Zomerschrijvers: De meeuwen van Texel

Naar de kolonie

Meeuwen zouden een persoonlijkheid hebben, een bewustzijn zelfs, zij het een kleintje. Waarom volgen ze dan blindelings de roeper? En waarom overwinteren ze telkens op dezelfde plek? Ach, mensen gaan toch ook jaren achter elkaar elke zomer naar hetzelfde vakantieadres.

Medium zomerschrijvers koubaa

‘It is quite a thrill to discover that the birds you are studying are not simply specimens of the species Larus argentatus but that they are personal acquaintances… individuals that you know personally. Somehow, you feel, you are at home, you are taking part in their lives, and their adventure becomes part of your own life.’

Niko Tinbergen, The Herring Gull’s World

Ze zijn met te veel, ze lijken allemaal op elkaar, ze maken vreselijk kabaal, zijn agressief, lui en vreten de hele dag door… meeuwen. Wereldwijd zijn er heel wat soorten en families te ­onderscheiden, en daar hoort de zeemeeuw niet bij, want die bestaat officieel niet. Uit de losse pols een paar die wel bestaan: de zilvermeeuw, de kokmeeuw, de grote burgemeester, de ­zwartkopmeeuw, de drieteenmeeuw, de dwergmeeuw, de stormmeeuw en de kleine mantelmeeuw. In het voorjaar zijn er zo’n 25.000 van die kleine mantelmeeuwen op Texel neer­gestreken: een nieuwe lente, een verschrikkelijk geluid!

Nationaal Park Duinen van Texel is een microkosmos van natte duinvalleien tussen droge duinen, heidevelden, bossen, meertjes, kwelders en een uitgestrekte strandvlakte. De grootste meeuwenkolonie vind je in De Geul, waar zilvermeeuwen en vooral kleine mantelmeeuwen in het voorjaar hun nest bouwen. Dat doen ze meestal op dezelfde plek als het jaar ervoor, wat niet wil zeggen dat er niet gewedijverd wordt, niet om vrouwtjes, maar om territorium. In een kolonie is dat de zone rond het nest. Als iedere meeuw uiteindelijk gesetteld is, vertoont zo’n kolonie een sterk ontwikkelde sociale structuur waarbinnen de meeuwen aardig kunnen communiceren en bijvoorbeeld mekaar zitten op te naaien om indringers weg te houden; defensief pestgedrag in het jargon. Anderzijds zijn er vreemde vogels die van de agressie van een kolonie profiteren en hun eieren tussen de meeuwen leggen zonder lastiggevallen te worden. Maar er wordt niet alleen samengewerkt en gedoogd, er wordt ook gedreigd: de Poolse zwarte ooievaar kan er maar beter zijn kop niet laten zien, ook een loslopende hond of een wandelaar kan commotie veroorzaken. Zelf heb ik aan den lijve ervaren hoe ze met hele drommen boven mijn hoofd begonnen te krijsen toen ik een gespikkeld eitje uit een nest van losgetrokken gras nam.

met ons gezin overzomeren we al een zestal jaar in Barcelona. Iedere vakantie vliegen mijn vrouw, de kinderen en ik naar hetzelfde appartement in de buurt van het Picasso Museum, naar dezelfde plek zoals de meeuwen in de kolonie op Texel. Uit ervaring vermijden we het strand in het weekend, omdat je er dan op de koppen kan lopen. Maar twee jaar geleden waren we op een zaterdag geland en besloten we de volgende dag toch een frisse duik te nemen. Nadat we na veel gedoe ons plekje hadden afgebakend met handdoeken en de visnetten van de kinderen trok mijn vrouw een pak gerookte zalm open voor een late lunch en werden we aangevallen door een enorme zilvermeeuw; rondom ons brak lichte paniek uit… Hitchcock was niet ver weg. De meeuw had een indrukwekkende vleugelspanwijdte en bleef toeslaan zelfs nadat mijn vrouw de zalm terug in de tas had gestopt. Een getatoeëerde Catalaan vertelde ons van onder een parasol dat de kinderen in de buurtschool sinds een paar jaar binnen moeten eten, dat de ­meeuwen er anders met de broodjes vandoor gaan. Was de zilvermeeuw een dief, of ging hij ervan uit dat mijn vrouw hem de zalm aanreikte? Ik weet het niet, maar we hebben die zondag geen zandkasteel gebouwd en zijn meteen na de aanval wat beduusd naar ons appartement terug­gekeerd. Zitten er te weinig vissen en schelpdieren in de Middellandse Zee, vroeg ik me onder de douche af, of ziet die zalm er gewoon beter uit? ‘Misschien zijn er te veel meeuwen’, zei mijn vrouw… zelfs hier in mijn kamer met uitzicht op het Gentse Astridpark glijden ze voorbij mijn raam terwijl ik over ze schrijf. Ik hoor ze boven mijn dak roepen en lachen: ‘Waarom zouden we vissen, jouw zalm is mijn zalm!’ Wat moeten die meeuwen eigenlijk in een stad, honderden kilometers van de kolonie vandaan? Wat moeten ze in Amsterdam bij de Vlaamse Frites? Fourageren natuurlijk, voedsel zoeken voor hun jongen en zichzelf. Je kunt het overleven noemen of empathie, een eigenschap waarmee elk levend wezen dat voor zijn jongen zorgt is uitgerust.

