Naar beneden

De vroege ochtend is de mooiste tijd van de dag, in het huis van mijn geliefde. Ik zit bij een van de hoge ramen die uitzicht bieden op de gracht. Het is nog stil. Er valt een bedremmeld soort motregen. Op de torenspits achter de huizen zie ik de haan onbeweeglijk glanzen. Nog een paar maanden leef ik in twee huizen, in twee steden. Straks zijn deze kamers, waar ik me een ander leven toe kon eigenen, ver van mijn eigen supermarkt, buren en looproutes, ontoegankelijk. We zullen niet meer hoeven zoeken naar boeken, schoenen of koekjes (ik had toch koekjes gekocht?) die dan in het andere huis blijken te liggen. We worden mensen met gedeelde lasten.

Pal tegenover dit huis leidt een trap van de gracht naar de werfkelders. Daar staat nu een man met warrig haar en grauwe kleren. Hij trekt aan de halsband van een forse herdershond. Het dier wil de steile trap niet af en blijft, staart tussen de poten, gespannen naar de man staan kijken. Die schreeuwt. Dat hij moet komen, dat hij moet luisteren. Hij buldert ‘Peeee-Tra!’ waarbij de ‘tra’ klinkt als een geweerschot. ‘Naar beneden! Nu! Naarrrrrr beneden!’ Ik vraag me af of deze man, die zijn handen op de rug van de hond legt en aan haar begint te sjorren, die naam zelf gegeven heeft. Ik heb een Petra gekend die een B&B had en lotusbloemen van servetten kon vouwen. En een kraamverzorgster die Petra heette. Ze maakte haar eigen handcrème. Zorgzame, betrouwbare types. ‘Ga godverrrrdomme naar beneden!’ Hij geeft een ruk aan Petra’s kop, pakt dan haar linkervoorpoot vast en plaatst die een trede lager. De hond wankelt. Ik overweeg naar buiten te stormen, de trappen af, de straat op, in mijn ondergoed, op blote voeten. Maar precies dan blaft de hond. Een kort en angstig blafje, te klein voor zo’n groot exemplaar. Ze komt in beweging en verdwijnt, onder hevig gevloek van haar baasje, uit mijn zicht, de trap af. Liep ze zelf? Viel ze? Werd ze meegesleurd? Ik weet het niet. Misschien ligt ze nu levenloos onder aan de trap. Haar kop op de natte stenen. De man met het warrige haar er naast, meer geërgerd dan beschaamd. Hoe zo’n hond het waagt om zomaar dood te vallen.

Ik zou best een betere afloop kunnen bedenken voor een scène die zich buiten mijn blikveld bevindt. Altijd maar toekijken, overdrijven. Wie schrijft maakt zich steevast ergens schuldig aan. Wie leeft ook, trouwens. Ik zoek in de poëziekast van mijn geliefde de gedichten die Rutger Kopland schreef over stervende honden. Ik vind er drie maar vermoed dat er meer zijn. Ze lezen als steeds nieuwe pogingen de dood te begrijpen, even sentimenteel als afstandelijk. Ik kies er eentje, dat stil is en tijdloos. Er valt veel te zeggen voor poëzie die buldert en schreeuwt, maar niet vandaag.

Dode hond

Ik heb de hond laten sterven – daar lag ze en ik dacht: waar gaat ze nu heen waar zal ze blijven. Om de dood te begrijpen.

Het lichaam wordt wel gezien als een nest het tijdelijk verblijf van een onzichtbare vogel – een afgezant van de eeuwigheid.

Ik zou best een betere afloop kunnen bedenken voor een scène die zich buiten mijn blikveld bevindt

Zo zie ik het niet. En toch toen de hond stierf wat gebeurde er toch dat ik wist dat ze stierf alsof haar lichaam door iets werd verlaten.

Ik kan niet anders zien dan dat die dode hond nog leeft en om mij vraagt, zo sterk is de herinnering, sterker dan ik.

Maar wat van mij hield is weg, ik graaf een gat leg wat er overbleef daarin en gooi het dicht.

De hond is nergens meer, iedere dag.


Rutger Kopland

Verzamelde gedichten

G.A. van Oorschot, Amsterdam, 2007