Naar de filistijnen

Nu de vrede in de lucht hangt, moet het toch mogelijk zijn een joods-islamitische gids voor Jeruzalem te schrijven. Niet dus. De twee auteurs die op pad werden gestuurd, rolden luid kibbelend over straat. Steen des aanstoots: de Palestijnse geschiedenis van Jeruzalem.
NIMMER WAS een reis naar Jeruzalem in mijn hoofd opgekomen. Totdat mijn uitgever voorstelde om samen met de joodse schrijfster D. een reisgids te produceren. Een gids voor zowel Palestijns als Israelisch gebruik, een eerste bijdrage van de reisboekenbranche aan het Israel van na het vredesakkoord. We bogen ons over het stadsplan van al-Quds/Jeruzalem en deelden de zo omstreden stad op in interessante wandelingen voor joden, moslims en christenen. D. de joodse wandelingen, ik de Arabische tochtjes en gezamenlijk de rest.

D. had het voordeel dat ze de stad als haar broekzak kende. Als kind ging ze in de vakanties naar een joods jeugdkamp in het net buiten Jeruzalem gelegen Oost-Talpiot. Ze kon van zo'n beetje iedere steen in de stad de bijbelse connotatie oplepelen. In de Arabische geschiedenis van Jeruzalem was ze minder thuis. Over dat aspect van het Jeruzalemse leven is sowieso weinig bekend. Tot voor kort plachten de Israelische autoriteiten met geen woord over het Palestijnse Jeruzalem te reppen, en de Palestijnen zelf voelen als oorspronkelijke, niet in diaspora gevoerde bewoners van de stad evenmin de noodzaak om via archeologische exercities aan te tonen dat ze er in een ver verleden ook al verbleven. Terwijl iedere scherf met een Hebreeuwse letter erop als bewijsstuk wordt opgevoerd van de joodse verbondenheid met de Heilige Stad, komt de Palestijnse claim er bekaaid af.
Voor mij was het dus pionieren geblazen. Hoe tof ik ook met D. door Jeruzalem slenterde, langzaam maar zeker stuurden onze persoonlijke missies aan op een clash van jewelste. De gekte van Jeruzalem kreeg ons in de greep. Die gekte - grotendeels voortkomend uit de maniakale behoefte om met behulp van het archeologenschepje allerlei mythische claims op het grondgebruik te rechtvaardigen - splijt Jeruzalem al sinds mensenheugenis en dreigde ook een wig te drijven in de eerste vredesreisgids voor de stad. D. reageerde verontwaardigd op mijn relaas dat de Palestijnen dienden te worden gezien als de afstammelingen van de Filistijnen die in de bijbel worden opgevoerd. Dat Arafat en Goliath familie van elkaar zouden kunnen zijn, vond ze een idiote gedachte. Toen ik haar voorhield dat het gemak waarmee een Moishele Cohen uit New York zich uitroept tot rechtstreekse afstammeling van koning Salomo minstens even discutabel is, begonnen emoties ons twistgesprek te overheersen. ‘Maar waar moeten we dan heen?’ riep D. uit. 'De zee weer in?’
ZOALS JERUZALEM wordt opgedeeld in een joodse en een Palestijnse wijk, zo kent de stad ook twee geschiedenissen. Bij Abraham splitsen zich de wegen: de Arabische tak van de semitische familie heeft Abrahams oudste zoon Ismael als stamvader, de joodse zijn jongste zoon Izaak. De joodse tak vertrekt naar Egypte, zwerft bijna een halve eeuw door de woestijn, om uiteindelijk Palestina binnen te trekken. Jericho is de eerste stad die de 'Bani Israel’ op de 'Filistini’ veroveren. Het bijbelse relaas van het eerste treffen tussen joden en Palestijnen is door de Britse archeoloog Dame Kathleen Kenyon weerlegd. Jericho is niet door Jozua’s blazerssectie veroverd. Een aanzienlijk deel van het 'best verkochte boek aller tijden’ is gewijd aan deze verovering van het 'Beloofde Land’ door het 'uitverkoren volk’, met als hoogtepunt de bouw van een eigen tempel in Jeruzalem.
