H.J.A. Hofland

Naar het front

Beter Blojan dan Dojan, dachten de leden van de kamercommissie voor Buitenlandse Zaken. Ze bleven in Den Haag in plaats van naar Bagdad te gaan. Wel gaan de defensiespecialisten binnenkort op bezoek bij de Nederlandse troepen in Al Muthanna, onder voorbehoud dat het daar veilig genoeg is, las ik in de Volkskrant. Zo komen we vanzelf aan de gewetensvraag waarop vóór 14 mei het antwoord moet worden gegeven: kun je als volksvertegenwoordiger je stem geven aan verlenging van de Nederlandse missie in Irak als je niet bereid bent daar persoonlijk voor een paar dagen een kijkje te gaan nemen? Onder andere omstandigheden zou het een valse probleemstelling, een demagogische vraag zijn. Met de bijzondere voorgeschiedenis van de Nederlandse aanwezigheid in Irak is het niet meer dan redelijk het antwoord te verlangen.

Op 10 juli 2003, twee maanden en tien dagen nadat president Bush het einde van de grote operaties en «mission accomplished» had uitgeroepen, waren onze eerste soldaten aangekomen. Ze hadden een vriendelijk gebied gekregen. Een half jaar later maakte NOS-verslag gever Gerrie Eickhof een reportage. Daaruit heb ik toen een paar opmerkingen van geïnterviewden genoteerd. «We zijn op onze hoede, natuurlijk, maar we helpen ze hier met klussen. We dragen geen helmen maar hoeden. En als we op patrouille zijn, rijden we niet te hard», zei een officier. «Een sociale patrouille», noemde hij het.

Weer vijf maanden later, een reportage van Connie Mus van RTL4. Nog altijd sociale patrouilles en helpen met klussen. Er was een brug gebouwd, een installatie voor drinkwater aangelegd. Dorpshoofden lieten woorden van dankbaarheid uit hun baard komen. Maar wel was het gevaarlijker geworden. De soldaten zijn «betrokken geweest bij schietincidenten». Er is een Irakees gedood. In andere steden wordt zwaar gevochten, in Fallujah weten de Amerikanen zich geen raad meer. De patrouilles in Al Muthanna zijn aanmerkelijk minder sociaal geworden.

De werkelijkheid voor de Tweede Kamer is dat Irak een jaar na het einde van de major operations weer frontgebied is; dat geen van de strijdende par tijen van plan is toe te geven; dat het chaotische conflict escaleert en dat de enige bemiddelende instantie, de Verenigde Naties, niet weet hoe er een opening moet worden gemaakt naar iets wat op vrede lijkt.

Nederland is op een halfhartige manier bondgenoot geworden van de Coalition of the Willing. Ons kabinet en de meerderheid van de Kamer hebben wel hun politieke steun aan de oorlog verleend, maar er niet mee ingestemd dat Nederlandse troepen daar werkelijk zouden gaan vechten. Intussen is gebleken dat de grondslag voor de politieke steun van destijds gammel tot slecht tot onhoudbaar was. Het is tot vervelens toe herhaald. Er waren geen massavernietigingswapens. Saddam Hoessein (wrede dictator) had geen banden met al-Qaeda. Zijn leger was bewapend met oud roest. Hij was geen «bedreiging voor de wereldvrede». Maar Tony Blair had onze premier een geweldig geheim document laten zien waaruit hij had opgemaakt dat de oorlog oké was. Formeel heeft resolutie 1441 (niet meewerken aan inspecties heeft «serious consequences») voor Nederland de doorslag gegeven. Maar er was geen resolutie 1441 geweest zonder de genoemde fabels.

In Amerika is intussen uit de meest betrouwbare bronnen gelekt, er zijn boeken gepubliceerd, hoorzittingen gehouden waaruit is gebleken dat van de met daverende publiciteit opgevoerde casus belli niets klopt. President Bush ziet zijn populariteit gehalveerd vanwege the mess in Iraq. Kamerleden die, aangemoedigd door de buitenlandse nieuwsgierigheid, wilden weten waarop Nederland zijn politieke steun baseerde, zijn met een kluitje in het riet gestuurd.

Toen ons kabinet dacht dat de oorlog voorbij was, hebben we ons detachement gestuurd, dat zich onder de gegeven omstandigheden — bewonderenswaardig — als een ploeg van welzijnswerkers heeft gedragen. Misschien hadden de Amerikanen er nog een voorbeeld aan kunnen nemen. Maar nu is de tijd van de sociale patrouilles voorbij. De politieke steun aan de oorlog is verleend op gronden die vals bleken. In het verlengde daarvan is de steun met soldaten aan bezetting en wederopbouw gegeven in de overtuiging dat de eigenlijke oorlog achter de rug was. Dat is consequent. Als de Kamer nu het verblijf van de Nederlandse troepen zou verlengen, zou dat betekenen dat ze daar onder volstrekt andere omstandigheden moeten blijven dan die waarin ze er zijn aangekomen. Dat is een materiële contractbreuk. Want in deze verlenging is de kans groot dat ze zullen deelnemen aan de shooting war die het kabinet hun een jaar geleden wilde besparen.

Samengevat. Eerst theoretische, politieke steun aan een oorlog die gerechtvaardigd werd met argumenten die ontkracht zijn. Daarna daadwerkelijke steun in een vredessituatie die intussen weer in een oorlogs toestand is ontaard. Consequent geredeneerd zou het kabinet, met handhaving van de politieke steun, het Nederlandse detachement moeten terugroepen. Dan zou het zich, net als in het bevriende buitenland, moeten onderwerpen aan verhoren, een enquête, waaruit zou moeten blijken in hoeverre onze ministers zich bij de neus hebben laten nemen.

Het kabinet wil en doet geen van beide. Als de Kamer daarin meegaat, betekent dit dat een meerderheid met zich laat sollen in de waan dat Nederlandse soldaten in Irak, nog altijd op sociale patrouille, helpen met klussen. Ik ken verder niets wat de Nederlandse versie van de moderniteit in onze buitenlandse politiek zo goed weergeeft. Die manifeste goedwillendheid, met een vleugje zelftevredenheid, de onschuld. Niets van een besef dat men hier deelneemt aan het grootste waagstuk dat het Westen sinds de Koude Oorlog heeft ondernomen. Een waagstuk dat nu op het punt van mislukken staat.

Ligt het niet voor de hand dat een voorhoede uit de Kamer nu zelf gaat kijken? Een soort A-team van vechtersbazen als Geert Wilders, Mat Herben, Maxime Verhagen, begeleid door een paar vredesduiven, Wouter Bos, Jan Marijnissen? Je leert alleen wat een oorlog is als je er zelf in zit. Daarna kun je altijd nog andere mensen sturen.