Naamsverduistering

In zijn Kleine encyclopedie schetst Herman Vuijsje nieuwe inzichten over Nederland aan de hand van neologismen. Deze week: naamsverduistering – de warmte van de voornaam, en het narcisme ervan.

Laatst was het weer raak, na de dood van een goede vriend. Iemand uit de vriendenkring had het initiatief genomen voor een gezamenlijke rouwadvertentie. Toen ik een paar dagen later de krant opsloeg, werd mijn vaag gekoesterde angst bewaarheid: mijn ondertekening was opgegaan in een ondefinieerbare drab van louter voornamen, niet te onderscheiden van twee andere Hermannen.

Ik kon niet die Herman zijn van Herman Lies, maar was ik nou die ene of die andere resterende Herman? De namen waren afgedrukt in niet-alfabetische volgorde en mijn voornaamgenoten en ik waren als poedersuiker over de lijst uitgestrooid, zodat een ‘Herman, Herman, Herman Lies’-effect de lezer bespaard bleef.

Vorig jaar zag ik een soortgelijke advertentie die ondertekend was door liefst vier Jeroenen. In een uiterste poging om achternamen te vermijden, had de opsteller hen voorzien van initialen, alsof het om verdachten ging, wier rouwbeklag het daglicht niet kon velen.

Steeds vaker duikt zij op, deze achternaamsverduistering – maar wat is de bedoeling ervan? Schuilt er een religieus motief achter, een poging ons te ontdoen van onze aardse individualiteit? Wilde de organisator van de advertentie onze zielen alvast ‘bundelen in de bundel van het eeuwige leven’, zoals de joden prevelen aan een graf? Dacht hij ons een voorproefje te geven van de grote onpersoonlijke niksigheid waarin wij volgens oosterse godsdiensten en ietsisten uiteindelijk met z’n allen zullen opgaan? Dat lag niet voor de hand – van dit soort ideeën moest onze betreurde vriend niet veel hebben.

Was het dan een kwestie van zuinigheid? Het lijstje van door komma’s gescheiden voornamen was immers een stuk korter dan een opsomming met op iedere regel een voor- en achternaam, en dus aanmerkelijk goedkoper. Maar ook dat was niet waarschijnlijk: de vrienden wier identiteit ik door uitgekiend combineren en deduceren uit de voornamenbrij wist te determineren, waren zeker niet onbemiddeld.

Wegstrependerwijs hield ik maar één mogelijke motivatie over: dat we gereduceerd waren tot voornamen moest warmte en intimiteit uitstralen. Zoals gestorvenen in andere culturen mondvoorraad, geld en sieraden meekrijgen bij hun lange reis naar het onbestemde worden ze hier en nu gesterkt met een laatste verbale knuffel voor onderweg.

Op het eerste gezicht heeft het inderdaad wel iets van het leggen van ‘knuffels’, zoals dat gebeurt op de plek waar iemand om het leven is gekomen of gebracht. Ook op de kaartjes bij zulke knuffels zie je vaak alleen een voornaam staan. Dat is in dit geval toepasselijk. De overledene en de knuffellegger kenden elkaar niet, hier wordt niets anders tot uiting gebracht dan gevoelens van empathie en verbinding. Alle aandacht is gericht op de ander, degene die hier stierf; de afzender laat merken dat hij zelf niet belangrijk is. Volstaan met de voornaam is hier een blijk van bescheidenheid.

Maar het overlijden van een vriend is geen anonieme gebeurtenis. De gevoelens van warmte blijken uit het genomen initiatief en de deelname van de ondertekenaars. Dan krijgt het uitsluitend gebruiken van voornamen iets gênants: alsof op de valreep nog een extra portie verzengende warmte moest worden aangeleverd.

Er gaat ook een egocentrisch effect van uit, want voor de krantenlezer geldt dat hij hierdoor wordt buitengesloten. Hij behoort niet tot dat warme intieme kringetje. Alleen de eigen parochie kan wijs uit het zoekplaatje waarin de rouwadvertentie is verkeerd.

‘Lieve ANS, ik zal altijd met je verbonden blijven PETRA’, zo parafraseerde journalist Herman van Run dit voornamenmisbruik al in 1994 in NRC Handelsblad. Blijkbaar gaat men ervan uit dat de overledene in het hiernamaals de krant blijft lezen, voegde hij eraan toe. De boodschapper lijkt er eerder op gespitst de eigen gevoelens op de muur van de publiciteit te schrijven dan te laten weten wie er gestorven is. ‘KEES, samen op de fiets, door allerlei bochten, door allerlei dalen, fietsend naar de top. Goh, wat konden wij goed fietsen. Je maatje CAREL.’ ‘Jawel’, vervolgde Van Run, ‘maar wie is er overleden?’

Hij zag deze ‘weinig informatieve exhibitie van gevoelens’ en het ‘aan de grote advertentieklok hangen van onduidelijke intimiteiten’ als een uiting van de algemene tendens om privé-zielenroerselen in de publiciteit te gooien. Dus juist niet als een blijk van bescheidenheid, gericht op het uiten van empathie en het bestendigen van de band met de ander. Hier wordt met die voornaam juist de spotlight op de afzender gezet, op de ik-persoon. Die daarmee niet getuigt van bescheidenheid, maar eerder van egocentrisme of zelfs narcisme.

Dat blijkt nog eens duidelijk als we verder kijken dan die rouwadvertenties. Want natuurlijk had Van Run gelijk: het gaat om een algemene tendens. Denk alleen aan de artiesten die we alleen bij hun voornaam kennen. Wie in de grote wereld de uiterste aandacht op zich wil vestigen, miljoenen aan zich wil binden en toch persoonlijk herkenbaar wil zijn, tooit zich alleen met een voornaam.

Maar ook het omgekeerde doet zich voor, met hetzelfde effect. In openbare dankbetuigingen worden degenen die zich hebben ingespannen om de hoofdpersoon terzijde te staan vaak afgescheept met een vermelding onder hun voornaam. Menig auteur van een boek die zelf met naam en toenaam op het omslag prijkt, spreekt in het voorwoord zijn erkentelijkheid uit jegens zijn toegewijde helpers Joke, Marian en Wim.

Daarmee kunnen die het dan doen: in een tijd van altijd durende en wereldwijde competitie blijven ze weggemoffeld achter hun voornaam onherkenbaar. Maar die auteur, wat moet dat een toffe peer zijn! Zo warm en knus en persoonlijk als die blijkbaar met zijn medewerkers omgaat!