Op de puinhopen van de crisis #5: Ulrike Guérot

Naar de Europese Republiek

Terwijl de EU de crisis maar niet te boven komt, ontwerpt de politicoloog Ulrike Guérot een blauwdruk voor een sociaal en democratisch Europa, waar natiestaten verdwenen zijn en mensen boven multinationals gaan. Utopisch? Zeker, maar ook noodzakelijk.

30 juni 2015, Athene. Twee weken voor het Griekse referendum over een hervormingsvoorstel van de Europese Commissie © Maro Kouri / Polaris / HH

Het was op maandag 9 april 2012, zo rond één uur ’s middags, dat Ulrike Guérot definitief haar vertrouwen in de Europese Unie verloor. Ze had een afspraak met een adviseur van Herman Van Rompuy, de voorzitter van de Europese Raad, om na te praten over een weekend vol chaotische vergaderingen. De Cypriotische banken stonden op omvallen en de Brusselse ambtenaren zochten koortsig naar een oplossing, om te voorkomen dat de eurocrisis, die al ruim twee jaar etterde, zou escaleren. Maar die middag was het Berlaymont-gebouw, het hoofdkantoor van de Europese Commissie, totaal verlaten. ‘Er was geen energie, geen drive, niemand had meer de puf of de moed om te doen wat nodig was’, zegt Guérot. 49 jaar was ze op dat moment en haar halve leven had ze zich ingezet voor het Europese project: bij denktanks, op universiteiten en als medewerker van Wolfgang Schäuble en Jacques Delors. En al die tijd had ze heilig geloofd in het ideaal van een almaar hechtere unie. Maar op die dag viel ze van haar geloof. ‘Ben ik verraden of heb ik mezelf voor de gek gehouden?’ vroeg ze zich af.

Natuurlijk, ze had eerdere momenten van twijfel gekend. Na het Franse en het Nederlandse referendum in 2005, bijvoorbeeld. Terugblikkend was dat een teken aan de wand dat de Europese droom in verval was, maar destijds zag ze het als een hobbeltje in de weg naar verdere eenwording. Ook na de bankencrisis van 2008 kwamen de ontwerpfouten van de unie pijnlijk aan het licht: geconfronteerd met een gezamenlijke crisis zochten de regeringsleiders naar nationale antwoorden. Europese solidariteit was in geen velden of wegen te bekennen. Opeens stond de ‘hard werkende’ Duitser tegenover de ‘luie’ Griek. ‘Het was als een cocaïnefeest’, zegt Guérot. ‘Lange tijd verkeerde iedereen in een roes en voelde zich de koning te rijk, maar op de ochtend erna, het moment van de kater, was niemand bereid om de dealer te betalen.’

Tijdens de eurocrisis toonde de EU haar ware gezicht: juist toen er politiek leiderschap gevraagd werd, kwam ‘Brussel’ met kille beleidsplannen vol bureaucratisch jargon. Terwijl burgers hun banen verloren, drongen de eurocraten aan op verdere versoberingen. Geen wonder dat het wantrouwen tegen de EU groeide, schrijft Guérot in haar boek Red Europa! dat vorig jaar verscheen: ‘Deze crisis – de politiekste aller Europese crises – legde men uitgerekend in de handen van economen, die zonder enig gevoel voor cultuur, geschiedenis of politiek uitsluitend met getallen te werk gingen. Alsof je daarmee een politieke gemeenschap kunt begrijpen!’

Toch was het pas in 2012 dat er definitief iets knapte. Het ‘Wende-jaar’, noemt ze dat: het jaar waarin de politieke ambities compleet werden opgegeven en de laatste hervormingskrachten wegvloeiden. Dat was precies wat ze proefde die maandagmiddag in het Berlaymont-gebouw, en toen ze een dag later naar huis vloog belandde ze zowat in een existentiële crisis, vertelt ze: ‘Mijn hele geloofssysteem brokkelde af. Wat kon ik nog doen? Wat is er nog meer in mijn leven behalve de EU? Ik wist het even niet.’ Een vriend kwam langs met een fles rode wijn, ze praatten en dronken en bedachten een plan om het Europese project nieuw leven in te blazen.