Als meeuwenkuikens honger hebben, ­pikken ze naar de rode vlek op de gele snavel van hun ouders, die zo gestimuleerd worden om voedsel uit te braken. Tijdens een bekend experiment van gedragsbioloog Niko Tinbergen werd ­vastgesteld dat de kuikens veel intenser reageerden op een stokje met drie rode strepen; een abstracte en versterkte versie van de rode stip op de meeuwenbek. De ­neurowetenschapper Vilayanur Ramachandran zegt daarover het volgende: ‘Als meeuwen kunstgalerijen ­hadden, dan zouden ze het abstracte patroon met de drie rode strepen aan de muur hangen, het aanbidden, er miljoenen dollars voor betalen, het misschien zelfs Picasso noemen, maar niet begrijpen waarom – het vreemde patroon lijkt immers nergens op. Ik zou willen stellen dat hetzelfde opgaat voor de niet-realistische of semi-abstracte kunst waar mensen van genieten.’ Als je tijdens het broedseizoen een tocht door de meeuwenkolonie in De Geul maakt, neem je best een stok mee die je als een paraplu vasthoudt; de meeuwen kunnen aanvallen als je te dicht bij hun nest komt. Je kunt je afvragen, Tinbergen indachtig, wat het effect zou zijn als je met een rode stok in de kolonie zou rond­lopen nadat de eieren zijn uitgebroed. Op de ­overzetboot naar Texel las ik trouwens dat Carel ten Cate, hoogleraar gedragsbiologie in Leiden, in de lente van 2008 samen met een aantal studenten naar een zilvermeeuwenkolonie op Schiermonnikoog was getrokken voor een ­experiment dat Tinbergen had opgeschreven maar nooit had gedaan. Tinbergen had zich indertijd afgevraagd of het bedelen om voedsel van de kuikens instinctief was. Hij wilde achterhalen op welke prikkel de kuikens reageren. Om dat te onderzoeken werden modellen van meeuwenkoppen met rode, blauwe, gele, witte en zwarte stippen op de ­snavel gemaakt; er was zelfs een model met een rode stip op de kop in plaats van op de snavel. Na het experiment op Schiermonnikoog bleek inderdaad de snavel met de rode stip het meest aangepikt te zijn door de kuikens, precies zoals Tinbergen het vermoedde.

in den helder kun je tussen halfzeven ’s ochtends en halftien ’s avonds de veerboot naar Texel nemen. De eerste keer dat ik vanuit België met gummilaarzen, een camouflagejas en -broek en een verrekijker naar de kolonie in De Geul trok, zag ik pas in Den Helder meeuwen, die me gierend en lachend naast de boot verwelkomden. Zo herinner ik het me althans, het was in 1981 en er was een nieuw schip met twee autodekken. Toen ik een paar jaar geleden naar de kolonie terugging, zag en hoorde ik de hele weg meeuwen, van Gent tot in Den Helder. Opvallend was dat er in Den Helder een paar meeuwen de veerboot namen. Ze gingen op de balustrade zitten. Zonder te betalen.

Het roept vragen op over zo’n kolonie. Waarom waren in de jaren tachtig de zilvermeeuwen er in de meerderheid en nu hoofd­zakelijk de kleine mantelmeeuwen? Daar zal een overtuigend, darwinistisch antwoord op zijn, maar mij doet het denken aan iets wat me bezighield toen ik op het eiland naar een schaap stond te kijken: Is het Midden-Oosten de blijvende doorn in het oog van de geschiedenis? Nog voor de drie grote religies zijn ontstaan, ontwikkelde zich tussen Tigris en Eufraat de landbouw. En is de ellende niet goed begonnen nadat we ons zijn gaan settelen en aan landbouw en veeteelt zijn gaan doen? Het lijkt me in die context aannemelijker dat er boeren in plaats van ideeën naar ons zijn gekomen; God weet hoe, maar het zou voor een deel kunnen verklaren waarom er hier zoveel verschillende types rondlopen, en zeker dat ons systeem minder in evenwicht is dan dat van een meeuwenkolonie.

