Naar de engelen in memoriam jos knipscheer

‘Als ik op dit moment aan Jos denk, dan voel ik een milde glimlach’, zei Hans Plomp tegen de honderden vrienden en bekenden die Jos Knipscheer de laatste eer kwamen bewijzen, op een stralend zonnige winterdag in Driehuis. In zijn toespraakje stelde Plomp de dood voor als een bevrijding, een verlossing van het ‘bestaan tussen zon en maan’. ‘Een engel komt je tegemoet’, stak hij de overledene een hart onder de riem voor zijn tocht naar het grote onbekende. Daar zou Jos Knipscheer door zijn ‘oude makkers’ worden verwelkomd. Dat ‘oud’ zou wel meevallen, want Jos was tweeënvijftig toen hij stierf.

In 1976 richtte Jos samen met zijn broer Franc (‘de een knipt, de ander scheert’) uitgeverij In de Knipscheer op. Het eerste boek dat de gebroeders publiceerden was Over de leegte in de wereld van Leon de Winter. In de Knipscheer ontwikkelde zich in korte tijd tot een literaire uitgeverij met een passie voor het onaangepaste, het opstandige, het niet-voorspelbare. Jos en Franc ruimden in hun fonds veel plaats in voor literatuur uit 'andere’ culturen, en voor schrijvers die het literaire experiment zochten.
Zo was Jos Knipscheer de man achter Maximaal, de dichtersgroep die aan het eind van de jaren tachtig de Nederlandse literatuur provoceerde. Achter de elf hyper-individualistische dichters die niettemin als een hechte club optraden, stond de uitgever, die al die reusachtige ego’s aan elkaar wist te binden.
Jos Knipscheer was een uitgever van een verdwijnend soort. In 'zijn’ auteurs zag hij in de eerste plaats vrienden. Hij hield van hun werk. Daarom gaf hij het uit.
Hij zei wel eens dat hij weliswaar over de techniek beschikte om een roman te schrijven, maar geen idee had wat hij dan zou moeten vertellen. Misschien stortte hij zich daarom met zoveel liefde en energie op het werk van anderen: omdat hij zichzelf daar telkens opnieuw voor een gedeelte in terugvond, zichzelf erin herkende, er aan meeschreef - omdat hij zichzelf als het ware ín die boeken schreef. Als je het werk van, bijvoorbeeld, Astrid Roemer, Leon de Winter, Graa Boomsma, Marion Bloem, Boeli van Leeuwen, Hugo Pos, Alfred Birney, René Huigen, Pieter Boskma en Hans Plomp erop zou nalezen, zou je niet alleen de redigerende en sturende hand van Jos Knipscheer erin kunnen vinden, maar ook zijn persoonlijkheid, zijn ziel. Want de bezieling waarmee hij werkte aan de boeken van zijn beminde auteurs was enorm. Daarin legde hij veel van zijn vriendschap - een oprechte, diepe vriendschap.
Als het zo is dat onze doden blijven voortbestaan zolang wij ze ons blijven herinneren, dan zal Jos blijven leven in de boeken die hij mee heeft doen ontstaan. Dat is wel een mooi idee: samen vormen al die boeken, die honderden titels, een monument, een standbeeld voor Jos Knipscheer, een sculptuur van woorden voor een man of letters.
Dat hij zo'n lieve man was… Ja, dat was hij. Een lieve, lieve man. En een vriend, een kameraad. Een leermeester, leidsman en lichtend voorbeeld. Dat zijn oude makkers hem zullen opwachten. Dat hij bevrijd is. Dat hij moge zijn waar hij zou willen zijn. Dat een engel hem tegemoet kome.