Een paar dagen later kreeg ze een pakketje met vijfhonderd ansichtkaarten bezorgd. Cadeautje van die vriend, om haar een hart onder de riem te steken. Ze legt er eentje op tafel: een fleurige vlaggenketting, die alle nationale kleuren omvat, met daaromheen de tekst ‘THE EUROPEAN REPUBLIC IS UNDER CONSTRUCTION’. ‘In de zomer van 2012 reisde ik veel door Europa en terwijl de EU-vlag op straat werd verbrand, liet ik overal – in treinen, hotels, restaurants – deze kaartjes achter van de Europese Republiek. Ik zag hoe mensen, te midden van een diepe crisis, spontaan positief reageerden op die ansichtkaarten. Dat deed me goed. Toen zei ik tegen mijn vriend: “Nu moeten we het overlaten aan Hegels Weltgeist.”

‘De EU wordt niet bedreigd door het populisme, maar produceert zelf het Europese populisme’

Maar Ulrike Guérot is er de persoon niet naar om achterover te leunen. Ze kan het niet laten om te proberen de loop van de geschiedenis een zetje in de juiste richting te geven. Ze praat gedreven, denkt associatief en strooit constant met referenties aan onderzoeken, citaten van politici of filosofen en passages uit boeken die ze onlangs heeft gelezen. ‘Help me herinneren dat ik je nog mail met de precieze bron. Heb je dat genoteerd?’ zegt ze dan. We zitten in het café van het filmhuis in Nijmegen, waar Guérot die avond een lezing zal geven op de Radboud Universiteit. Sinds de publicatie van haar boek Red Europa! reist ze constant rond om haar verhaal te vertellen. Want haar vertrouwen in de EU mag ze dan kwijt zijn, haar passie voor Europa is vuriger dan ooit. Als hoofd van het European Democracy Lab denkt ze hardop na over een ‘nieuwe institutionele behuizing’, waarbij de natiestaat is opgeheven en het continent is opgedeeld in regio’s en metropolen die de pijlers vormen van een overkoepelende Europese democratie. Een gedurfde visie, die direct het nodige stof deed opwaaien. ‘Ja, ik kreeg een hoop kritiek’, zegt Guérot. ‘Nare haatmail en bedreigingen, maar sommige berichten waren ook komisch. “Hebben jullie lsd genomen toen jullie dit bedachten?” vroeg iemand. Een ander vond dat ik de guillotine verdiende – toepasselijk omdat het de associatie oproept met revolutie. En dat is precies waarvoor ik pleit, zij het in de traditionele zin van revolvere: terugkeren naar de oorsprong.’

Dat idee werkt ze verder uit in het onlangs verschenen boekje De nieuwe burgeroorlog, een fel pamflet met een somber stemmende diagnose van de toestand op het continent. Alleen een complete herstart kan Europa nog redden, want als we zo doorgaan, ‘slaapwandelen’ we in de richting van een catastrofe, waarschuwt ze. ‘Er tekenen zich twee kampen af die niet te verenigen zijn’, zegt Guérot. ‘Brexit of geen Brexit, Macron of Le Pen, dat zijn keuzes die zich onmogelijk laten verzoenen. De erosie van de democratie is al gaande op het moment dat er mensen binnen de politieke gemeenschap zijn met wie we niet meer praten. De gevestigde orde wil de populisten buiten de deur houden en illiberale leiders keren de democratie tegen zichzelf. Ze legitimeren hun autoritaire acties met het argument dat ze een meerderheid hebben. Maar dat heeft alleen kunnen gebeuren doordat de liberale elite er al heel lang een nauwe opvatting van democratie op nahoudt, waarbij het vooral gaat om de vorm en niet om de inhoud. Zeker in Brussel vonden de bestuurders het niet nodig om de burgers echt te betrekken bij de koers.’

Het grootste probleem is dan ook niet zozeer het oprukkende populisme, als wel het politieke midden, schrijft ze in Red Europa! Het ontbreekt de centrumpolitici aan lef: op het nationale toneel klagen ze over de beperkingen die Brussel hun oplegt, terwijl ze in de Europese Raad blijven doormodderen en zich voegen naar het als alternativlos voorgestelde beleid. Dat is ook een kwestie van angst, denkt Guérot. In plaats van te erkennen dat populistische eurocritici vingers op de zere plekken leggen, schieten ze in de kramp en trekken ze zich terug in de Brusselse vergaderzalen, beschut tegen de morrende kiezer. Het maakt de EU tot een ‘postdemocratie’, waarin het electoraat wel naar de stembus gaat, maar geen echte keuze heeft. En dat is een vruchtbare voedingsbodem voor de anti-establishmentpartijen, schrijft Guérot. ‘De EU wordt niet bedreigd door het populisme, maar produceert zelf het Europese populisme.’

