KUNST: Turcksche boucken

Naar de Kyptsjaken!

De Bremer student Levinus Warner (ca. 1618-1665) schreef zich in mei 1638 in aan de Universiteit te Leiden om er oosterse talen te studeren. Warner leerde er Arabisch en Hebreeuws en nog ’t een en ander. In 1642 publiceerde hij al in het Arabisch bij Blaeu in Amsterdam, en een jaar later liet hij een omstreden werkje over de positie van Jezus in de islam verschijnen.

In 1644 reisde hij op eigen houtje naar Istanbul. Hij bleef er twintig jaar. In 1655 kreeg hij de hoge (en lucratieve) diplomatieke post van gezant van de Staten Generaal bij de Divan, maar daar was het hem niet om te doen: het ging Warner om het avontuur, de talen, de religies en de bijzondere boeken. Omdat het Ottomaanse Rijk nogal onrustige jaren kende kwamen er veel bibliotheken op de markt, maar dat was dan wel de markt van Aleppo, bijvoorbeeld. Daar wilde hij bij zijn.

Het Haagse museum Meermanno – wat een voortreffelijk museum is – toont een overzicht van de enorme bibliotheek die Warner in Istanbul bijeenbracht – meer dan negenhonderd handschriften in het Arabisch, Perzisch en Turks – en na zijn dood aan zijn alma mater naliet. Het is een fascinerende tentoonstelling, ogenschijnlijk heel bescheiden, want bestaand uit boeken, prenten en documenten en niet uit paarlen, robijnen, tapijten, wapenrustingen en andere toestanden. De importantie van de getoonde voorwerpen waaiert echter wijd uit. Het meest frappante is wel het gevoel voor avontuur dat erin besloten ligt; de boeken zijn ontmoetingen met een onbekende wereld. Er ligt bijvoorbeeld een klein drukwerkje uit 1618 dat Warner op de heenweg in L’viv kocht. Het is bedoeld voor Armeense christenen en geschreven in Kyptsjaken-Turks (ach, wie spreekt dat niet?). Het is het oudste boekje in die taal. Er ligt ook een vuistdik handschrift van de Karaïtische gemeenschap in Istanbul. De Karaïeten waren (en zijn) een joodse sekte uit de achtste eeuw die de talmoed afwijst en stelt dat de bestudering en interpretatie van de tenach door elke jood persoonlijk naar eigen inzicht kan worden gedaan, een visie die Warner als protestant bijzonder interesseerde.

Zo is dit dus eigenlijk ook een heel grote tentoonstelling, die raakt aan de formidabele positie van de Universiteit Leiden in de zeventiende eeuw, aan de onbekende religieuze diversiteit in het Ottomaanse Rijk, aan de handel in angora-garen, dat in Nederland tot Turks laken werd geweven, aan de fijnere aspecten van Ottomaanse en Perzische boekproductie, met gestempelde en goudbeschilderde banden, gemarmerd papier, enzovoort.

Het moet gezegd dat de toon nogal wetenschappelijk is en dat zonder de catalogus niet alles van het getoonde even makkelijk te begrijpen is. Ook blijft Warners leven in Istanbul grotendeels onzichtbaar, wat jammer is; van het verblijf van gezant Cornelis Haga in het prettige paleisje dat nu nog het Nederlandse consulaat is, is meer beeldmateriaal. Zo blijft Warner een schim, slechts te kennen uit zijn bibliotheek én uit zijn prachtige handschrift, dat te zien is in een volmaakt heldere brief uit 1645.

Turcksche boucken: De oosterse verzameling van Levinus Warner, diplomaat in zeventiende-eeuws Istanbul. Museum Meermanno / Huis van het boek, Den Haag, t/m 3 maart