FORMER WEST

Naar de horizon

In het kader van FORMER WEST onderzoekt het Utrechtse BAK nieuwe ideologische horizonten voor kunst én maatschappij. Een congres in Istanbul had met kunst en de wereld weinig te maken.

HET TWEEDE FORMER WEST Research Congress, want zo heette het, werd georganiseerd door BAK, Basis voor Aktuele Kunst, uit Utrecht in samenwerking met een dozijn andere kunstinstellingen in Europa en daarbuiten. Het duurde drie dagen. Het vond plaats in het gebouw van de Technische Universiteit Istanbul, ooit de zetel van de geneeskundige dienst van het Ottomaanse leger, een zachtroze paleis met prachtige hoge gangen en een soezende binnenplaats. Ruimte voor drieduizend studenten, veel sigaretten, veel kopjes thee.
Waarom vindt zo'n congres in ’s hemelsnaam plaats in Istanbul? Domme vraag. FORMER WEST houdt ons voor dat na de val van de Muur in 1989 ‘het Oostblok’ weliswaar van de kaart verdwenen is, maar dat daarmee de hegemonie van 'het Westen’ net zo goed ter discussie staat. De oude tegenstelling is opgelost; wij westerlingen pretenderen niet meer dat wij de navel van de wereld zijn, en Istanbul is dan de vanzelfsprekende locus voor zo'n internationale ontmoeting. Wij verlaten deemoedig ons oude bolwerk en strijken neer bij de Gouden Hoorn. Waar Oost West ontmoet, enzovoort, en waar het lekker weer is.
Het congres voer onder de vlag 'On Horizons: Art and Political Imagination’ en onderzocht 'de theoretische notie van de horizon in relatie tot contemporaine artistieke productie en politieke verbeeldingen’. Aan horizons is behoefte, kennelijk. De sterfilosoof Slavoj i-ek schreef niet zo lang geleden dat radicale veranderingen in onze tijd onmogelijk zijn geworden: 'It’s easier to imagine the end of the world than the end of capitalism.’ Daarin ligt de stelling van FORMER WEST. Sinds 1989 is het enige ideologische systeem dat met de 'kapitalistische democratie’ kon concurreren, het communisme, verdwenen. Er is geen ander overkoepelend project meer, en dus ontbreekt het de wereld aan oppositie tegen de dominantie van het vrijemarktkapitalisme. De Amerikaanse hegemonie is misschien enigszins in verval, maar wat er aan alternatieven daagt is al even onappetijtelijk: het Autoritair-Kapitalisme van Rusland, de Chinese Nationaal-Economische Dictatuur, de Religieuze Zinsbegoocheling van Iran. Zijn er nog utopische projecten denkbaar? Zou het communisme wellicht…? Zou Hugo Chávez…?
BAK is een klein centrum in Utrecht, dat - in de woorden van de directeur, Maria Hlavajova - het discours over actuele kunst wil stimuleren door zich te wijden aan intellectuele analyse. 'Mocht de realiteit niet voorzien in voldoende visie op de toekomst, dan zal BAK ernaar streven om mentale ruimte te creëren voor onderzoek naar het potentieel van kunst om de wereld anders voor te stellen dan zij is.’ Dat is ambitieus. De line-up van het congres is dan ook indrukwekkend en het gehalte is hoog. Direct na de koffie moet de toehoorder al alle zeilen bijzetten om een diepgravende analyse van het horizonbegrip bij Husserl, Heidegger en Koselleck te kunnen volgen. Al gauw raakt elke connectie met de kunst uit het zicht.