D. probeerde aan te tonen dat de Palestijnen niets te maken hebben met de Filistijnen die rond 1003 voor Chr. gedoogden dat David, voormalig zanger aan het hof van een joods stamhoofd, de stad Jeruzalem tot zijn residentie uitriep. De Palestijnen hadden in eerste instantie weinig bezwaar tegen de verheffing van hun leenman David tot koning over Zuid-Palestina. Pas toen de oudsten van de noordelijke stammen hem ook nog eens tot leider uitriepen en uitbreiding ten koste van de niet-joodse bewoners van het land dreigde, kwam de in overleg regerende seraniem, een Palestijnse unie van vijf steden, in actie. Deze seraniem probeerde het samengaan van Israel en Juda ongedaan te maken, maar werd door David verslagen. Omdat David vanuit Hebron moeilijk zijn gezag kon laten gelden in het noorden, terwijl hij problemen vreesde in het zuiden als hij in het noorden zou gaan wonen, besloot hij in 1003 voor Chr. de tussen beide rijken gelegen stad Jeruzalem te veroveren.
Na deze verovering was er nog geen sprake van dat het uitverkoren joodse volk zomaar in de Heilige Stad mocht wonen. Jeruzalem werd Davids persoonlijk domein. Met uitzondering van zijn hofhouding, zijn uit Palestijnse huurlingen bestaande lijfwacht en de reeds daar wonende autochtonen mocht niemand zich in de stad vestigen.
TEGEN HET EINDE van Davids langdurige regeerperiode kwam het tot hevige twisten over de troonsopvolging, waarbij het zelfs op gewapende opstanden onder de joodse stammen uitliep en de oude koning zijn zoon Salomo/Suleyman als opvolger aanwees. De tent waarin de ark des verbonds werd vereerd, werd met de hulp van architecten en werklieden van de Palestijnse koning Hiram I vervangen door een stenen tempel, een langgerekt bouwwerk van zo'n dertig bij tien meter, niet groter dan een dorpskerk. Het gebouwtje zou in de loop der eeuwen aan verschillende goden onderdak bieden. Zo transformeerde Izebel, schoondochter van koning Omri, het gebouwtje in een aan de Palestijns-Fenetische god Baal gewijd heiligdom. Ook koningin Athalia (884-878 voor Chr.) wilde Baal in plaats van JHWH in de tempel van Jeruzalem aanbidden, maar werd het slachtoffer van een samenzwering onder leiding van de opperpriester Jojada. Deze liet de zevenjarige Joas tot koning uitroepen. Geen goede keus, want Joas zou op latere leeftijd de tempel plunderen.
Het gebouwtje in Jeruzalem was niet het enige joodse godshuis. Alleen al onder de wijze Salomo werden naast de tempel op de dorsvloer ook een schrijn in Silo en religieuze bouwsels in Beth-El, Dan en in Arad opgericht. Deze vondsten bewijzen de decentralisatie van de Hebreeuwse godsdienst in de eeuwen dat de joden voor het eerst Palestina veroverden.
Pas na de ontdekking van de tempel van Arad is men enigszins in staat een historisch verantwoorde reconstuctie te maken van het tempeltje van Salomo op de dorsvloer van de Abusieten, aan het einde van de Saladinstraat in Jeruzalem. Het staat al vele eeuwen bekend als het Haram es-Sharif (Arabisch voor 'Verheven Heiligdom’), met een concentratie aan islamitische heiligdommen, waaronder de Aqsamoskee, de van gouden koepel voorziene Dom van de Rots, de hemelvaartsdom van de profeet Mohammed waarin zich ook de 'Troon van Salomo’ bevindt.
'Ja, maar jullie moslims hebben zoveel heilige plaatsen, Jeruzalem komt pas op de derde plaats na Mekka en Medina’, wees D. me terecht. Waarop ik tegenwierp dat de joden die ook zouden hebben gehad, ware het niet dat koning Hizkia rond 700 voor Chr. besloot het monopolie op de tempelzaken in te voeren ten gunste van het hoofdbureau. Op het godshuis in Jeruzalem na liet hij alle aan JHWH gewijde tempels sluiten. Zeer tegen de zin van de joodse stammen maakte koning Josia van Juda in 629 voor Chr. definitief een einde aan de decentralisatie en werden alle aan de joodse godheid gewijde bouwsels gesloopt, met uitzondering van de tempel in Jeruzalem. De koning beval op straffe des doods dat de stamgod alleen nog in deze tempel mocht worden vereerd. De aanwezige beelden van de Palestijnse en Assyrische goden werden vernietigd.
IN 587 VOOR CHR. maakte Nebukadnezar II zich van Jeruzalem meester. De stad werd geplunderd en het paleis en het tempeltje werden met de grond gelijk gemaakt. Die werden weer opgebouwd onder de Perzische heerschappij en in 515 voor Chr. ingewijd. Geheel naar de Perzische mode kreeg de baas van het godshuis de titel hogepriester en de Perzen accepteerden hem als een soort scheidsrechter in aangelegenheden van de twee overgebleven stammen Israels.