Een paar dagen voor ik de laatste keer naar Texel vertrok had ik op het internet een slaapplaats en wat eetgelegenheden gezocht. Volgens een van de sites zou ik op woensdag in café De Kombuis in de haven van Oudeschild van een ouderwets borreluur en Nederlandse muziek kunnen genieten. Dat kon ik niet laten liggen, vooral omdat je er volgens de info ook op heuse zeeverhalen kon vergast worden. Je maakt hier soms een hele wereldreis, zo boeiend zijn vaak de verhalen die mensen vertellen over hun reizen op zee, aldus de site van dat kleine café aan de haven.

Zo’n zeeverhaal heb ik niet gehoord, maar een jonge Texelaar, die me het bier van het eiland leerde kennen, wist dat de aardappel veruit het belangrijkste gewas is dat in het wadden­gebied wordt geteeld. Die gaan dan naar de frietkramen in Amsterdam, kwam het in me op, worden terug naar hier gebracht door de kleine mantelmeeuwen, al vliegend of met de veerboot, om vervolgens uitgekotst te worden in de bek van hun kuikens die dan later de kleigrond bemesten; mooie boel.

Het was me opgevallen dat op sommige plekken aan zee heel veel meeuwen samentroepten en op andere plaatsen helemaal geen meeuw te zien of te horen was. ‘Omdat hier en daar strand verdwijnt wordt zand vanuit zee gepompt,’ wist de jonge Texelaar in café De Kombuis, ‘en in dat zand zitten vissen, krabben en schelpdieren, dus.’ Hij geloofde niet dat er meeuwen uit de kolonie in Amsterdam voedsel gingen zoeken voor hun jongen. ‘Op Texel valt genoeg te rapen. Wist je dat ze hier vroeger op zeehonden en bruinvissen jaagden en otters en bevers en meeuwen aten?’ Over verschillende types gesproken.

Een andere vraag die bij me opkwam toen ik ’s anderendaags weer tussen de meeuwen liep, was hoe vrij de keuze was van de meeuwen die ieder jaar opnieuw in De Geul komen broeden. Waarom vlogen ze niet een keer ergens anders heen? Hebben de zilvermeeuwen, die mij in de jaren tachtig bedreigden omdat ik een eitje uit een van hun nesten had genomen, uiteindelijk de stap gezet? Mijn vrouw en ik hebben dit jaar een maand Sicilië geboekt, niks Barcelona, leve de vrijheid! Hoewel: hoe zit het met die ­vrijheid als we weten dat onze bewuste ­beslissingen de uitkomst zijn van onbewuste processen ­waarover we geen ultieme controle hebben? En hoe vrij zijn onze meningen dan? We mogen misschien wel zingen zoals we gebekt zijn, het zijn niet wij die ons verhaal vertellen; het is ons verhaal dat vertelt wie wij zijn, toch?

Het is heel nobel van een meeuwenmoeder om driehonderd kilometer te vliegen voor een broodje kroket en een patatje mét voor haar jongen, maar meeuwen in de stad zorgen dikwijls voor overlast. En overlast zorgt op zijn beurt voor meningen met of zonder zuur. Zo liet de heer Van Der Horst naar aanleiding van een uitzending van Nederland van boven weten: Ik ben de meeuwen heel dankbaar. Vroeger slopen er hier altijd controleurs van de reinigings­politie langs de huizen om te zien of mensen hun vuilniszak niet vijf minuten te vroeg buiten zetten. De meeuwen hebben daar een eind aan gemaakt. Zij kenden het schema van de vuilnisophaaldienst precies en pikten een half uur voor de vuilniswagen alle vuilniszakken open om er het nodige van hun gading uit te halen. Nu hebben we ondergrondse vuilcontainers en kunnen we een volle vuilniszak meteen kwijt. Leve de meeuw! King Benzai gooit het over een andere boeg: In een wijk hier bij mij in de buurt, DAAR woont pas een overlastgevende kolonie vreemde vogels en xp joffer vindt meeuwen maar nare beesten en wil ze het liefste afschieten; misschien willen sommige mensen ze eten dan gooien we ook niks weg, voegt hij er aan toe. Ik word er willens nillens naar de kolonie door teruggeslingerd waar krijsende en schreeuwende meeuwen rakelings over mijn hoofd scheren; weer Hitchcock en daarna Churchill die beweerde dat het beste argument tegen democratie een gesprek van vijf minuten met een gemiddelde stem­gerechtigde is. Het is als met de zilvermeeuwen en de kleine mantelmeeuwen in De Geul: Hitchcock en Churchill, anders, maar ze lijken op elkaar. Een beetje toch.