DIT VERDIENT enige uitleg. De critica Anna Tilroe heeft onlangs in haar pamflet De ja-sprong - waarvan een deel in dit blad werd gepubliceerd - vaardig de staf gebroken over de opkomst van 'het discursieve’ in de kunstpraktijk. De sterke groei van de theorie rond kunst, kunstwerken en tentoonstellingen verlamt de musea, verbijstert de bezoeker en heeft de criticus in medeplichtigheid verstrikt, zegt zij. De rondreizende curator regeert; de kunstenaar wordt voorgehouden - Tilroe citeert de Belgische filosoof Verschaffel - dat hij werk moet maken dat 'relevantie [heeft] binnen een geïnstitutionaliseerde en discursieve context’. De rijstebrijberg aan teksten die dat oplevert wordt door niemand gelezen, zegt Tilroe: het enige wat telt is 'dat ze het kunstwerk presenteren als een spiegelbol van artistieke en theoretische reflecties (…)’.
De opkomst van die liefde voor theorie was onvermijdelijk, en ook wel nodig. In de kunstwereld was de oude, vanzelfsprekende manier van presenteren door een eigenwijze onafhankelijke museumdirecteur, met een persoonlijk model van een recente kunstgeschiedenis opgehangen aan een aantal geprivilegieerde kunstenaars, achterhaald. Daaruit volgt dat hedendaagse tentoonstellingsmakers, instituten en curatoren zich grondig moeten bezinnen op hun rol. Dat is een nobele opdracht gezien de koortsachtige ontwikkeling van de kunstmarkt, waarin de commercie volstrekt dominant is en de cultus van het entertainment, de veiling, de blockbuster-tentoonstelling en biënnale elke inhoud, reflectie en kwaliteit geheel overstemt.
De kunstwerken zelf zijn ondertussen almaar complexer en ongrijpbaarder geworden en hun presentaties moeten steeds beter worden onderbouwd. Het 'kunstwerk’ moet door de 'bemiddelaar’ - de curator, de criticus - worden vertaald naar 'informatie over een kunstwerk’, liefst in een neutraal idioom. In de praktijk kan die vertaling gemakkelijk belangrijker worden dan het werk zelf. Een tentoonstelling toont dan wat in het talige discours al was uiteengezet. Het kunstwerk wordt eigenlijk overbodig. Waarmee die discursieve kunstpraktijk zich nogal in een hoek geschilderd heeft. Als de theorie dominant is, waarom zou je nog gaan kijken?
Dan is er nog iets. Het op zich integere onderzoek naar de zin en de onzin van de rol van kunst in de publieke ruimte leidt tot fundamentele kritiek op - of zelfs destabilisering van - het systeem van het tonen van contemporaine kunst, maar dat gebeurt wel binnen de veilige muren van een gesubsidieerd instituut, zoals BAK, Witte de With, De Appel of De Paviljoens. Er zijn in Nederland tien van dit soort presentatie-instellingen. Zij timmeren aan de weg, publiceren, confereren.