In de tempel werd een hele trits goden vereerd, van Baal tot de joodse stamgod. Zo werd in 167 voor Chr. de Griekse oppergod Zeus in het zonnetje gezet. In 19 voor Chr. werd onder het Romeinse gezag van Herodes het tempeltje op basis van de in de bijbel genoemde maten van het origineel opnieuw ontworpen door een Arabische architect uit Nabatu. Petronius (39-42 na Chr.), de Romeinse gouverneur van Syrie, probeerde het gebouwtje verder aan te passen aan de moderne tijd door het met een standbeeld van de vergoddelijkte keizer Caligula wat op te fleuren. Zeven jaar na de uiteindelijke voltooiing van Herodes’ tempel bestormde de Romeinse veldheer Titus de stad en ging deze laatste joodse tempel in vlammen op.
In 130 na Chr. verrees onder Hadrianus een nieuwe tempel ter ere van de God Jupiter. En kwamen de joden onder aanvoering van Bar Kochba in opstand. Ze werden hiervoor zwaar gestraft. Het land heette toen Syria Palaestina (Land der Palestijnen). Keizer Hadrianus ontzegde joden elke aanspraak op Juda. Op de puinhopen van Jeruzalem verrees een geheel nieuwe stad, Aelia Capitolina. De in Palestina geboren Philipus Arabus (204-249), de derde Arabier die keizer van Rome werd, liet Jeruzalem voor wat het was. De zoon van een sjeik had het veel te druk met het organiseren van de feesten voor het duizendjarig bestaan van 'zijn’ Rome.
In Jeruzalem wisselde de macht tijdelijk toen in 260 de Arabische Zenobia in opstand kwam tegen de Romeinen. Zenobia riep zichzelf uit tot koningin van het Morgenland en dreef de Romeinse legioenen tot aan Ankara in het huidige Turkije terug, maar moest na tien jaar voor de Romeinse overmacht wijken. Keizer Aurelianus nam de titel 'Dominus et Deus’ ('Heer en God’) aan en voerde de Arabische koningin in gouden kettingen geboeid door Rome.
EVEN LEEK HET tot de bouw van een nieuwe joodse tempel te komen. In 363 riep de Romeinse keizer Julianus Apostata de joden op terug te keren naar Jeruzalem. De weinigen die hieraan gevolg gaven werden weer snel 'ongewenst’ verklaard, maar mochten onder Theodosius I (379-395), die het christendom tot staatsgodsdienst uitriep, een dag per jaar Jeruzalem betreden om, in overeenstemming met de voorspelling van Jezus (Matt. 24:2), te huilen bij de overeindgebleven muur van de verwoeste tempel.
Het waren de Arabieren die de stad uiteindelijk weer opbouwden, want pas onder sjeik Mudhir vestigden zich rond het jaar 580 weer enkele joden in de stad. Mudhir was afstammeling van de Ghazzani die vijf eeuwen eerder tijdens de Vijfde Semitische Uittocht uit Arabie van Jemen naar het noorden trokken en de elitecavalerie vormden van het Byzantijse leger dat tegen Perzie ten strijde trok. Hij werd door keizer Tiberius tot 'vorst van alle Arabische stammen’ gekroond. Toen de tweede kalief der islam, Omar ibn al-Khattab, in 637 Jeruzalem bezocht, begon hij eigenhandig de vuilnisbelt die het voormalig tempelplateau was geworden, op te ruimen. Kalief Omar beval de bouw van de Aqsamoskee en de Dom van de Rots. Joden stond destijds niets in de weg zich in Jeruzalem te vestigen. De geograaf Ya'kubi uit Khorasan noteerde in 891-892 dat Palestina een 'omvangrijke Arabische bevolking heeft’ en dat een deel van de bewoners bestaat uit 'niet-moslims, christenen, joden en Samaritanen’.
IN 1071 VEROVERDE de Turk Atsiz ibn Abak Alp Arslan Jeruzalem zonder slag of stoot. Vierentwintig jaar later predikte paus Urbanus II op het concilie van Clermont de kruistocht. Hij riep elke christen op om het 'Heilig Land van de Turken te bevrijden’. Een jaar later vertrok de Eerste Kruistocht. Op 14 juli 1099 veroverden ze de stad stormenderhand en was het doel van de kruistocht bereikt. De verovering ontaardde in een gigantisch bloedbad en uitroeiing van alle moslims en joden. Tien jaar later veroverde de Koerdische veldheer Saladin de stad en nam hij de koning van Jeruzalem, Guy de Lusignan, gevangen. Langzaam maar zeker kwamen er weer wat joden wonen in deze Palestijnse stad. In 1516 werd Palestina onder sultan Selim I (Yavuz sultan Selim) een provincie van het Osmaanse Rijk. Toen Selim op 30 december 1516 Jeruzalem binnentrok, werd hij door de inwoners met open armen verwelkomd.
