VINCENT VAN GOGH: DE BIOGRAFIE

Naamloos alleen

In de nieuwe biografie van Vincent van Gogh is de overdaad aan informatie getemd tot een meeslepend relaas. Alles staat erin.

Medium goghbio

Dominee Dorus van Gogh dacht in 1875 dat zijn oudste zoon Vincent, toen 22 jaar oud, geestelijk niet in orde was. Hij schreef aan zijn tweede zoon, Theo: ‘Even tussen jou en mij, ik geloof dat het een ziekte is, van het lichaam of van de geest.’ Dat kwam niet uit de lucht vallen. Vincent was van kinds af al 'een vreemde jongen’ geweest, een stuurse ruziemaker, een spijbelaar, een eenzame wandelaar. In 1875 meende Dorus dat de tijd gekomen was om Vincent te laten opnemen in het gesticht te Geel.
Tot deze gedachte van Vincents vader moet elke Van Gogh-biograaf zich verhouden. Elke biograaf loopt dan ook het risico te verzeilen in een halfbakken theorie over een kennelijk herkenbare geestesziekte, dan wel over een of ander lichamelijk kwaad - epilepsie, bijvoorbeeld - al dan niet verergerd door de onstuimige levenswandel van de hoofdpersoon. Het kon ook de absint zijn, of het lood in de verf, of syfilis. De biograaf heeft daarbij ook te kampen met een overdaad aan informatie. Het bronnenmateriaal van Van Gogh is overvloedig, te beginnen bij het zelfportret dat door zijn correspondentie wordt gevormd, een corpus dat zó rijk is en van zo'n diepgang dat biografen die zich erop baseren bijna onvermijdelijk een vorm van autobiografie laten ontstaan. Dat is riskant, want Vincent was literair begaafd, en hij zag zijn brieven als middelen-tot-beïnvloeding, van zijn broer, zijn familie, zijn vrienden, zijn zakelijke contacten. Zijn correspondentie was soms een openhartig dagboek, maar toch vooral een campagne, een veldtocht van de geest, soms op leven en dood. Daarbij hoorden bewuste manipulaties, geveins en gejok, oogkleppen en rookgordijnen.
Er is veel meer, natuurlijk, waar zo'n biografie uit kan worden geconstrueerd. Van veel van Van Goghs kennissen en vrienden is eveneens uitvoerig bronnenmateriaal bewaard. De hele literaire en artistieke context van zijn leven is blootgelegd in de voorbeeldige publicaties van het Van Gogh Museum en het Huygens Instituut, twee jaar geleden. En bovendien is hij nog niet eens zo lang dood. De kunsthistoricus John Rewald (1912-1994) bezocht Auvers sur Oise in de jaren dertig en sprak daar mensen die Van Gogh nog gekend hadden en zich zijn overlijden herinnerden.
Toch is de belangrijkste uitdaging voor een biograaf hoe hij of zij een positie inneemt tegenover Van Goghs artistieke productie, de schilderijen en de tekeningen. Sinds zijn dood is dat oeuvre vrijwel gelijkgesteld met de man zelf, als een catalogus waaruit men de persoonlijkheid van de man en diens interactie met de wereld getrouw kan aflezen. Ook dat is riskant. Analyse van Van Goghs techniek heeft laten zien hoe sterk de theorie van de kunst in dat oeuvre heerste, hoe planmatig en weloverwogen zijn schilderijen in elkaar zijn gezet, ook al lijken ze te kolken van emotie. De man en het werk gaan niet één op één.
De dikke biografie van Steven Naifeh en Gregory White Smith verdient vooral bewondering voor de manier waarop de overdaad aan informatie is getemd tot een uiterst leesbaar, zelfs meeslepend relaas. Alles staat erin, elk boek, elke vriend en elke vijand, elke dag en elk uur, maar de schrijvers monteren dat in een altijd lopende stijl, die soms gewoon filmisch is. Er zijn pakkende cliffhangers en krasse scènewisselingen, bijvoorbeeld in de beschrijving van het akkefietje met het oor, in Arles. 'Hij ging terug naar het Gele Huis, wankelde naar boven, naar zijn bloederige slaapkamer, ging duizelig op de scharlaken deken liggen en sloot zijn ogen, berekend - misschien zelfs met plezier - op het ergste.’ Einde hoofdstuk. Volgende zin, volgende pagina: 'Theo kon zijn geluk niet op. Jo had eindelijk ja gezegd.’ Kijk, dat is drama.
