TONEEL Hamlet en Ophelia

‘Naar de begijnen, hup’

Over de geheime spanning tussen man en vrouw in het beroemdste theaterstuk - Shakespeare’s Hamlet.

DE EERSTE ONTMOETING tussen Hamlet en Ophelia - direct na het optreden van het spook van de Koning-Vader - krijgen we niet te zien, we horen slechts Ophelia’s ooggetuigenverslag (II, 1) van hoe Hamlet eruitzag, ‘wit als zijn hemd met klapperende knieën/ en met ogen waarin zoveel droefheid lag/ alsof hij ons uit de hel van gruwelen/ kwam berichten’. Ophelia’s vader, raadsheer Polonius, trekt zijn conclusie: liefdesverdriet! En loopt daarmee naar zijn broodheer, de koning. Met het advies: een gearrangeerde ontmoeting van zijn dochter met de prins, terwijl hij en de koning de conversatie afluisteren. Hamlet duikt meteen na de lancering van dit plannetje lezend op ('words, words, words’). Hij zóu iets over het opzetje kunnen hebben opgevangen, zeker weten we dat niet. De gearrangeerde ontmoeting vindt overigens ruim verderop plaats, in de eerste scène van het derde bedrijf. Ophelia wordt geïnstrueerd om met een gebedenboek rond te wandelen, waarna Polonius en de koning zich achter een wand verbergen. Daarna spreekt Hamlet, zich alleen wanend, de monoloog 'To be or not to be’, die wordt afgebroken met: 'Maar stil nu! De mooie Ophelia!’ Daarna begint de scène, ook wel aangeduid als de 'nunnery scene’.
De conversatie komt stroef op gang met beleefdheidsfrasen die in hun beknoptheid snel verkeerd begrepen kunnen worden: 'gedenk in jouw gebeden al mijn zonden’ (Hamlet), 'hoe is het u al deze tijd vergaan?’ (Ophelia). Dus komt Ophelia ter zake: ze wil wat cadeautjes van Hamlet retourneren: 'Hun geur is weg/ Neem ze terug want voor de edele ziel/ zijn cadeaus van een onaardige gever pover.’ Waarna ze speels en spits redetwisten over de vraag of schoonheid en deugdzaamheid wel samen kunnen gaan: 'De macht van de schoonheid zal van deugdzaamheid eerder een hoerenmadam maken dan dat de kracht van de deugdzaamheid schoonheid in haar evenbeeld kan veranderen. Dit was ooit een paradox, maar nu heeft de tijd het bewezen.’ Hamlet herhaalt hier in andere bewoordingen wat hij eerder over zijn moeder heeft beweerd: 'zwakheid, uw naam is vrouw’.
Hij voegt er overigens meteen aan toe: 'Ik heb ooit van je gehouden.’
Daarover kan geen twijfel bestaan. Die liefde kan tegen een stootje. En ze is wederzijds. Hamlet getuigt ervan tot aan de rand van haar graf: 'Veertigduizend broers/ Wegen met hun verzamelde liefde niet op/ Tegen die van mij’, zegt hij tijdens Ophelia’s begrafenis. En nergens blijkt, zelfs niet als Hamlet haar vader heeft vermoord, dat Ophelia Hamlet op enig moment afwijst. Maar een tragisch romantisch stel, zoals Othello en Desdemona, Romeo en Julia of Antonius en Cleopatra worden ze nooit. Daarvoor zijn ze te veel de gevangene van het beeld dat anderen van hen maken of waaraan ze gedwongen worden te voldoen. Van haar vader Polonius en haar broer Laertes krijgt Ophelia van meet af aan te horen: koningszonen zoals Hamlet zoeken hun plezier op een wat wildere manier dan andere mannen, als ze trouwen is dat altijd politiek, dus blijf bij hem uit de buurt. Ophelia mist de koppigheid van Julia, de eigenwijsheid van Desdemona en de passie van Cleopatra. Dus ze gehoorzaamt. Waarna Hamlet zich van de weeromstuit gaat gedragen zoals Polonius en Laertes hebben voorspeld, met als toppunt zijn geile praatjes tijdens de opvoering van het toneelstuk-in-het-toneelstuk, de scène hierna: 'Een prettige gedachte om tussen de benen van een meisje te liggen’, en: 'Het zou je heel wat kreunen kosten om mijn scherp van de snede te krijgen.’
Hier, in de 'nunnery scene’, gaat het er rustiger aan toe. Er staat immers nog iets op het spel. Hamlets toon is niet spottend of sarcastisch, maar fel en oprecht: vertrouw niemand en trouw vooral niet. Geen zondaars fokken! Dan maar liever naar het begijnhof. Hamlet: 'Ik ben heel arrogant, wraakzuchtig, ambitieus, met meer misdaden voor het uitkiezen dan gedachtes om ze te vatten, fantasie om ze vorm te geven of tijd om ze te begaan. Wat hebben figuren als ik te kruipen tussen hemel en aarde? We zijn allemaal doortrapte schurken. Je moet niemand van ons geloven. Naar de begijnen, hup - en snel een beetje!’ En dan komt die vraag.
'Waar is je vader?’
Shakespeare schreef nooit regieaanwijzingen, anders dan 'komt op’ of 'gaat af’. Er staat hier dus niet: 'geluid achter een wand’, of 'Ophelia kijkt naar een gordijn’, of 'Hamlet fluistert in Ophelia’s oor’. Er staat gewoon die kale vraag: 'Waar is je vader?’ En Ophelia antwoordt: 'Thuis.’ Op afstand het stomste antwoord dat ze kon geven. Polonius is nooit thuis, zijn werk is zijn thuis, hoe dan ook, je hoort Hamlet denken: die rat staat ergens ons gesprek af te luisteren, hoe kon ik het vergeten, die arme meid laat zich gebruiken, ik ben alleen, er is hier geen plek voor kameraadschap, alles is kapot. Wat Hamlet in deze scène nog uit kan brengen is pure wanhoop en razernij: 'Jullie laten je geflirt doorgaan voor naïviteit. Ga weg, ik hou er over op, ik ben er gek van geworden!’
Het zijn teksten die Ophelia nauwelijks meer bereiken. Ze zijn ook niet meer voor haar bedoeld. Vanaf nu gaat het alleen nog maar tussen Hamlet en zijn stiefvader.

De vertalingen van Shakespeare’s teksten zijn van Erik Bindervoet & Robbert-Jan Henkes. Hamlet zal dit najaar in drie versies zijn te zien: door Theater Oostpool in het hele land, door De Utrechtse Spelen uitsluitend in hun eigen theater, en door Thalia Theater Hamburg uitsluitend in de Stadsschouwburg Amsterdam