In haar analyse spaart ze haar thuisland niet: Duitsland heeft in Europa een ‘neoliberale tempel’ gebouwd en is de architect van het economische beleid dat Griekenland in een humanitaire crisis stortte. Een transferunie, waarbij er structureel geld stroomt van de sterke economieën naar de zwakkere (lees: van ‘Noord’ naar ‘Zuid’) is onbespreekbaar. Liever laat Merkel het binnenlandse bedrijfsleven profiteren van de ongelijke verhoudingen binnen de eurozone. De ‘beslissende geboorteafwijking’ van de euro, schrijft Guérot, was dat de industrie een gemeenschappelijke munt kreeg ‘zonder tegenprestatie in de vorm van de Europese Fiscale en Sociale Unie’. Terwijl het kapitaal kon profiteren van de open grenzen bleven de arbeiders zo bekaaid achter: ‘Eén-nul voor Hayek tegen Marx.’

© Patrick Post / HH

Was de Europese Unie wel ooit werkelijk een project voor de burgers? Werd de eenwording niet van meet af aan gedreven door de belangen van ‘het kapitaal’?

‘Dat is een vraag waarmee ik nog steeds worstel. Ik wil graag geloven dat Helmut Kohl, François Mitterrand en Jacques Delors oprecht streden voor een democratisch Europa. Delors kende ik persoonlijk, hij was echt overtuigd van het functionalistische model, waarbij we zouden beginnen met de integratie van de markt, zodat een politieke unie automatisch zou volgen. Nu weten we dat dit zogenoemde “spill-over-effect” ijdele hoop was. Maar misschien ben ik wel ontzettend naïef geweest en besef ik nu pas dat de EU-architecten de burgers nooit op de eerste plaats hebben gezet. Er zijn genoeg economische drijfveren om een interne markt te creëren en de euro in te voeren, maar er zijn geen economische drijfveren voor een waarlijke Europese democratie. Dat kost alleen maar geld. Je zou zelfs kunnen beargumenteren dat “het kapitaal” de inspraak van de burgers bewust heeft ingedamd, om zo de markt te “beschermen” tegen de democratie. Want of dit nu wel of niet de intentie was, feit is dat we zitten opgescheept met een ondemocratische EU zonder een sociale component.’

‘We moeten nationaal-links met pro-Europees links en sociaal-democraten met sociaal-liberalen verenigen’

In het republikeinse model dat Guérot voorstelt moet alles helemaal anders. Het verschil tussen haar en veel andere commentatoren die roepen dat Europa een nieuw verhaal nodig heeft, is dat zij daar ook een concrete invulling aan geeft. À la Thomas More schetst ze een heuse utopie: een sociaal en duurzaam Europa, bestuurd door direct gekozen volksvertegenwoordigers, dat tegenwicht biedt aan de globalisering en waar mensen, niet multinationals, de dienst uitmaken en vluchtelingen hun eigen steden mogen bouwen. Ja, dat klinkt als een wel erg rooskleurig visioen, maar Guérot doet haar best om het daadwerkelijk dichterbij te brengen. ‘We leven in wat Antonio Gramsci de “tijd van de monsters” noemde, een tijd waarin de oude wereld stervende is, maar de nieuwe nog niet is geboren. We maken een transformatie door die om een grondwettelijk herontwerp vraagt, dus we moeten nadenken over een democratie die de grenzen van de natiestaat overstijgt.’

Waarom moet die Europese republiek opgedeeld zijn in regio’s? Waarom zouden dat betere bouwblokken zijn dan natiestaten?

‘Ik bedoel het niet in de zin van Heimat. Ik wil de nationalistische ideologie niet vervangen door een soort autochtone regio-identiteit, dat zou lood om oud ijzer zijn, kijk maar naar de Catalaanse onafhankelijkheidsstrijd. De uitdaging is om vijfhonderd miljoen burgers deel te laten nemen aan een Europese democratie. In mijn blauwdruk heb je daarvoor een tweekamersysteem nodig met een scheiding der machten. Er zou een pan-Europees parlement moeten komen met volksvertegenwoordigers die zijn verkozen volgens het één persoon, één stem-principe, en een andere kamer met “regionale” afgevaardigden. Nu is het zo dat machtige landen als Frankrijk en Duitsland in feite de belangrijke beslissingen nemen. Als je het continent opdeelt in zo’n vijftig bestuurlijke eenheden die min of meer even groot zijn creëer je een gelijker speelveld.’

En wat zijn de buitengrenzen van deze republiek? Daar blijft u in uw boek bewust vaag over.

