GENOT ALS POLITIEK ISSUE

Naar een pechvrije wereld

Sinds de hedonistische jaren negentig treedt de overheid onder grote bijval op tegen comazuipen, paddo’s en pornofeesten. Maar nu moet ook het genot van de brave burger eraan geloven.

Medium genot paaldans

WAAR OOIT DUIZENDEN hippies uit de hele wereld experimenteerden met drugs, drank en seks, staat nu een reeks verbodsborden. Zeven rode verkeersbordjes vertellen wat niet mag in het Amsterdamse Vondelpark, zeven blauwe wat – onder voorbehoud – wel is toegestaan. Vrouw in zon met bikini: blauw. Vrouw in zon naakt: rood.
De geboden en verboden springen ook elders in het land als paddenstoelen uit de grond. Soms blijft het bij een proefballonnetje, zoals het terugkerende idee van een belasting op ongezond eten of het voorstel van minister Ter Horst (PVDA, Binnenlandse Zaken) om alcohol voor jongeren onder de achttien te verbieden. Vaak komt het ook tot maatregelen. Gewelddadige games, paddo’s, roken, coffeeshops, partydrugs, seks in videoclips; stuk voor stuk vormen van vermaak die onder vuur liggen. Zelfs MP3-spelers moeten als het aan het CDA ligt in de toekomst aangepast worden, zodat ze minder hard muziek afspelen. Om gehoorschade bij de kwetsbare jeugd te voorkomen.
Niet voor niets staat de ‘betuttelingsbarometer’ op de website van de VVD bijna aan de top. Dat roept meteen ook vragen op. Is een kansspelbelasting op pokeren, zoals nu al voor andere gokactiviteiten geldt, een voorbeeld van verstikkende betutteling? Zijn met de door de liberalen gehekelde vliegtaks werkelijk fundamentele vrijheden in het geding? Columnist Bas Heijne noemde het eerder ‘een typisch Hollandse reflex, waarbij je bij inperken van de koopzondag meteen een nieuwe Goelag ziet verrijzen’. Zijn conclusie: ‘Ik heb geen moeite met het normen- en waardendebat dat door Balkenende is ingezet, ik heb moeite met zijn eigen normen en waarden. Terwijl iedereen op het hart gedrukt werd elkaar respect te betonen in het alledaagse sociale verkeer en om vooral weer licht op zijn fiets te doen, werden grote, ethische kwesties als de Nederlandse bijdrage aan de invasie in Irak en de immigratiepolitiek achteloos onder het vloerkleed geveegd.’
De discussie is in wel meer opzichten vervuild. Betutteling is een containerbegrip dat opgerekt kan worden tot zo’n beetje iedere vorm van staatsingrijpen, of het nu sociale misstanden, abortus of de aanpak van misleidende kredietverstrekkers betreft. Toch is er wel degelijk wat aan de hand. ‘Genot ligt onder vuur’, bevestigt criminoloog en directeur van het Verwey-Jonker Instituut Hans Boutellier. Maar, voegt hij er onmiddellijk aan toe: ‘Het zijn niet alleen de leuke dingen die worden verboden.’
Boutellier ziet een teloorgang van de publieke moraal, iets wat hem al in de jaren tachtig bezighield. Zijn toenmalige stelling was dat het in een postmoderne cultuur (lachend: ‘Ik zou het nu niet meer zo noemen’) moeilijk is tot overeenstemming te komen over hoe het goede leven eruit moet zien. ‘Die vraag is als het ware geprivatiseerd. Er is alleen consensus over wat we afwijzen, bijvoorbeeld kindermishandeling. Die diagnose staat denk ik nog steeds. Zij het dat hetgeen we afwijzen veel omvangrijker is geworden.’
Door de ontzuiling hebben veel traditionele disciplinerende structuren aan invloed ingeboet, van de kerk tot de scouting. Hans Boutellier: ‘Dat heeft een enorme vitaliteit teweeggebracht. Maar die uitbundigheid heeft ook een keerzijde. Denk aan het uit de hand lopende alcoholgebruik, en niet alleen onder jongeren. Wat we nu zien, is een poging van de staat om dit in te dammen.’

