Naar Esfahaan

Eefje Blankevoort
Stiekem kan hier alles
Podium, 379 blz., € 17,50

Het is altijd goed je te verdiepen in de zeden van een ver en vreemd land, zeker als je van plan bent het binnen afzienbare tijd te bombarderen. Het boek van Eefje Blankevoort over Iran verdient daarom aandacht en ook wel respect, omdat de jonge schrijfster zich veel inspanningen heeft getroost om ter plaatse, vanonder haar sluier, inzicht te krijgen in wat de Iraniër zoal denkt en voelt. Dat was geen sinecure. Eerder publiceerde Blankevoort in dit blad al over de positie van Iraanse homoseksuelen; ze had die bedreigde subcultuur op eigen houtje leren kennen en kon er uit eerste hand over oordelen.

Het zijn vooral de persoonlijke contacten die het boek bepalen. De achterflap vermeldt dat de schrijfster zowel historica als journaliste is, en dat is ongetwijfeld waar, maar in Stiekem kan hier alles is zij dat allebei eigenlijk (nog) niet. Het boek leest als een uitgewerkt dagboek, gevuld met de wederwaardigheden van een studente die in Iran een onderzoek wil doen naar Martelaarverering. Zij krijgt te maken met de bureaucratie, de achterdocht, de taalproblemen en de absurde handicaps van het leven als vrouw in een strikt islamitische cultuur. Ze bouwt een flinke kring vrienden en vriendinnen op, die in hoofdzaak hoog opgeleid zijn en in zekere welstand verkeren, en binnenshuis (stiekem) alles doen wat God en de mullahs verboden hebben.

Blankevoort kiest ervoor brokken feitelijke informatie over Iran en de islam door de lange gesprekken met haar vrienden te roeren. ‘Spontaan’ dreunen zij lesjes geschiedenis en politiek op. Soms is de informatie fris en uit de eerste hand, maar veel vaker lijkt ze door Blankevoort ontleend aan een reisgids of een studieboek. De drang om zo het inhoudelijk gewicht te vergroten stoort de belangrijkste kracht van het boek, de levendige en openhartige omgang met de Iraniërs – en daar komt bij dat Blankevoort, met alle respect, zeker geen fenomenale stiliste is. Ook is ze lang niet altijd in staat in echt wezenlijke zaken – religie, bijvoorbeeld – dieper door te dringen. Te vaak blijft het beperkt tot een stroef onbegrip.

Maar tegelijkertijd is het juist dat onbegrip dat het boek bij tijd en wijle weer erg interessant maakt. Tegen wil en dank raakt Blankevoort soms een beetje de draad kwijt in haar omgang met de Iraniërs. Paranoia slaat dan toe. Een boos gesprek met een ambtenaar, waarin ze bars van spionage wordt beschuldigd, brengt haar ertoe zelfs haar beste vrienden te beschuldigen van een dubbele agenda. Voeg daarbij de beklemming van de chador en de hitte en vervuiling van Teheran, en de lezer krijgt opeens echt een tik mee van het leven in die benepen en angstige samenleving.