‘Daar heb ik ook geen antwoord op, behalve het antwoord dat Immanuel Kant al in 1795 gaf: we moeten toe naar een wereldrepubliek. In zijn Naar de eeuwige vrede boog hij zich over de vraag hoe we een wereldorde kunnen creëren waarin vrede en mensenrechten gewaarborgd zijn. We zouden de Europese Republiek als een avant-gardistisch model moeten zien, waarmee we proberen uit te vinden hoe een transnationale democratie kan werken. Het is slechts een beginpunt. Een Europees-Afrikaanse Republiek zou een volgende stap kunnen zijn, een stapje verder in de richting van het kosmopolitische, kantiaanse ideaal.’

Misschien klinkt dat een beetje wereldvreemd. Hoe kun je dagdromen over een mondiale republiek en wereldvrede, nu de spanningen op het internationale toneel met de dag lijken toe te nemen? Europa wordt een steeds ondoordringbaarder fort en zelfs de interne grenscontroles zijn terug. Maar Guérot ziet genoeg aanwijzingen dat het idee van een postnationale democratie wel degelijk de wind in de rug heeft. Zelf heeft ze onlangs een beurs gekregen om vijf jaar lang vergelijkend onderzoek te doen naar hoe verschillende regio’s aankijken tegen de Europese democratie. ‘Het republikanisme is ook bezig met een comeback in de wetenschap’, zegt ze. ‘Het is dit jaar het overkoepelende thema van de conferentie van de European Association of Political Science. Na de golf van neoliberale literatuur zie je nu een tegenstroom waarin er veel meer aandacht is voor de commons en de publieke zaak. En academia loopt vaak voor op het maatschappelijke debat, dus dat stemt hoopvol.’

Een ander lichtpuntje is DiEM25, het initiatief van Yanis Varoufakis om de Europese Unie radicaal te democratiseren. De Griek die als minister van Financiën constant in de clinch lag met de technocraten in Brussel bouwt nu aan een politieke, pan-Europese beweging. Het is ruim een jaar geleden dat hij het initiatief lanceerde en bij de komende verkiezingen wil DiEM meedoen als een transnationale partij. Guérot volgt de ontwikkelingen rondom DiEM met grote interesse. ‘Ik was erbij tijdens de oprichting in Berlijn en recent bij de vergadering in Rome en ik krijg de indruk dat ze langzaam van chaos naar organisatie gaan. Ze hebben inmiddels een bestuur en een steeds concreter programma. De grote vraag is alleen: kunnen zij de breuklijnen op links lijmen?’

Want terwijl Varoufakis ervan overtuigd blijft dat een socialer Europa mogelijk is, hebben sommige linkse collega’s die hoop opgegeven. Volgens hen is de EU de redding al voorbij en is meer nationale soevereiniteit de enige manier om de macht van het kapitaal nog enigszins aan banden te leggen. ‘Als we iets willen bereiken’, zegt Guérot, ‘moeten we de verschillende progressieve stromingen verenigen: nationaal-links met pro-Europees links en sociaal-democraten met sociaal-liberalen als Emmanuel Macron. Ja, ik weet dat veel lefties me nu zullen vervloeken, omdat Macron voor hen de belichaming is van het “neoliberale” model. Daar zit een kern van waarheid in, maar als een linkse beweging iets wil bereiken zullen we op z’n minst moeten erkennen dat zijn agenda ook een progressief element bevat. Als we genoeg mensen willen overtuigen, redden we het niet met het protestgeluid van DiEM. We moeten mainstream gaan.’

Hoe realistisch is dat, gezien het huidige politieke klimaat?

‘Het gekke is: als ik hierover praat met mensen in de regio krijg ik vaak positieve reacties. De boeren in Rennes lijken me beter te begrijpen dan het politieke establishment in Brussel. Als ik mensen in Zuid-Oostenrijk vraag of ze Europese burgers willen zijn, staan ze daar open voor en ontstaat er een constructief gesprek. Maar als ik diezelfde vraag stel tijdens een paneldiscussie in Berlijn met politici of ministers word ik vreemd aangekeken.’ Ze haalt een boekje uit haar tas. ‘2048: Europa wird eine Republik’, staat in grote blauwe letters op het omslag. Het is een traktaat dat geschreven is door een club geëngageerde burgers uit Bremerhaven, de Noord-Duitse havenstad met zo’n 110.000 inwoners, legt Guérot uit. ‘Ze hebben zes maanden over het onderwerp gediscussieerd en hebben vervolgens dit opstel geschreven met 95 stellingen hoe dat bereikt kan worden. Dat sterkt me in mijn missie, hoe onrealistisch die soms ook mag lijken. Wat dat betreft sluit ik me graag aan bij wat Jacques Derrida ooit zei: “C’est impossible, mais c’est necessaire.”’