James Knowlson

Naar een ontmythologisering van Beckett

De biografie van James Knowlson is weldadig precies. Aanvankelijk werd ze met medewerking van Beckett zelf opgezet.

James Knowlson, Tot roem gedoemd: Het leven van Samuel Beckett Vertaald door Martine Vosmaer en

Karina van Santen, Uitg. De Bezige Bij, 1160 blz., ƒ99,50

James Knowlson schreef een Beckett-biografie van twaalfhonderd bladzijden, maar in zijn voorwoord legt hij alleen een summiere verantwoording af. Je zou bijna zeggen: alsof het de eerste biografie was over Samuel Beckett. In één neutraal zinnetje vermeldt hij dat Deirdre Bair in 1978 de eerste Beckett-biografie publiceerde. Geen woord over de andere biografieën. Ik snap dat niet goed; de ambitie die ligt in het schrijven van zo’n ontzagwekkend levenswerk moet toch ook te maken hebben met het willen geven van een andere interpretatie van de feiten. Als er meer biografieën van één persoon op de markt zijn, moet elke biograaf zich toch op een haast polemische wijze willen onderscheiden?

Knowlson prijst zijn boek in het voorwoord wel op bescheiden wijze aan. Zijn werk werd aanvankelijk met actieve medewerking van Beckett zelf opgezet: «de enige geautoriseerde biografie», in de woorden van Beckett zelf. Het plan voor de biografie werd opgevat nadat de biografie van Deirdre Bair al was verschenen, en je kunt dus vermoeden dat hetzij Beckett, hetzij Knowlson, hetzij beiden kritiek hadden op dat met de National Book Award bekroonde boek. Helaas, geen woord daarover.

Vijf maanden lang had James Knowlson elke week een uitvoerig interview met Beckett. Knowlson vermeldt daarbij niet of hij een bandrecorder mocht gebruiken, zodat hij Beckett letterlijk kon citeren. Dat zou interessant zijn om te weten omdat Deirdre Bair destijds voor haar biografie ook uitvoerig met Beckett sprak, maar daarbij niets mocht opnemen en ook tijdens de gesprekken geen aantekeningen mocht maken. Hoe dan ook, James Knowlson was «pas» zes maanden bezig met de research voor zijn boek toen Beckett overleed. Knowlson omschrijft zijn biografie niettemin als zijnde geautoriseerd. Zou Beckett zich na zijn dood dan nog met de eindtekst hebben bemoeid? Flauw natuurlijk, maar toch.

Knowlson is weer erg bescheiden als hij als «de opwindendste nieuwe bron» van zijn boek alleen hoofdstuk tien noemt, waarin hij voor het eerst kan putten uit de zes dichtbeschreven schriften over Becketts reizen in Duitsland in 1936-1937. Alsof de rest niet minder zou imponeren door een oceaan aan zelf uitgezochte feiten.

Voor een groot deel kom je in de biografie van Knowlson noodzakelijkerwijs dezelfde gebeurtenissen tegen als in al die andere biografieën. Soms zijn de overeenkomsten wel erg letterlijk; net als Deirdre Bair hecht James Knowlson er kennelijk aan om opnieuw te formuleren dat Beckett de enige Nobelprijs winnaar is die op de bladzijden van de cricketbijbel Wisden staat vermeld. Dat riekt zelfs naar overschrijven.

Maar er zijn ook opvallende feitelijke verschillen met Bair. Bij Knowlson tref je een Beckett die in de tijd dat hij nog in Ierland woonde wijn afsloeg omdat hij geheelonthouder was. Hij schrijft: «Beckett begon in Parijs te drinken, eerst vrij bescheiden en tegen het einde van zijn tweejarig verblijf steeds zwaarder.» Bair beschrijft Beckett al in zijn Ierse tijd als een verslaafd pubganger en vermeldt dat hij in Parijs overging op witte wijn omdat de whisky er zo duur was. De verhouding tussen de jonge Beckett en een meisje genaamd Peggy wordt bij Knowlson omschreven als een relatie waarbij Peggy aanstuurde op seksueel contact en Beckett zich op de vlakte hield, terwijl de jonge Beckett bij Bair juist hengelt naar seks met Peggy. Beide biografen vermelden een incident op de prestigieuze Modern Languages Society in Ierland, waarbij Beckett zich als studentikoos humorist liet gelden door in het Frans een lezing te geven over een verzonnen dichter, Jean du Chas, die deel uit zou maken van een verzonnen beweging, Le Concentrisme. Bair schrijft dat deze grap werd opgevat als een serieuze klap in het gezicht van degenen die hem geïntroduceerd hadden bij de sociëteit en dat men er pas jaren later de grap van kon inzien. Volgens Knowlson zag men er al gelijk de grap van in, en bleef het incident dus zonder gevolgen.

