Allart van Everdingen, Bomen aan het water, ca 1650-1660. olieverf op doek, 76,6 x 66,5 cm © René Gerritsen

De kunstenaar Allart van Everdingen (1621 – 1675) kwam uit Alkmaar. Zijn vader was er notaris; Allart was de jongere broer van Caesar van Everdingen (1616/1617 – 1678), die ook schilder werd. Het Stedelijk Museum in Alkmaar wijdde in 2016 een mooie tentoonstelling aan de broer en liet die volgen door een al even geslaagd overzicht van het werk van een andere grote Haarlemmer, Emanuel de Witte, zonder meer grote prestaties van het relatief kleine museum. Ook deze tentoonstelling van Allart van Everdingen is goed: een afgewogen overzicht, niet te groot, met een knappe variatie in werken die met verstand zijn geordend, schilderijen, tekeningen, etsen. Een perfecte kennismaking.

Deze Allart van Everdingen is uitzonderlijk omdat hij, op zoek naar een eigen artistieke niche, omstreeks 1644 een reis naar Noorwegen maakte en niet, zoals zovelen, naar Italië. Hij had een opleiding als zeeschilder gehad, maar door zijn verblijf in het noorden vergaarde hij een geheel eigen arsenaaltje van onderwerpen: ruwe rotsige natuur, watervallen, blokhutten en hoge slanke sparrenbomen, allemaal dingen die je in de Nederlanden zelf niet aantrof. Met dat arsenaal bouwde hij, eerst in Haarlem, later in Amsterdam, een prachtig oeuvre.

Er zijn twee aspecten aan zijn werk die verder reiken dan zijn eigen carrière. Zijn ‘noordelijke’ landschappen vonden veel aftrek, zozeer dat andere schilders, met name Jacob van Ruisdael, er elementen van overnamen, en verder zijn Van Everdingens landschappen de directe voorgangers van de grote romantische schilderkunst van het begin van de negentiende eeuw, toen gevoelige kunstenaars hun gevoelens op eiken en alpen en stromende bergbeken projecteerden. Goethe, bijvoorbeeld, bezat alle etsen van Van Everdingen. Aan die aspecten raakt de tentoonstelling zijdelings: het gaat hier om Van Everdingen zelf. Je ziet hoe hij in zijn kleine tekeningen en aquarellen de werkelijkheid netjes neerzet, hoe hij zich oefent in sterke beeldelementen – kloeke roestbruine rotsen, bijvoorbeeld, die de hoofdrol krijgen in een zeegezicht – en hoe die elementen bijeenkomen in een evenwichtig geheel, te beginnen met een ronde ets van twintig centimeter doorsnee, Landschap met ruiter nabij gehucht, waarin alles klopt. Een fraaie boom, een intrigerende hut, omringd door palen; een gebouwtje verderop in het geboomte, een paar mannetjes op een paard, een veldje met rotsen en gras waarin twee geiten zitten. Veel dingen, maar niet druk; klein en groot tegelijk.

Van Everdingen kon precies hetzelfde op groot formaat, in zijn Berglandschap met ruïne en kasteel uit Kopenhagen, het sleutelstuk van de tentoonstelling. Hij kiest een staand formaat – anders dan Van Ruisdael meestal deed –, gebruikt de onnederlandse hoge sparren om een geweldige ruimte te scheppen boven een bruisende rivier en daarboven is dan ook nog ruimte voor een leuk kasteel. In die composities pinkelen overal briljante details: vaak zitten er mannetjes te tekenen, lopen er varkentjes rond, en ergens rechtsonder rijdt er een heer met een schitterende rode mantel op een wit paardje. Een genoegen.


Allart van Everdingen (1621-1675), Het ruige landschap, Stedelijk Museum Alkmaar, t/m 16 januari 2022, stedelijkmuseumalkmaar.nl