Het is niet voor het eerst in de geschiedenis dat na een periode van vrijheid-blijheid de teugels worden aangehaald. Rond de vorige eeuwwisseling zette de burgerij een beschavingsoffensief in om het alom waargenomen ‘zedelijk verval’ te stoppen. Na de roaring twenties was er het moreel reveil van de jaren dertig, waarin cultuurpessimisten als Oswald Spengler en José Ortega y Gasset de toon zetten. Het is een klassieke golfbeweging: na een periode van economische expansie volgt hernieuwde disciplinering. Het kapitalisme ontketent immers altijd een dynamiek die verder reikt dan de economie. Traditionele gemeenschappen worden opengebroken, mensen migreren, de moraal wordt losser, oude vormen en gedachten verdwijnen.
Zo ook in de jaren negentig, het tijdperk van de neoliberale globalisering. Na die ongekende economische expansie ligt nu de nadruk op sociale cohesie, normen en waarden. De jeugd is losgeslagen en moet aangepakt worden. De christelijke politiek beleeft een comeback.
Maar het huidige offensief tegen genot is niet enkel een herhaling van de geschiedenis, denkt Paul Frissen, hoogleraar bestuurskunde aan de Universiteit van Tilburg en decaan en bestuursvoorzitter van de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur (NSOB). Nieuw is de ongekende populariteit van wat hij het ‘preventiedenken’ noemt. Met de opkomst van het terrorisme heeft er bij politie en justitie een verschuiving plaatsgevonden van opsporing en repressie naar voorkomen en intelligence. In de wetenschap werden al langer risicoanalyses gemaakt. In de financiële sector is dit ook een trend. Paul Frissen: ‘Die werkwijze verplaatst zich nu naar andere terreinen, zoals gezondheidszorg en welzijnswerk. Al het leed en alle ongelukken moeten voorkomen worden. Dat klinkt sympathiek, maar er gaat een megalomaan maakbaarheidsdenken achter schuil. De overheid suggereert te weten wat goed en kwaad is. Dus controleert ze de burger tot achter de voordeur en legt ze elektronische kinddossiers aan. Dat geloof in maakbaarheid is niet langer uitsluitend links, maar loopt dwars door alle politieke partijen heen.’
De nieuwe maakbaarheid is minder dan voorheen op de maatschappij als geheel gericht. Zij is geïndividualiseerd. De nieuwe Nieuwe Mens wordt niet langer geboren op de tekentafels van ambtenaren en politici; hij timmert aan zichzelf in de sportschool, in de operatiekamer van de plastisch chirurg en wordt beïnvloed door voorlichtingscampagnes. Het past bij wat sommige filosofen het ‘postpolitieke’ tijdperk noemen. De nationale overheid heeft steeds minder te zeggen over de inrichting van de samenleving, over verdelingsvraagstukken en de economie. Des te sterker richt zij zich op morele discussies en gedragsbeïnvloeding.
Frissen steekt zijn mening hierover niet onder stoelen of banken. ‘Dit botst met mijn libertaire opvattingen. Het is een totalitaire tendens. Kijk, ik zal niet beweren dat er een causale relatie is tussen een paddoverbod en de democratie. Maar in fundamentele en principiële zin betekent vrijheid volgens een politieke denker als Jeremy Bentham dat ik het recht heb om stomme dingen te doen, om verslaafd te zijn. Tenzij anderen door mijn gedrag schade oplopen.’

