn bijlesscholiere Rachel, van wie hij zich tijdens een lange seksscène in een parallel gedachtespoor afvraagt hoe hij er in godsnaam weer vanaf moet komen. Ted heeft géén idee waarom Rachel vier maanden zijn vriendinnetje is, maar Roupenian fileert zijn angsten, schuldgevoelens en seksuele fascinaties zo nauwkeurig dat je er als lezer toch in meegaat.

In de verhalen waarin ze haar personages door een moreel grijs gebied laat navigeren is Roupenian dus op haar best. Maar de groteske, gewelddadige verhalen, die met voelbaar gusto geschreven zijn, roepen vooral een viscerale afkeer op. ‘Je kunt niet alles hebben wat je hartje begeert, want wat zou daar de moraal van zijn?’ denkt de vrouw in Pijnbank na de naakte man in haar kelder maandenlang met een zeker genoegen te hebben gemarteld. Precies die vraag blijft hangen. Roupenian mag dan denken te weten wat ik wil en wat haar personages willen, maar wat deze lezer eerlijk gezegd niet altijd duidelijk is: wat wil zíj met haar verhalen?