Naaktheid heeft het laatste woord

Ze werd een prinses en een monster genoemd. Ze veranderde de Braziliaanse literatuur. Liever was ze een dilettante met een intelligent hart dan een vakvrouw die schoonheid wilde scheppen. Maar die schiep ze toch.

Het ontbreekt niet aan superlatieven over de Braziliaanse schrijfster Clarice Lispector. Ze werd bij leven ‘de prinses van de Portugese taal’ genoemd en een ‘heilig monster’. Haar eerste roman werd meteen al door een criticus betiteld als de beste roman die een vrouw ooit in het Portugees schreef. De Amerikaanse dichteres Elizabeth Bishop, die ook bevriend met haar was, vond haar beter dan J.L. Borges – ‘die goed is, maar ook weer niet zo goed’. Een Braziliaanse journalist merkte op het hoogtepunt van haar roem op dat Clarice Lispector geen naam meer was, maar een fenomeen in de Braziliaanse literatuur. De vertaler Gregroy Rabassa verklaarde, nadat hij haar had ontmoet, dat ze eruitzag als Marlene Dietrich en schreef als Virginia Woolf. Het verst ging de Franse schrijfster Hélène Cixous, die stelde dat Clarice Lispector was hoe Kafka was geweest als hij een vrouw was geweest, of ‘als Rilke een in de Oekraïne geboren Braziliaanse jodin was gewest. Als Rimbaud een moeder was geweest en de leeftijd van vijftig jaar had bereikt. Als Heidegger had kunnen ophouden Duits te zijn.’

Medium benjamin 20moser 20  20clarice 20lispector 20  20fotokatern 13

In zijn biografie van Lispector geeft de Amerikaanse journalist Benjamin Moser niet alleen al die loftuitingen weer, hij doet er waar het kan nog een schepje bovenop. Haar roman De passie volgens G.H. noemt hij een van de grootste romans van de twintigste eeuw en haar oeuvre wellicht ‘de grootste spirituele biografie’ van de eeuw. In zijn ogen had ze ook een van de meest buitengewone carrières in de twintigste-eeuwse literatuur. Die lof combineert Moser met het bezingen van de raadselachtigheid van ‘de sfinx van Rio de Janeiro’. De beeldschone Lispector betoverde iedereen, maar niemand drong tot ‘deze ‘ondefinieerbare vrouw’ door. Ze was een sfinx die zelfs zichzelf niet ontraadselde. De dichter Carlos Drummond de Andrade schreef bij haar overlijden: ‘Clarice,/ ze kwam uit het ene mysterie, ging naar het andere.’ En tussendoor was ze ook mysterie, als we Moser mogen geloven.

Het is allemaal wat over the top, en het roept, bij mij althans, ook de nodige irritatie op, want de cocktail van heiligheid, verpletterende schoonheid en mysterie, het is zo cliché, en het is vooral een cliché dat graag op vrouwen wordt geplakt. Nu is het werk van Lispector ook ontegenzeggelijk vrouwelijk. De hoofdpersonen van haar onconventionele, veelal plotloze romans en verhalen zijn vrouwen – vaak ‘gewone’ vrouwen: huisvrouwen, moeders, arme meisjes van het platteland –, ze weet als geen ander in hun hoofd te kruipen en hun gemoedsbewegingen met grote precisie vast te leggen. Ze veroorzaakte een breuk in de tot dan toe voornamelijk pastorale, realistische Braziliaanse literatuur; met haar introspectieve, emotioneel geladen werk, waarin ze volop gebruik maakte van de monologue interieur, reflecties over taal en het schrijven zelf en filosofische uitweidingen, introduceerde ze het modernisme.

Haar debuutroman Dicht bij het wilde hart uit 1943 werd bij verschijnen door critici vergeleken met Joyce, Virginia Woolf, Katherine Mansfield, Dostojevski, Proust en Gide. Die referenties ergerden Lispector overigens, want ze had al deze schrijvers niet gelezen. Voor Elizabeth Bishop was ze dan ook ‘de meest niet-literaire schrijfster’ die ze ooit had ontmoet. ‘“Ze slaat nooit een boek open”, zoals we plegen te zeggen’, schreef ze in een brief aan de Amerikaanse dichter Robert Lowell. ‘Ze leest nooit iets, voorzover ik kan ontdekken – Ik denk dat ze een “autodidactische” schrijfster is, zoiets als een primitieve schilder.’