Ernstiger is het als Suzanne, de vrouw van Beckett, bij Bair wordt afgeschilderd als een spilzuchtig wicht dat het latere kapitaal van Beckett erdoorheen joeg met de duurste kleding, terwijl Knowlson haar neerzet als net zo’n toonbeeld van soberheid als Beckett zelf, nog niet te beroerd om haar eigen kleren te naaien.

James Knowlson heeft als biograaf natuurlijk wel degelijk de ambitie een andere interpretatie te geven van de persoon Beckett. In zijn voorwoord merkt hij op dat Beckett vaak is beschouwd als «aarts-miserabilist» en dat vindt hij «een verkeerde voorstelling van de man en een misvorming van zijn werk». Maar dat Knowlson met zijn boek nu Beckett voorstelt als humoristische optimist, nee, dat ook weer niet. Een volhouder, dat wel, maar ook iemand die de dramatiek eerder opzocht dan uit de weg ging. En ook een aartspessimist. James Knowlson moet dat zelf wel voorvoeld hebben, anders had hij het boek niet zo’n zwaarmoedige titel meegegeven: Dammed to Fame, in het Nederlands wat milder klinkend vertaald als Tot roem gedoemd. In zo’n titel schuilt natuurlijk de ambitie je door eigen interpretatie te onderscheiden van de anderen.

Deirdre Bair noemde haar boek nog bescheiden A Biography. Dat kon ook als je de eerste was. Twee jaar geleden verscheen van Anthony Cronin een zevenhonderd pagina’s tellende biografie met als titel Samuel Beckett: The Last Modernist. Cronin omschrijft de mens Beckett bovendien als misantroop. Weer een andere visie, zou je zeggen. Ook verscheen vorig jaar een studie over Beckett als poststructuralist en meer dan tien jaar geleden werd Beckett in een boek zelfs als zenboeddhist opgevoerd. Genoeg reden toch voor James Knowslon om zijn identiteit als Beckett-interpretator wat scherper af te grenzen. Hij doet het niet.

Nou ja. Genoeg gezeurd. Tot roem genoemd is namelijk een weergaloze onderneming. Hier wordt het leven van Beckett echt stukje bij beetje uitgelepeld.

Tot roem gedoemd is een zeer precieze biografie. Deirdre Bair wilde, in de Amerikaanse school van het verhalen vertellen, waarschijnlijk vooral een meeslepend boek schrijven. James Knowlson zat er helemaal niet mee om, als klassieke biograaf, in het eerste hoofdstuk uitvoerig de familiestamboom uit de doeken te doen. Vindt de lezer dat taai, dan slaat hij het maar over, moet hij gedacht hebben. Met liefdevolle uitvoerigheid beschrijft hij het geboortehuis van Beckett. Het rode pannendak. De rechthoekige donkergroene tegeltjes. De zware gordijnen die dwars door de kamer hangen. De luipaardhuiden op de geboende houten vloer. Het schilderij met de vaas met gele tulpen in de eetkamer. En dan door naar de tweede verdieping. De beschrijvingsdrift van Knowlson grenst zelfs aan het overmoedige als hij meent te moeten vermelden dat de «grote elegante schouw» zich nog steeds in de zithal bevindt. En als hij, honderd bladzijden verder, vermeldt dat Beckett in Parijs geregeld aan de brunch zat in Café Mahieu, zegt hij dat dit tegenwoordig een McDonald’s is. Hier is een onderzoeker aan het woord die schreeuwt om erkenning.

