Ger Groot

Naar de letter

«Dat poëzie religie kan zijn en dat mijn geloof christelijk is, dat zijn mijn twee voornaamste gedachten sinds ongeveer zeven jaar», schrijft Willem Jan Otten in zijn zojuist verschenen Zomerdagboek, opgetekend in de maanden juni tot en met september van het vorige jaar (uitg. De Prom). Het gaat daarin over van alles, dat samenkomt in de verbazing over één feit: Ottens eigen godsgeloof.

Bekeerd, gedoopt en belijdend katholiek, kwam hij niet alleen in aanvaring met atheïs tische intellectuelen maar ook met christelijke theologen. Beiden verweten hem zijn kolenbrandersgeloof dat het credo nog altijd letterlijk wil nemen. Alleen trekken de laatsten daar voor de houdbaarheid van de christelijke traditie net iets andere conclusies uit dan de eersten. Het christelijk geloof mag van hen blijven bestaan, maar moet daarvoor wel worden gemetaforiseerd.

Dat wil zeggen: er moet kunst en literatuur van worden gemaakt. Dat Jezus Christus Gods zoon is, maakt hem tot een voorbeeldige mens, niet langer tot God zelf. In de godsdienst weerspiegelt zich het mensenlot, maar het is — zo merkt Otten op — niet Gods drama meer. De bijbel wordt een sublieme vertelling die om interpretatie vraagt en de moderne gelovige raakt bij het luisteren naar de Matthäus Passion om dezelfde reden geroerd als de overtuigde atheïst.

Ottens moed is indrukwekkend en voor hemzelf waarschijnlijk onontkoombaar.

«Wie ben je als je je reputatie niet over hebt voor wat je wil schrijven?» tekent hij op 11 juni in zijn dagboek aan, als een tweede Luther voor het tribunaal. Geraakt door het wonder van zijn eigen geloof, erkent hij allereerst dáárvan de evidentie, zoals — schrijft hij — voor wie zojuist vader geworden is ook het vaderschap ontwijfelbaarder is geworden. Dit is, vanaf dat moment, de eerste waarheid — ook al is er nog zoveel dat daartegen pleit.

Ik zou wensen dat het niet zo was, maar vrees dat Otten gelijk heeft. Geloof kan alleen maar bestaan als het zichzelf — al was het maar in allerlaatste instantie — letterlijk neemt. Dat brengt niet alleen de moderne theoloog in moeilijkheden, maar ook de dichter Willem Jan Otten, die schrijft dat poëzie religie kan zijn.

Want poëzie leeft bij het vermogen dat gene te zeggen wat woorden niet weten uit te drukken. Ze is de triomf van de metafoor en de hyperbool. Als ze gelooft, dan is het in een taal die meer betekent dan ze aanwijst. In haar pogingen de werkelijkheid zo scherp mogelijk te treffen, weet ze dat haar dat alleen maar langs omwegen gelukt.

Daaruit spreekt een wantrouwen jegens de taal, die de afgelopen eeuwen een probleem is geworden, niet alleen voor de poëzie maar ook voor de romankunst. Wie, zoals W.F. Hermans, geen mus betekenisloos dood van het dak wil laten vallen, maakt van zijn boeken onherroepelijk een allegorie.

Net als de filosofie, die met haar linguistic turn alle vraagstukken tot taal-vraagstukken heeft gemaakt, is de literatuur gaan twijfelen aan haar vermogen de wereld af te beelden. Vanaf dat moment bestond haar kunst in de vervolmaking van een spreken-alsof. De Recherche van Proust, toonzetter van de twintigste-eeuwse roman, leest als één lange oefening in homerische vergelijkingen.

Zo is de letterlijkheid aan twee kanten de natuurlijke taal uitgevlucht. De wetenschap, die de taak kreeg te beschrijven wat gegeven is, zag zich aangewezen op de kunststaal van de mathematica. En de literatuur, die de beleving van dat gegevene onder haar hoede kreeg, moest zich bevrijden van haar bedrieglijkheid door haar op haar beurt bedrieglijk te gebruiken — en zo alsnog de waarheid te verschalken.

Zelfs Willem Jan Otten ontkomt niet aan die wet, wanneer hij in zijn zojuist verschenen dichtbundel Op de hoge (uitg. Van Oorschot) zijn eigen geloofservaring beschrijft als die van een paling die de fuik inzwemt. «De laatste kamer zal de wijdste zijn,/ wijder dan het hele meer waar hij in hangt», zo eindigt het, even prachtig als paradoxaal.

Dat gedicht, Palingcredo, is onbeschaamd een geloofsgedicht, maar het Romeinse credo is het niet en de letterlijkheid is ver te zoeken. In zijn zomerdagboek had Otten de ongerijmdheid van zijn «twee voornaamste gedachten» al voorvoeld. Elk van beide is onbetwijfelbaar, maar — zo schrijft hij — «hoe krijg ik ze bij elkaar?»