Naifeh en White Smith presenteren Vincent als een tragische figuur en in die zin wijken zij niet wezenlijk af van het heersende beeld. De mythe van de onfortuinlijke misfit blijft overeind, maar wordt tot in detail uitgetekend en verdiept. Het is niet makkelijk om sympathie voor hem te blijven voelen. In drievijfde van het boek is Van Gogh voornamelijk een egocentrische zak. Vincent is van jongs af voor alles ongeschikt, school, werk, religie, familie. Niets lukt hem, niets maakt hem gelukkig. Er moet op zeer jonge leeftijd iets in hem vernield zijn, misschien wel door de wetenschap dat vóór hem een andere Vincent geboren was, op dezelfde dag als hij, en direct gestorven. De familie was burgerlijk, benepen, standsbewust, een eilandje van Hollandse protestantse ethiek in een katholiek derdewereldland, waar vader Van Gogh ’s zondags de passie preekte en door de week in opdracht van de kerk behoeftige gezinnen met een huurachterstand botweg uit hun boerderijtjes liet zetten. Een sfeer van moralistische arrogantie domineerde het leven van de familie. Men ging niet met het paapse volk om; men was op zichzelf aangewezen. Naifeh en White Smith laten bij herhaling zien dat de besloten wereld van de pastorie voor Vincent een emotioneel bolwerk vormde waarin hij zich gevangen voelde, maar waarnaar hij zijn hele leven zou terugverlangen, zeker met de kerstdagen. De kern van zijn tragedie moet wel liggen in het onvermogen zich thuis werkelijk geborgen te weten. Niemand begreep dat, ook hijzelf niet. Zijn zuster Lies schreef later: 'Niet alleen waren zijn kleine zusjes en broers vreemden voor hem, hij was een vreemde voor zichzelf.’
Eenmaal weg uit Zundert, gedwongen te gaan werken om zijn ouders te ondersteunen, ontwikkelt Vincent zich tot een man zonder vrienden, niet in staat tot intimiteit, een kluwen van ongeluk. Er ontstaat een zich herhalend patroon van optimisme en mislukking. Elke positieve intentie, elk nieuw begin verwordt tot een drammerig conflict en een teleurstelling. Voor Naifeh en White Smith is de 'verbanning’ uit het ouderlijk huis het dominante trauma. Overal waar hij komt probeert Van Gogh zich aan te sluiten bij een nieuwe familie, een nieuwe gemeenschap, of hij probeert zo'n gemeenschap zelf te vormen. Dat loopt op rampen uit, in het kosthuis van Ursula Loyer in Londen, bij de familie van zijn vriend Harry Gladwell, in het samenwonen met de prostituee Sien Hoornik in Den Haag, in zijn 'perverse’ toenadering tot Kee Stricker, in de bizarre navolging van Christus in de Borinage tot en met de alliantie met Gauguin in Arles. Vrouwen zijn bijna altijd de katalysator, en dan vooral de oudere, beschadigde, bedroefde vrouwen die in Van Gogh behalve lust ook een diep-christelijke behoefte aan troost oproepen. Zo zag hij zijn 'blinde jacht op de genegenheid van Kee Stricker’ als een spirituele missie, 'een gevecht voor zijn bestaansrecht’. Elk drama leidt tot vernedering, de gang terug naar pa, gebedel om geld.