Dat had Lispector waarschijnlijk als een compliment opgevat. Uit de biografie van Moser blijkt dat ze alles behalve onontwikkeld was. Ze had weliswaar een arme jeugd gehad, met een vader die het niet verder bracht dan straatverkoper, maar dankzij haar intelligentie had ze het gymnasium en een universitaire studie afgerond, ze sprak meerdere talen, had door haar huwelijk met een diplomaat over de wereld gereisd, en was zeer belezen en breed georiënteerd. Ze was ‘een van de meest ontwikkelde vrouwen van haar generatie, en niet alleen in Brazilië’. Maar ze hechtte geen waarde aan geleerdheid en intellectualisme in literatuur.

In De ontdekking van de wereld, de kronieken die tegelijk met Mosers biografie in het Nederlands verschenen, schrijft ze dat wat ze ‘intelligente gevoeligheid’ noemt voor haar veel zwaarder weegt dan gewone intelligentie. Ze doelt daarbij op een gevoeligheid die niet alleen ontroerd kan worden, ‘maar ook bij wijze van spreken denkt zonder het hoofd’. Ze heeft liever een ‘intelligent hart’ dan een intelligent hoofd. In het stukje daarna, dat de veelzeggende kop ‘Intellectueel? Nee’ draagt, betrekt ze het begrijpen met het hart rechtstreeks op haar literatuur: ‘Maar wat ben ik eigenlijk geworden, en al zo vroeg? Ik ben iemand geworden die op zoek is naar onze diepste gevoelens en woorden gebruikt die dat uitdrukken.’ Over gevoel liet Lispector zich graag uit, vaak ook in abstracte zin, zoals blijkt uit haar kronieken. Over de feiten van haar leven was ze heel wat terughoudender. Ze gaf erg weinig prijs van zichzelf. Het is dan ook een grote verdienste van Benjamin Moser dat hij reizend over drie continenten en gebruik makend van nog onbekende bronnen zo gedetailleerd haar levensverhaal weet te vertellen.

Het is een levensverhaal dat ongekend dramatisch begon. Haar joodse ouders ontvluchtten de Oekraïne dat na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog en de Russische Revolutie geplaagd werd door vreselijke pogroms. Haar grootvader werd in een van die pogroms vermoord, haar moeder was het slachtoffer van een groepsverkrachting door Russische soldaten. Ze liep daarbij hoogstwaarschijnlijk syfilis op. ‘Toch was ik voorbestemd om op een heel mooie manier ter wereld gebracht te worden’, schreef Lispector later. ‘Mijn moeder was al ziek en vanwege een wijdverbreid geloof dacht men dat een vrouw van een ziekte kon genezen door een kind te krijgen. Dus werd ik opzettelijk verwekt: uit liefde en hoop.’

'Ik ben iemand geworden die op zoek is naar onze diepste gevoelens en woorden gebruikt die dat uitdrukken'

Clarice werd nog in de Oekraïne geboren, in 1920, en als baby werd ze, samen met haar twee zusjes, meegenomen op de vlucht naar Brazilië. Ze kwamen terecht in Maceio en een paar jaar later in Recife, in het arme noordoosten van het land. Daar kreeg Chaya Pinkhasovna Lispector de nieuwe naam Clarice. Natuurlijk genas haar moeder niet. Die stierf toen Clarice negen jaar oud was. ‘En tot op de dag van vandaag ga ik gebukt onder dat schuldgevoel: ik werd verwekt voor een heel bepaald doel en ik heb gefaald. Alsof men op mij rekende in de loopgraven van een oorlog en ik gedeserteerd was.’

De verdrijving van haar familie en het treurige lot van haar moeder is een van de lijnen die door Mosers biografie lopen. Schuldgevoel, achtervolging en een onfortuinlijke dood zijn thema’s die in veel van Lispectors werk zijn terug te vinden. Soms gaat Moser wel heel ver in het detecteren van haar familiegeschiedenis in haar werk, bijvoorbeeld als hij het verhaal Een kip, dat is opgenomen in haar schitterende verhalenbundel Familiebanden uit 1960, analyseert.

Het is een lichtvoetig verhaal van nog geen vier pagina’s, over een ‘zondagskip’, die op het punt staat geslacht te worden. Tot verbijstering van de kokkin slaat ze met haar korte-afstandsvleugels op de vlucht. De heer des huizes trekt enthousiast een zwembroek aan en gaat haar over de daken achterna. Als ze uiteindelijk gevangen is en op de keukenvloer neergeplant, legt de kip opeens een ei. Daarna wordt ze gespaard, ze is ‘de koningin van het huis’ geworden. Tot ze op een goede dag toch wordt geslacht en opgegeten ‘en ze leefden nog lang en gelukkig’. Volgens Moser staat het verhaal vol verwijzingen naar Clarice’s eigen leven: het gevoel gevangen te zijn, het verlangen naar ontsnapping, de oeroude joodse vrees voor vervolging. Het beeld van een hulpeloos vrouwelijk wezen dat niet kan vliegen verwijst in zijn ogen ‘naar haar moeders wanhopige vlucht uit Europa’. Hier is Moser verstrikt in zijn eigen biografische interpretatiedrift.