Maar dat is een uitzondering. Over het algemeen is de biografie juist weldadig in haar preciesheid. Heel nuchter ontmaskert Knowlson een van de grootste anekdotes van het modernisme als een broodje aap: Beckett hielp de slechtziende James Joyce met het opschrijven van Finnegan’s Wake. Er werd op de deur geklopt en Joyce zou «kom binnen» geroepen hebben, wat Beckett, in de ban van het boek, letterlijk zo opschreef. Helaas, merkt Knowlson dan droog op, die woorden komen in Finnegan’s Wake niet voor. Knowlson zal er de man naar zijn om mythevorming te haten. De feiten moeten kloppen. Zo haalt hij een vernietigende anekdote naar boven over de filosoof Theodor Adorno, die tijdens een lunch aan Beckett vertelde dat Becketts figuur Hamm in Fin de partie aan Hamlet was ontleend. Beckett dacht zelf toch echt dat dit niet het geval was en vertelde dit Adorno. Maar Adorno gaf niet op. Die avond gaf de roemruchte leider van de Frankfurter Schule «met zijn onnavolgbare glazige stem» bij het diner een uiteenzetting over Fin de partie en weer ging het over Hamlet voor en Hamlet na. De nu toch echt boze Beckett fluisterde tegen zijn uitgever: «Dat is de vooruitgang van de wetenschap, dat professoren kunnen doorgaan met hun fouten!»

Meteen daarop volgt in het boek weer zo’n heerlijke kleine anekdote, waarvoor iemand als Deirdre Bair, die graag de vaart in het grote verhaal hield, geen plaats had: Beckett, fervent autoliefhebber, rijdt in een geleende Volkswagen Nederland binnen. Het ding is veel sneller dan zijn eigen deux-chevaux en Beckett geniet daar zo van dat hij de maximumsnelheid overtreedt en door de politie wordt aangehouden. Hij krijgt een tip van zijn medepassagier om Frans te spreken en niet Duits, want de Nederlanders houden niet van Duitsers. Beckett verontschuldigt zich inderdaad in het Frans en weet zo aan een bon te ontkomen. Een verhaaltje van niks, natuurlijk, maar zoiets lees ik graag over een Nobel prijswinnaar.

Zoals ik ook graag lees hoe zijn vakantie op Madeira was. Dat hij logeerde in Vila Marina, vlak bij de Estrada Monumental. Dat hij over de levadas wandelde en samen met Suzanne de botanische tuin bezocht, maar dat hij het toch te druk vond in Funchal, de hoofdstad, en dat hij daarom maar verhuisde naar het lege buur eilandje Porto Santo. Ik was er ook, ongeveer in die tijd. Ik had naast Samuel Beckett kunnen zitten op een terrasje. Had ik hem dan aangesproken? Ik had hem daar zeker geen plezier mee gedaan, zo goed meen ik hem nu wel te kennen. En ook lees ik graag hoe Beckett in Londen door de dierentuin liep, waar hij verbitterde blikken wierp op de apen op de apenheuvel en tot zijn afgrijzen zag hoe een slang een witte rat verslond. Beckett haatte dierentuinen.

Maar de belangrijkste vraag die ik aan de orde gesteld wil zien in een biografie over Beckett is hoe hij zich heeft kunnen ontwikkelen van een extraverte taalvirtuoos, pronkend met zijn belezenheid, tot een schrijver van uiterste soberheid. James Knowlson komt niet met een doorslaggevend antwoord. Misschien bestaat dat ook wel niet. Hij draagt wel veel aan. De over het algemeen zeer met Beckett sympathiserende Knowslon schrijft over diens eerste roman, het zwaar onder invloed van Joyce geschreven, onlangs in het Nederlands vertaalde Droom van matig tot mooie vrouwen: «Beckett was een heel slimme jongeman — en hij wilde dat weten ook. Dus wordt er in het boek veel met kennis gepronkt.»