IN INSTANBUL verzandde de conferentie in gemuggezift over de terminologie. Was 'horizon’ eigenlijk wel een bruikbaar woord? Nee, zei Peter Osborne, filosoof te Londen, het lijkt een aantrekkelijk begrip, want een horizon is een vergezicht en niet een grens, maar de horizon komt per definitie nooit dichterbij, dus als beeld van een politieke dimensie is het eigenlijk heel somber. Meer een gevangenis dan een hanteerbare optie. De Kroatische filosoof Boris Buden hanteerde 'horizon’ liever in verband met 'azimut’, begrippen die hij kende omdat hij ooit in het Joegoslavisch Volksleger als artillerist had gediend. De Oostenrijkse filmmaakster en schrijfster Hito Steyerl zag 'horizon’ vooral als ruimtelijk begrip, wat een vergissing was, volgens Osborne, men diende te spreken over 'horizonaal’, niet 'horizontaal’. Wat weer jammer was voor Fulya Erdemci, de directeur van SKOR, die 'horizontaal’ nou juist zag als 'een opvatting over democratie en sociale gelijkheid’. Daarna zei de Deense curator-criticus Simon Sheikh liever te spreken over 'vectoren’ en de Indiase Shuddhabrata Sengupta (Raqs Media Collective, Delhi) bracht te berde dat hoewel de horizon inderdaad niet echt bestaat piloten hem wel degelijk gebruiken bij het opstijgen en landen. Ook wist hij dat de veertiende-eeuwse Ottomaanse Sultan Orhan zichzelf 'Heer der Horizonten’ had genoemd. Ik ben misschien een beetje flauw - sommige sprekers waren heus welbespraakt - maar ik overdrijf niet: het leidde allemaal tot niets.
Het communisme, dan? De Amerikaanse Jodi Dean (docent politieke wetenschappen te Geneva, New York en redacteur van het International Journal of i-ek Studies) betoogde met gloed dat de neoliberale fantasie van democratie alleen bestaat bij de gratie van die discutabele overwinning op het communisme. De vergissing van de liberale democratie, zei Dean, is te denken dat die communistische horizon werkelijk verdwenen is - immers, de ongelijkheid in de wereld is nooit zo groot geweest, en de liberale democratie noch de sociaal-democratie kan daartegen iets uitrichten. Sinds de val van de Muur, de teloorgang van de Sovjet-Unie en het zestiende Congres van de Chinese Communistische Partij in 2002 - waarbij het kapitalisme werd omarmd - is het communisme bevrijd van de tijdelijke verschijningsvorm, die zo lelijk was (met die kampen en die hongersnoden). Het is terug bij wat het in 1848 was: een spook dat door de wereld waart en de gevestigde structuren de stuipen op het lijf jaagt. Alsof je op zolder een oude mitrailleur vindt, die nog in goede staat is. En een boek met strijdliederen. Ontwaakt, verworpenen, et cetera.
Een krachtig en rechtlijnig betoog. Anna Tilroe schrijft in De ja-sprong dat zij vaker bij zulke congressen en debatten aanwezig was, waar het ging over ’…globalisme, nationalisme, immigratie, neokapitalisme, het communistische verleden, en zo meer. (…) Zijn er inderdaad nieuwe perspectieven, hoe pril ook, uit voortgekomen? Zo ja, hoe zouden “ons soort mensen” daar dan op door kunnen gaan?’ Vergelijkbare vragen kwamen bij FORMER WEST naar voren. Kan er oppositie worden verwacht uit het domein van de kunsten? Draagt de hedendaagse kunst inderdaad suggesties van 'het mogelijke’ in zich? Kan de kunstenaar er nog naar streven de 'verwachtingshorizon’ te doorbreken?
Geen van de sprekers had daarop een antwoord. Drie dagen zoeken naar nieuwe horizonten leidde niet tot een manifest of een programma of een handleiding of zelfs maar een uitspraak. Misschien hoefde dat niet; de organisatoren kunnen aanvoeren dat dit pas de tweede bijeenkomst was, dat het een 'research congress’ was, en dat een eindproduct in de vorm van een tentoonstelling in Berlijn of Utrecht pas voor 2013 op de agenda staat. Dat lijkt ver, maar dat is het niet. Afgaande op het discours kon ik mij in de verste verte niet voorstellen wat daar te zien zal zijn. Neocommunistische kunst?
Op de binnenplaats van de universiteit maakte ik een praatje met Sarkan, een student 'city-planning’ met een allervriendelijkste oogopslag en een onrustig baardje, waarin rode haren te zien waren. Hij haalde een kopje thee. Hij informeerde naar mijn politieke overtuiging. Ik deed vaag. Sarkan niet: 'I’m a communist. The Turkish Communist Party work to make people happy. Then the revolution come.’ 'Tsjonge’, zei ik. 'Wat voor soort communist ben je?’
'I’m a stalinist’, zei hij monter.
'Dat hoor je niet vaak’, zei ik. 'Stalin, dan heb je het over zestig miljoen doden, beste Sarkan.’
'No, all that is a lie.’ Hij wist het zeker. 'Stalin made Russians happy. Really happy.’

www.formerwest.org bevat een groeiende biblio- en videotheek aan teksten, interviews en gesprekken; ook de Istanbulse lezingen zullen daar beschikbaar komen. Anna Tilroe, De ja-sprong: Naar een nieuwe vitaliteit in de kunst. Querido, 48 blz., € 9,95