Naar believen

In de oppositie maakten ze zich er kwaad over, nu onderhandelen de VVD- en PVV-fractie zelf mee achter gesloten deuren.

Het was maart 2009 en pvv-leider Geert Wilders was ‘echt woest’. Kwaad beende hij samen met zijn acht fractiegenoten demonstratief de vergaderzaal van de Tweede Kamer uit. Hij wilde niet voor ‘Piet Snot’ meedoen aan een debat over het pakket crisismaatregelen dat het toenmalige kabinet van cda, pvda en ChristenUnie op tafel had gelegd. Over dat pakket was achter gesloten deuren onderhandeld met de fractievoorzitters van de drie regeringspartijen en Wilders vond het een schande dat de Kamer daar geen millimeter aan mocht veranderen. vvd’er Mark Rutte, destijds fractievoorzitter van een oppositiepartij, was dat eveneens een doorn in het oog: ‘De coalitie heeft willens en wetens de democratische werking van de Tweede Kamer buitenspel willen zetten.’

Het is nu drie jaar later, weer maart en weer is een kabinet op zoek naar extra bezuinigingsmaatregelen. Nu zit Wilders met zijn vice-­fractievoorzitter Fleur Agema als gedoogpartner van het minderheidskabinet echter zelf mee te praten achter die gesloten deuren en is het Rutte die als premier de gesprekken leidt waaraan ook de fractievoorzitters van vvd en cda deelnemen.

Staat de Tweede Kamer straks, als het kabinet en de gedoogpartner er onderling uitkomen, opnieuw ‘in zijn hemd’, zoals Wilders het destijds uitdrukte? Heeft de Kamer dan wederom weliswaar formeel het recht iets te veranderen aan het bezuinigingspakket, maar krijgt ze daar in de praktijk ook deze keer niet echt de mogelijkheid toe? En als het kabinet en de drie fracties daar wel ruimte voor inbouwen, is dat dan omdat ze hechten aan het dualisme of is het wisselgeld om gehoon en schampere opmerkingen over hun eigen houding in het recente verleden te voorkomen?

Dat een kabinet in het geheim met drie fracties onderhandelt over – in beide gevallen – bezuinigingsmaatregelen past eigenlijk niet in de traditie van de Nederlandse democratie. In onze ‘afspiegelingsdemocratie’ is het formele adagium dat het kabinet regeert en de Kamerleden, als de gekozen vertegenwoordigers van de bevolking, dat kabinet controleren. Handjeklap achter gesloten deuren hoort daar dus eigenlijk niet bij. In een duaal democratisch bestel behoort een kabinet met plannen naar de Kamer te komen en er daar – in alle openheid – een meerderheid voor zien te krijgen.

In voorgaande alinea staan bewust woorden als ‘eigenlijk’ en ‘formeel’. Want in de praktijk is de Nederlandse democratie in de loop van de tijd meer en meer monistisch geworden. In hun vorig jaar verschenen boek Van afspiegelen tot afrekenen analyseren de politicologen Rudy Andeweg en Jacques Thomassen dit proces. Het wegvallen van de traditionele achterbannen van politieke partijen die vertrouwen hadden in hun politici, de versnippering van de stem van de kiezer over meerdere, kleinere partijen én de wens van de kiezer om invloed uit te oefenen op het beleid zijn daar volgens hen mede debet aan. Dat heeft de behoefte van een kabinet vergroot om met regeringsfracties afspraken te maken en deze in beton te gieten. De twee politicologen zien dat niet als een probleem, maar als de uitkomst van allerlei ontwikkelingen.

Vervelend is wel, zou ik willen zeggen, dat politieke partijen het dualisme of monisme aanhangen naar gelang het hun uitkomt. Zitten ze in de regering, dan zijn ze niet vies van gesprekken achter gesloten deuren met het kabinet. Maken ze echter deel uit van de oppositie, dan spreken ze daar schande van. Het lijkt me een opportunisme dat de democratie geen goed doet.

Andeweg en Thomassen pleiten voor aanpassingen in het kiesstelsel zodat dit geschikter wordt voor het toegenomen monisme. Als de kiezer met zijn stem immers invloed wil hebben op de kabinetssamenstelling of met die stem het zittende kabinet wil afrekenen op het gevoerde beleid, dan moet de uitslag op de verkiezingsavond ook duidelijk laten zien welke (nieuwe) meerderheid er gaat regeren en dus welke meerderheid de komende jaren gaat beslissen.

Juist dat is in Nederland niet het geval. Het is altijd weer afwachten wie met wie gaat regeren. Dat vvd, cda en pvv (plus Hero Brinkman) samen 76 Kamerzetels hebben, zegt immers niet dat een meerderheid van de stemgerechtigden in 2010 voor dit kabinet en de gedoogconstructie heeft gekozen. Denk alleen al aan die eenderde van de cda-partijleden die er faliekant tegen was. Daarom valt botweg zeggen dat de meerderheid het voor het zeggen heeft in Nederland ook niet in goede aarde. Bij de oppositie in de Tweede Kamer niet, en in de samenleving ook niet. De ergernis dat het huidige kabinet en zijn gedoogpartner niet luisteren naar de vele protesten komt juist daaruit voort.

Bovendien is, de analyse van de twee politicologen volgend, de huidige gedoogconstructie een van de slechtst denkbare vertalingen van de verkiezingsuitslag. De pvv draagt immers geen verantwoordelijkheid in het kabinet, neemt die verantwoordelijkheid in de Kamer vervolgens ook niet voor een groot deel van het beleid en dat dan ook nog eens op terreinen die niet onbelangrijk zijn, zoals Europa, de euro en de verhoging van de pensioenleeftijd. Daarover beslist het kabinet tot nu toe met behulp van een andere meerderheid. En nóg weer met een andere over de politietrainingsmissie in Kunduz. Terwijl de pvv-kiezers dat dus niet willen.

De oppositiepartijen stemden in vanuit verantwoordelijkheidsgevoel en de eigen wens consistent te zijn in hun opvattingen. Maar waar bij een normaal meerderheidskabinet deze opstelling de meerderheid slechts vergroot, helpen ze nu het minderheidskabinet een deel van het beleid uit te voeren. Terwijl hun kiezers dat kabinet vooral weg willen hebben. Nu het over geld gaat, zitten vvd en cda echter weer wel met de pvv achter gesloten deuren. Toepasselijk motto zou zijn: monistisch als het kan, dualistisch als het niet anders kan. De kiezer heeft het nakijken. Terwijl hij directere invloed zou willen, is zijn stem juist minder zeggend geworden.