DE JOODSE MINDERHEID woonde zonder verdere problemen tussen de islamitische en christelijke Palestijnen. Ondertussen werden in Europa de joden gedwongen hun lijf en leden te redden. Het eerste plan om een joods thuisland te creeren stamt al uit 1566, toen de uit Portugal gevluchte Joseph Nasi, in het Osmaanse Rijk opgeklommen tot minister van Financien, aan zijn zojuist sultan geworden vriend Selim II voorstelde Cyprus te veroveren en dit eiland voor de joden te bestemmen.
In 1852 eiste de arts Leo Plinsker uit Odessa in zijn geschrift Auto-emanzipation een thuisland voor de in Rusland door pogroms bedreigde joden. Plinsker sloot zich aan bij de vereniging van Zionvrienden (Chowewe Zion), die streefde naar een joodse kolonisering van Palestina. In 1860 vestigden zich de eerste Russen buiten de stadsmuren van Jeruzalem, een gebied dat tot op de huidige dag bekend staat als 'Russian Compound’.
Op 19 maart 1877 kwam het eerste Osmaanse parlement bijeen, waarin Palestijns- Arabische afgevaardigden zitting hadden. Dat wat later het Britse mandaatgebied Palestina zou worden, werd verdeeld in drie administratieve eenheden: het sanjak (district) Jeruzalem, dat de zuidelijke helft van het land besloeg, en twee noordelijke sanjaks: Akko en Nabloes. De twee noordelijke districten waren administratief ondergebracht bij de provincie Beiroet. Het belang van de Heilige Stad Jeruzalem bleek uit het feit dat de stad direct door de kalief-sultan vanuit Istanbul werd geregeerd.
In deze tijd telden de drie Palestijnse sanjaks zo'n 540.000 moslim-Palestijnen, 60.000 christen-Palestijnen en al 25.000 joodse inwoners. Sultan Abdulhamid II drukte in 1891 de angst uit dat het verlenen van de Osmaanse nationaliteit aan joodse immigranten uit Europa en Amerika in Palestina 'tot gevolg zou kunnen hebben dat er een joodse regering in Jeruzalem komt’. Hij kantte zich tegen de voorstellen van Theodor Herzl om Palestina aan de joden te schenken: 'Ik kan geen enkel deel van het rijk weggeven. Het land is niet van mij maar van de mensen die het bewonen. Ik zal niet toestemmen in vivisectie.’
'IN GODS NAAM, laat Palestina met rust’, schreef de burgemeester van Jeruzalem, Yusuf al-Khalidi in 1899 aan de hoofdrabbijn van Frankrijk, Zadok Kahn. 'Palestina is net in staat haar Palestijnse bevolking te voeden, westerse zionisten moeten een andere plaats zoeken voor de realisering van hun politieke doel.’ De Franse opperrabbijn liet de brief aan Herzl lezen, die op 19 maart 1899 vanuit de Weense Carl Ludwigstraat een brief naar de Palestijnse burgemeester van Jeruzalem stuurde. Herzl verzekerde al-Khalidi dat, indien de zionisten niet welkom waren in Palestina, ze elders zouden zoeken naar een thuisland: 'We zullen zoeken en, geloof me, elders zullen we vinden wat we nodig hebben’.
Zoals bekend wilde de geschiedenis anders. Sindsdien hebben de Israeli’s er een gebruik van gemaakt om het Palestijnse element in de geschiedenis van Jeruzalem en omstreken dood te zwijgen. Met de 'herbouw’ van het joodse gedeelte van Jeruzalem, dat eigenlijk vooral oogt als een filiaal van Club Med, probeert men nu het Palestijnse deel te overvleugelen.
D. reageerde boos toen ik me kritisch uitliet over deze nieuwbouw. 'Hadden jullie maar niet alles moeten verwoesten’, riep ze. We lieten de vredesgids voor de stad nog maar even rusten. De Palestijnse gedeelten waren sowieso veel te gevaarlijk voor de gemiddelde Hollandse Heilige Land-toerist.