De andere belangrijke lijn in het leven en werk van Lispector die Moser onderscheidt, spreekt al uit haar debuutroman Dicht bij het wilde hart. Die verbeeldt het thema dat ook zo dominant is in de door Lispector bewonderde roman De steppenwolf van Herman Hesse en dat het best kan worden weergegeven door de uitroep van Goethe’s Faust: ‘Twee zielen wonen, ach! In mijn borst.’ In de roman staan de dierlijke, gepassioneerde Joana en de bescheiden, moederlijke Lídia tegenover elkaar. De twee vrouwen personifiëren ook twee kanten van Lispector zelf: de keurige bourgeoisvrouw die veel zorg besteedde aan haar uiterlijk en zowel in haar kronieken als in interviews keer op keer beweerde dat ze liever een goede moeder dan een goede schrijfster was. En daar tegenover de excentrieke, niet te temmen vrouw die ze zeker toen ze ouder werd was.

Die onaangepaste vrouw was Lispector vooral na haar scheiding – het bestaan als diplomatenvrouw was uiteindelijk te beklemmend – toen ze alleen met haar twee zoons in Rio ging wonen. Zeker het eind van haar leven werd getekend door eenzaamheid en slaap- en kalmeringspillen. Niet dat ze geen vrienden had, die belde ze ook graag midden in de nacht als ze niet kon slapen, maar het sociale verkeer ging haar steeds slechter af. Zeker nadat ze gesedeerd met een brandende sigaret in slaap was gevallen en met ernstige brandwonden in het ziekenhuis werd opgenomen. Haar schoonheid was daardoor voorgoed aangetast, daar kon de visagist die haar aan huis van extravagante make-up moest voorzien, zelfs als ze in slaap was, weinig aan veranderen.

Ondertussen was ze vanaf de jaren zestig een instituut. Ze verdiende haar geld als cronista, schrijfster van een literaire column – ‘crônica’ – voor de Jornal do Brasil, waardoor haar roem nog verder groeide. Het is een selectie van die kronieken in De ontdekking van de wereld die naast Mosers biografie een nieuwe introductie vormt van Clarice Lispector in Nederland. Eind jaren tachtig verschenen al de verhalenbundel Familiebanden en de laatste roman die voor haar vroege dood in 1977 uitkwam, Het uur van de ster, in Nederlandse vertaling.

De kronieken zijn zeker charmant. Het zijn zeer diverse teksten: van jeugdherinneringen tot ultrakorte verhandelingen over zaken als de typemachine of taxichauffeurs, van aforismen tot de behandeling van lezersbrieven. Veel beschouwingen gaan tamelijk abstract over een specifiek gevoel (Dodelijk verdriet), veel over het schrijven. Regelmatig zijn het kleine verhalen die de kwaliteit van de verhalen in Familiebanden benaderen. Maar haar ‘zaterdagspraatjes’, zoals ze het zelf noemde, hebben niet de kracht van haar ‘echte’ werk. Gelukkig zullen Familiebanden en Het uur van de ster dit najaar opnieuw worden gepubliceerd.

Want bij herlezing van Het uur van de ster, over het arme plattelandsmeisje Macabea dat een verloren bestaan in Rio de Janeiro leidt, werd ik, net als bij Familiebanden, weer getroffen door de intensiteit en originaliteit van de roman. Lispector is dan weer meevoelend over de armzalige typiste, dan weer regelrecht larmoyant en verwoestend geestig. Haar taalregister is fenomenaal en de manier waarop de verteller het verhaal steeds onderbreekt benadrukt weer eens wat voor schrijfster Lispector wilde zijn. Liever de dilettante met het intelligente hart dan de vakvrouw die schoonheid wilde scheppen. ‘Ik schrijf over het kale minimum en verfraai het met purper, juwelen en weelde’, zegt de verteller in Het uur van de ster. ‘Hoor je zo te schrijven? Nee, je moet niet ophopen, maar juist blootleggen. Maar ik ben bang voor naaktheid, want zij heeft het laatste woord.’


Beeld: Clarice Lispector in haar huis in Rio de Janeiro (MUSEU-ARQUIVO DE LITERATURA BRASILEIRA, FUNDAÇÃO CASA DE RUI BARBOSA, RIO DE JANEIRO / MET DANK AAN PAULO GURGEL VALENTE / UIT CLARICE LISPECTOR: DE BIOGRAFIE)