Commentaar: Voetbal

Naar Heerenveen

De vraag van de onderzoeker luidt hoe het is gekomen. Nou kinderen, dat kan opa jullie wel vertellen. Het begon op 16 september 1981, toen Ajax in het toen nog niet gerenoveerde Olympisch Stadion in de toenmalige Europa Cup voor bekerwinnaars tegen Tottenham Hotspur speelde. De «Spurs» was een van de twee joodse clubs van Londen, clubs met relatief veel joodse leden, zoals Ajax in ons land. Niets aan de hand, dachten we. De supporters uit Londen zwaaiden in het Olympisch Stadion met Israëlische vlaggen. En dat vonden sommige supporters van Ajax een leuk idee. Zo infiltreerden de Israëlische vlag en de Magen David (de davidsster) in de F-side van Ajax. Zonder dat iemand ertegen optrad, zonder dat een bestuurslid er ooit consequenties aan wilde verbinden, groeide Ajax uit tot de club van de superjoden, van de joden, joden, joden worden kampioen.

De reactie liet niet lang op zich wachten. Kankerjoden werd in de afgelopen twintig jaar een geaccepteerd woord. Als de spelers van Ajax het veld op kwamen bij een uitwedstrijd, trok een welgemeend sisgeluid door het stadion. De trein naar Auschwitz wachtte op de supporters van Ajax. En als je er via geschreven of gesproken woord aandacht voor vroeg, was je overgevoelig. Je moest er vooral geen aandacht aan besteden, want het stelde niets voor. En de journalist die er wél aandacht aan besteedde, zag achter elke boom een racist.

En zo, kinderen, hebben jullie er twintig jaar bij gezeten en het goed gevonden. Burgemeesters spraken van geslaagde wedstrijden als er geen doden vielen maar slechts kankerjoden aan het gas mochten. En als de politie eens optreedt, zoals vorige week bij de op een antisemitische demonstratie uitgelopen manifestatie tegen Israëlisch geweld of zondag tegen FC Utrecht-supporters, ligt het aan de politie die de ordedienst te weinig ruimte geeft of de goeden onder de kwaden laat lijden. Als we zo eendimensionaal blijven denken, kunnen we de komende twintig jaar nog maar naar één club, naar het Heerenveen van Riemer en Annie van der Velde en Foppe de Haan, een voetbaloase in een poel van latent en manifest racisme.