Aan de politieke discussie over genot ligt een verschil in mensbeeld ten grondslag. In Frissens visie heeft het individu recht op volledige autonomie, zolang de vrijheid van anderen niet wordt geschaad. Hij heeft daarom grote aarzelingen om te oordelen over de genotsbeleving van anderen. Daarin voelt hij zich in toenemende mate alleen staan. De meeste sociale wetenschappers en filosofen plaatsen tegenwoordig kanttekeningen bij die autonomie, die op zijn minst als relatief wordt beschouwd. Mensen kunnen ziek, depressief of verslaafd zijn. De maatschappelijke omstandigheden begrenzen hun vrijheid, of het nu om armoede, discriminatie of een ander gebrek aan kansen gaat. We zijn bovendien sociale wezens die elkaar nodig hebben. En als de staat zich niet met onze genotsbeleving bemoeit, dan is het wel de markt die haar versie daarvan opdringt in de vorm van belspelletjes, seksdating en consumptie. Boutellier is daarom een andere mening toegedaan dan Frissen. ‘De overheid moet wel degelijk ingrijpen als vitaal omslaat in fataal. Maar ze dient zich te onthouden van bemoeienis met wat het goede leven is. Daar zou de samenleving meer mee moeten doen, de kunsten en de wetenschappen. Inderdaad: beschavingsarbeid.’
Veel Nederlanders lijken er nog weer een ander mensbeeld op na te houden. Dat valt althans af te leiden uit diverse onderzoeken en enquêtes. Zij geloven in autonomie, maar alleen als het henzelf betreft. Wij kunnen prima omgaan met genot, dat hoeft niemand ons voor te schrijven. Bij de Ander, of het nu de buren zijn, de onderklasse, de allochtonen, de homo’s of de jongeren, loopt het de spuigaten uit. Het is een vorm van eenzijdige autonomie, zeg maar egonomie. Andere ouders moeten hun kinderen strenger opvoeden, vinden volgens onderzoek vrijwel alle ouders. Op dezelfde wijze beweren merkwaardig genoeg alle buurtbewoners dat de rest van de buurt voor overlast zorgt.
Het verklaart de aanvankelijke steun voor een morele correctie op de hedonistische jaren negentig, waarin zogenaamd alles kon. Niet voor niets betrof de overheidsbemoeienis tot nu toe vooral die groepen wier autonomie toch al ter discussie staat. Vooral de jongeren worden aangepakt in hun genotsbeleving. Nauwelijks weerlozer dan dieren (die ook beschermd moeten worden tegen seks en ander misbruik), moeten zij door de overheid behoed worden voor alcohol, drugs, seks en geweld.
Het heeft geleid tot een reeks maatregelen – tegen comazuipen, tegen de pornonorm – die stuk voor stuk te begrijpen zijn. Het probleem zit hem in de optelsom. Jongeren zijn gereduceerd tot kwetsbare wezens die in alle opzichten beschermd moeten worden tegen zichzelf. Door de overheid wel te verstaan, want de samenleving functioneert niet naar wens. Jongeren zijn samen met de minima en de allochtonen de proeftuin voor de nieuwe, almaar verregaandere overheidsbemoeienis en inbreuken op de privacy. En zij vormen de ideale springplank voor uitbreiding hiervan naar nieuwe groepen. Omwille van de kinderen die meerijden, denkt minister Klink (CDA, Volksgezondheid) aan een rookverbod in de auto – waarom dan ook niet thuis? Plaatselijke overheden gebruiken schoolgaande jeugd als argument om massaal coffeeshops te sluiten. En ook de beknotting van de vrijheid op het internet gebeurt onder verwijzing naar de tere kinderzieltjes die geknakt worden door seks en geweld.

Daarmee is de geest uit de fles. Eerst neemt de overheid allerlei repressieve maatregelen om kinderen te beschermen, de volgende stap is dat we allemaal als kind worden behandeld, zo luidde de strekking van een betoog van privacyvoorvechtster Karin Spaink. Langzamerhand ontstaat een cultuur die draait om het tegengaan van angst in plaats van het bevorderen van genot. ‘Iedereen is een potentieel slachtoffer’, stelt Frissen. ‘Tegelijkertijd is er het idee dat al het leed vermeden moet worden. Het is de utopie van een pechvrije samenleving.’ Straks gaan ze ook nog mayonaise of thuis klussen verbieden, klaagde historicus Maarten van Rossem onlangs niet voor niets.
Nu het genotsverbieden met het rookverbod de brave burgerij begint te treffen, neemt de weerstand snel toe. Misschien is dat wel goed. Het standpunt van de egonomie is daarmee niet langer houdbaar. Het wordt in de nabije toekomst kiezen of delen. Of ik bezit een relatieve autonomie en ben tot op zekere hoogte zelf in staat te bepalen hoe ik geniet. Maar dat geldt dan wel voor iedereen. Of we geven ons allen over aan een strengere collectieve moraal, gehandhaafd door de overheid.
Het is de vraag of de gemiddelde Nederlander met die keuze voorhanden nog steeds roept om lik-op-stuk. Bas Heijne omschreef de vaderlandse paradox in zijn eerder geciteerde column treffend: ‘In Nederland snakt iedereen naar een moraal, maar men is doodsbenauwd voor het moralisme van anderen.’

Medium lijstje

beeld: Milo