Daarvoor had Knowslon het over de van Joyce ontleende ent-techniek, die soms helemaal op hol slaat. Hij schetst tientallen bladzijden lang het beeld van een van eruditie overlopende student. Dan komt er helaas — juist op dit punt! — een vage zin: «Maar halverwege de jaren dertig zijn er al duidelijke signalen dat hij een benadering tot schrijven zoekt die radicaal verschilde van die van Joyce, hoewel hij pas na de Tweede Wereldoorlog zijn eigen ‹weg› vond.» Over die signalen had ik graag alles willen lezen.

Een belangrijk aspect aan de overgang naar dat intense, naakte schrijven was in elk geval dat het samenging met een verandering van taal; in geringe mate al voor de oorlog, met name poëzie, maar zeker erna schreef Beckett niet meer in het Engels maar in het Frans. Zelf zei hij hierover dat dit hem in staat stelde «zonder stijl» te schrijven. Mooie uitspraak. Knowslon beschrijft beeldend het primitieve leven op het Franse platteland dat Beckett verplicht moest leiden toen hij tijdens de oorlog ondergedoken zat. Toen zou er iets veranderd kunnen zijn. Of na de steekwond, vlak voor de oorlog. Dan schrijft Knowlson heel in het algemeen, zeg maar proevend, dat het ondenkbaar is dat de ervaring van de oorlogs jaren en het neergestoken-zijn geen invloed gehad zou hebben op het naakte, absurde, toneel en proza dat Beckett na de oorlog zou schrijven. De altijd zo precieze Knowslon laat het nu flink afweten: «Veel facetten van zijn latere proza en toneelstukken komen rechtstreeks voort uit zijn ervaringen van radicale onzekerheid, desoriëntatie, ballingschap, honger en gebrek.» Ik geloof het graag. Het lijkt me zeker niet onlogisch. Maar op welke feiten of uitspraken baseert Knowslon zich hier? En over welke facetten heeft hij het?

Beckett zou, toen hij na de oorlog bij zijn moeder in Foxrock, Ierland, logeerde een «openbaring» hebben gehad, een mystieke ervaring, waarna alles anders werd. Toen pas kon Beckett, volgens eigen zeggen, opschrijven wat hij voelde. Hij keerde zich direct af van Joyce en diens invloed van «meer weten, je materiaal beheersen». Aan Knowslon schreef Beckett: «Ik realiseerde me dat mijn eigen weg in de verarming lag, in het ontbreken van kennis en in het weghalen, eerder in aftrekken dan in optellen.» Vervolgens zou Beckett, in de woorden van Knowslon, tussen 1946 en 1953 een «schrijfaanval» krijgen. Het is mij al met al nog steeds niet duidelijk. Ten slotte hebben we het niet over een geringe omslag, maar over twee verschillende schrijverschappen. Misschien is dat ene essentiële punt wel ergens in de stroom van de tijd verdronken.

Wat feiten betreft maakte Deirdre Bair het nog bonter. Ze speculeerde dat Beckett alleen nog kritieken zou gaan schrijven als de oorlog er niet geweest was en dat hij in zijn vrije tijd wat proza was gaan proberen in de hoop dat dit hem zou bevrijden. Over «het visioen», kennelijk dus het grote breekpunt, is ze lachwekkend summier. Beckett stond, na wat gedronken te hebben, op een pier in de haven van Dublin: «Suddenly the vision occurred which was to result in the volumnious production of the next few years, that kind of writing that has come to be defined as ‹Beckettian›.» Ja hoor. Het zal wel naar aanleiding van deze sprookjespassage zijn geweest dat Beckett Knowslon op het hart drukte dat zijn «visioen» niet op een pier plaatsvond, zoals hij dat later een personage liet meemaken in Krapp’s Last Tape, maar in een kamer, thuis bij zijn moeder. Had Knowslon in elk geval de locatie goed.

Het voordeel van een zorgvuldige biografie als deze is dat je weer een beetje beter weet wat je niet weet. De paar keer dat Knowslon uitglijdt, vervalt hij niet of nauwelijks in het vreselijke psychologiseren van Deirdre Bair. Deze biografie is dus een grote stap vooruit naar het ontmythologiseren van Beckett. Daar staat tegenover dat de mooiste foto in de biografie van Bair staakett in een piepklein bootje in een sloot. Kwaad.