White Smith en Naifeh geven een sterk beeld van de manier waarop Van Gogh zich identificeerde met literatuur. Dat hij veel las, en voortdurend over het gelezene evangeliseerde, is goed bekend, maar het is opvallend hoe nauw sommige boeken met Van Goghs eigen ervaringen verweven leken, alsof er geen wezenlijk verschil was tussen feit en fictie. Hij dweepte met Michelet, Renan, Thomas à Kempis, Dickens, Zola, enzovoort. Ten tijde van de crisis in Arles was hij geobsedeerd door Le Horla, een spookverhaal van De Maupassant, en elke Kerst las hij The Haunted Man, A Christmas Carol en The Chimes van Dickens, allemaal verhalen over mannen die in de kerstweek hallucineren en hun verstand verliezen. Dat soort details zijn zeer scherp en geven verrassende en ook wel verontrustende inzichten. Het Gele Huis in Arles, waar Van Gogh zo hoog van opgaf, was een krot, lawaaierig, heet, stoffig en zonder enig sanitair. Theo had syfilis. De postbode Roulin met zijn wollige baard en goeiige blik was een keiharde drinker, een caférevolutionair en een verwoed hoerenloper. Prostitutie is sowieso een rode draad in het boek. Een van de redenen waarom Van Gogh ruzie kreeg met Gauguin was pure afgunst over diens succes bij de Arlésiennes, de hoeren waarvoor zij beiden naar het zuiden waren gekomen. Ook is het frappant hoezeer de familie Van Gogh moet hebben geworsteld met het idee dat Vincents psychische problemen erfelijk waren. Een oom pleegde zelfmoord, Vincents broer Cor ook, en zus Willemien werd opgenomen in een inrichting waar ze veertig jaar zou verblijven. Ook zij deed verschillende zelfmoordpogingen. Het vermoeden dat Vincents zelfmoord in Auvers wel eens een andere toedracht zou kunnen hebben gehad wordt overigens heel redelijk onderbouwd.
De biografie probeert niet werkelijk te komen tot een analyse van Van Goghs schilderkunst. De schrijvers zien het werk als een spiegel van zijn gemoedstoestand, en dat is een beperkte opvatting, hoewel niet per se ongeldig. Ze stellen met recht dat Van Goghs geleidelijke verovering van het medium hem het idee gaf dat een vruchtbare manier van communiceren eindelijk onder handbereik kwam. De voortdurende afwijzing van zijn kunst was daarom een permanente bedreiging, althans, zolang Van Gogh geobsedeerd was door het idee dat het zijn opdracht was contact te maken met een gemeenschap, om zo in zekere zin terug te kunnen keren naar het ouderlijk huis en de familie waaruit hij verbannen was.
Het is een intrigerende gedachte dat het debacle in Arles, dat leidde tot opname in de inrichting van St. Rémy, Van Gogh van dat verlangen verloste. Hij schreef aan Theo op 22 maart 1889: 'Ce que je trouve excellent dans ta lettre c'est que tu dis que sur la vie il ne faut aucunément se faire des illusions. Il s'agit de gober la réalité de son sort et voilà.’ Men moet de werkelijkheid van zijn lot aanvaarden. In dit geval: de werkelijkheid van zijn isolement. Hij maakt er een halve grap over: 'Als ik katholiek zou zijn, dan had ik de mogelijkheid om monnik te worden - maar aangezien ik dat niet ben…’
Het is een even intrigerende gedachte dat in de schilderijen die na zijn opname ontstonden bijna geen menselijke figuren meer te zien zijn, alsof het niet meer belangrijk was, dat iedereen begreep waar ’t om ging. Het zenden telde, niet de ontvangst. Het was zoals Rilke schreef aan Kappus, in 1903: 'Natuurlijk moet u weten dat u mij met elke brief altijd een plezier zult doen, maar u zult alleen mild moeten zijn over het antwoord, dat u misschien vaak met lege handen zal laten staan. Want in de grond, juist in de diepste en belangrijkste dingen, zijn wij naamloos alleen, en als de één de ander wil kunnen raden, of zelfs helpen, dan moet er veel gebeuren, veel moet lukken, een hele constellatie van dingen moet precies goed terechtkomen, opdat dat één keer slaagt.’

STEVEN NAIFEH, GREGORY WHITE SMITH
VINCENT VAN GOGH: DE BIOGRAFIE
Bert Bakker, 1069 blz., tot 16 januari € 39,95, daarna € 49,95

Een pakket van 28.000 (!) noten, verwijzingen, literatuuropgaven en dergelijke is te vinden op www.vangoghbiography.com