Naar de ratsmodee

Auke Hulst, Kinderen van het ruige land, € 19,95
Auke Hulst, Kinderen van het ruige land, € 12,99 (e-book)

Tot nu toe heeft het werk van Auke Hulst steeds de pech gehad door mij te worden besproken. Zijn eerste roman Jij en ik en alles daartussen (2006) ontlokte me de volgende zin: ‘De schrijver abstraheert oeverloos over grote gevoelens en blijft op het aambeeld slaan van het overdreven narcisme van zijn held.’ Bij het volgende boek, Wolfskleren (2009), viel hij weer in mijn klauwen en was het opnieuw raak: ‘Het is allemaal te veel, hij wil én de Japanse cultuur introduceren én de huidige popscene, én ideeën ventileren over van alles en nog wat.’ Hulst trok zich van deze zure opmerkingen niets aan (ze luisteren ook nooit naar mij) en opnieuw schreef hij een boek waarvan je het gevoel krijgt dat de hele wereld erin opgesloten ligt. Vooral de ziel en zaligheid van de schrijver. En hoe je het wendt of keert, dat is natuurlijk precies de bedoeling als je schrijver van literatuur wilt zijn: je niets aantrekken van wat benepen en betweterige recensenten over je boek beweren maar gewoon alles uit je eigen kast halen en ervoor gaan. Ik buig mijn hoofd in deemoed en bewondering. Al zou ik ook over dit boek een potje kunnen zeuren over de opgewonden grote woorden die op gezette tijden opborrelen, over de uitleg van de bedoelingen die je er soms bijgeleverd krijgt, over het bekende clichébeeld van leraren en schoolmeesters (het zijn vrijwel allemaal eikels) en over het beeld van de romantische buitenstaander dat in deze roman nog maar eens wordt bejubeld. Allemaal waar, maar dat haalt deze fraaie, voortdenderende, rare en buitenissige roman niet onderuit. Ik las hem met toenemende verbazing en, toegegeven, ontroering en op het einde zat ik een tijdje stil voor me uit te staren. Een echt boek, dacht ik, en dat moet literatuur natuurlijk zijn: een echt, fijn boek.

Hulst vertelt de geschiedenis van een gezin dat op het platteland van het noorden van Nederland langzamerhand naar de ratsmodee gaat. De vader sterft jong, de moeder werpt zich in de armen van foute plattelanders en de vier kinderen zien het allemaal met lede ogen aan. Verwaarlozing slaat toe, af en toe verdwijnt de moeder gewoonweg, haar ideaal is om clochard te worden, wat op het einde van het boek bijna lukt ook. Zo naverteld lijkt het natuurlijk allemaal te larmoyant om het er verder over te hebben, maar Hulst slaagt erin dit alles langzamerhand geloofwaardig voor het voetlicht te krijgen. De lotgevallen van de broertjes Kai en Kurt die elkaar met volle kracht zowel kwellen als vernederen en ook nog verraden als het zo uitkomt, blijven op het netvlies hangen. Steeds meer wordt duidelijk dat de te vroege dood van hun vader een verwoestende uitwerking op ze heeft. Ze zijn niet meer goed in staat hun emoties onder woorden te brengen en vluchten dan maar in hele of halve vechtpartijen en banale onzin. Voortdurend hamert Hulst op dit gebrek aan emotionele bezinning, niets is nog bespreekbaar. Al op de tweede bladzijde lezen we: ‘Kai opende zijn mond om iets te zeggen, maar Kurt zei: “Ik wil het niet weten.”’ Kenmerkend voor de hele verhouding tussen de broertjes. Vooral de jongen Kai is niet in staat hardop te zeggen of te laten merken wat hem drijft. ‘Ik ben niet boos, dacht Kai. Ik ben zo rustig als wat. Maar niet veel later lagen ze toch te vechten, zonder dat Kai wist wie begonnen was, en waarom.’ Af en toe dringt het wel tot hem door dat de dood van zijn vader er iets mee te maken heeft, maar wat precies? Soms slaagt Hulst erin alles in een gelukkige zin te vangen: ‘Sinds vaders dood kraakte de werkelijkheid als een oud schip.’ Misschien bevat deze zin de kern van de hele roman.

IJzersterk in de roman is de beschrijving van het Groningse platteland, ergens in de buurt van Oude Pekela (ja, de zedenzaak komt even voorbij) en Stads­kanaal, hopelijk zit ik er niet te ver naast, Hulst geeft geen precieze geografische aanduidingen. Hij probeert een mythisch landschap te schetsen van bosjes, lijnrechte wegen, weilanden, waar de winden waaien, mensen weinig zeggen en de wereld tot stilstand lijkt te komen. En daarbinnen situeert hij zijn roman in Het Ruige Land, een groot en verwilderd gebied rondom het huis waar de kinderen opgroeien en waar de vrijheid hen boven het hoofd groeit. ‘Terwijl ze wachtten tot moeder terugkwam, rookten ze gedroogd riet in het Rambo-bos. Ze lagen op de open plek, onder een blauw gewelf, omringd door gras, boterbloemen en boompjes en jonge loten. Aan sommige planten hingen klodders koekoeksspuug, andere waren kaal en dood.’ Hulst grossiert in dit type beschrijvingen, ik heb het idee dat juist die mij steeds verder het boek in zogen. Niet eens alleen die opgroeiende jongens met hun sores, hun meisjesverdriet, hun gemis, hun mislukte pogingen iets werkelijks tegen elkaar te kunnen zeggen, hun verwaarlozing en hun pogingen er toch iets van te maken. Ook niet de belevenissen op de middelbare school, de fantasieën over ambities, het beginnende schrijverschap van Kai en wat er later met hem gebeurt. Het ging Hulst vooral om de blik op het omringende landschap, die mag niet vergeten worden, dit boek is een lofzang op de landschappen van een jeugd.

En dan is er nog, als klap op de vuurpijl, de moeder van het gezin. Ze is gek, ze heeft geen enkel verantwoordelijkheidsgevoel, ze liegt aan de lopende band, ze laat haar kinderen tot op het volstrekt asociale helemaal barsten. Je zou haar door elkaar willen rammelen en in een gesticht willen opsluiten. Maar dan begin je over haar te peinzen en ga je snappen wat Hulst met haar voor ogen had. Ze is onverbeterlijk. ‘Maar ze luisterde al niet meer. Haar ogen volgden twee mezen die een paringdans deden in de lucht.’