Meeuwenoverlast dus. Het is een ­wezenlijk probleem, volgens sommige stemmen de schuld van allochtone broodgooiers, volgens anderen jaagt gaswinning rond de eilanden de meeuwen weg en nog anderen steken het op de over­bevissing van garnalen en schelpdieren. Feit is: er zitten niet alleen meeuwen in de ­kolonie. Om het probleem van overlast rond een afval­verwerkingsbedrijf aan te pakken bedacht valkenier Robert Musters een robot van een slechtvalk die kan ingezet worden om meeuwen op grote afstand naar een alternatieve locatie te sturen. Dat krijgt hij met echte valken nooit voor elkaar. Hoe kan ik de meeuwen iets anders laten kiezen? Die vraag stelde Musters zich en hij bedacht de robotroofvogel. En hij werkt niet alleen rond het afvalverwerkingsbedrijf; er werd een gelijkaardige robotvogel ingezet op ­Schiphol. Een beter alternatief dan ­rondrijdende autootjes met luidsprekers waaruit angstkreten weerklinken als je het mij vraagt.

Een kolonie meeuwen kan snel bedreigingen signaleren waardoor individuen minder waakzaam moeten zijn en meer tijd aan eten en broedzorg kunnen besteden. Als er zich dan zo’n zwarte ooievaar laat zien terwijl de meeste aan het eten of het broeden zijn en een meeuw roept dat er onheil in de lucht hangt, is dat voor de rest voldoende om hem te geloven en te volgen. Vraag blijft waarom zoveel meeuwen het verhaal van een goedgebekte meeuw pikken. Als Tinbergen beweert dat de meeuwen een persoonlijkheid hebben, waarom volgen ze dan blindelings de roeper? Omdat hij hun angst­centrum in de hersenen bespeelt? Omdat de goedgebekte meeuw groot is en zijn voorkomen hun aanstaat, of omdat het in hun genen zit? Misschien staat het antwoord in Niko Tinbergens The Herring Gull’s World, a Study of the Social Behaviour of Birds uit 1953. Zelf geloof ik, na verschillende bezoeken aan de kolonie, dat de meeuw een bewustzijn heeft, een kleintje, dat wel, maar ik ben ervan overtuigd dat hij zich een voorstelling van zijn omgeving kan maken, niet zo gedetailleerd als wij dat kunnen, maar toch.

Trouwens, nog zoiets. Ik heb een keer een jonge meeuw een andere jonge meeuw, die een krabbetje had gevangen, zien achterna­zitten. Hij bleef hem opjagen tot het krabbetje op de grond viel. Nu gaat die jager dat krabbetje opeten, denk je dan, maar nee, hij bleef de andere ­achtervolgen. En lachen dat ze deden terwijl een derde er met het krabbetje vandoor ging.

Ik heb het eiland alleen bezocht als de kolonie bewoond was en wilde weten hoe ze na het broedseizoen eruitziet. Erik van der Spek, boswachter Staatsbosbeheer Texel, mailde me: Alle meeuwen verlaten eind juni de kolonie en blijven grotendeels in de buurt of elders in het land, enkelen zwerven wat verder in Europa langs de kust. Na het broedseizoen ziet de kolonie er platgetrapt en ondergescheten uit, dat herstelt zich geleidelijk. Wanneer de meeuwen terug­komen zijn er niet veel sporen meer te zien. Maar de meeuwen komen dus terug, al wandelen de wadden langzaam maar zeker naar het vasteland.


Zomerschrijvers 3

Zes jonge schrijvers trokken op verzoek van De Groene Amsterdammer het land in. We vroegen ze geen verhaal, maar een literaire reportage die inzicht geeft in het Nederland van nu. Deze week Bart Koubaa, die onder meer de romans Lucht (2005), Het gebied van Nevski (2007) en De leraar (2009) publiceerde. De komende weken volgen Ivo Victoria, Philip Huff en Franca Treur.


Beeld: Chris Pennarts / HH