Kunst - Jan Albertsz Rotius

Naar Hoorn

Jan Albertsz Rotius (1624-1666) geldt als de meest succesvolle schilder van mid-zeventiende-eeuws Hoorn

Medium kunst

Een welvarende stad, hoofdstad van West-Friesland en het Noorder Kwartier, met een Kamer van de Oost-Indische en de West-Indische Compagnie, enzovoort. Rotius is een exponent van die periode van voorspoed. Hij schilderde de rijkere burgerij en haar kinderen en hij zette de schutterijen op het grote doek. Het Westfries Museum kon onlangs een ‘keukenstuk’ aankopen van zijn hand, met een meid die een eend aan het kelen is voor de pot, en men nam dat als aanleiding om een kleine maar keurige overzichtstentoonstelling van Rotius’ werk te maken. Zijn oeuvre is niet zo omvangrijk, er zijn nog zo’n zestig portretten en een paar stillevens. Rudi Ekkart heeft daar gedegen onderzoek naar gedaan en mede een catalogus geproduceerd die alles wat over Rotius bekend is, presenteert.

Dat is nog niet eens zo veel, eigenlijk. De schilder Arnold Houbraken schreef in zijn Groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen (1718) dat ‘onze nabuurige Steeden tot Noorden gelegen’ ook zo hun ‘brave Konstoeffenaars’ hadden gehad, maar dat was een tikje genereus. Het beeld is natuurlijk vertekend door de trek van provinciale talenten naar de grote steden, waar meer emplooi was, en meer artistieke uitdaging, maar daardoor lijkt de inventaris van zo’n museum als het Westfriese altijd een klein beetje van B-kwaliteit. Rotius kwam uit Medemblik en bleef zijn leven lang in Hoorn, althans, voorzover wij weten.

Rotius is degelijk maar een beetje ouderwets voor zijn tijd, en zijn verf is vaak een beetje vlak en dof. Hij mist de vriendelijke sprankeling van Johannes Verspronck, hij heeft niet de stilistische zwier van Frans Hals, hij is niet zo handig in ruimtelijk denken als Bartholomeus van der Helst: in het kleurige portret van de familie van Meyndert Sonck zit iedereen star op elkaar gepakt, alsof ze in een heel klein kamertje zaten.

Hij mist vooral artistieke fantasie. Het is zoeken naar een originele draai of een leuke oplossing voor een traditionele compositie, bijvoorbeeld in zo’n stijve kameropera als een schuttersstuk. Daarin zou je toch eens iemand met zijn rug naar de camera moeten zetten, of voorover laten buigen in geanimeerde conversatie, of jolig het glas laten heffen. Rotius is daar de man niet voor, maar misschien is het zijn schuld niet, misschien was het toch zoiets als ‘de provincie’, waardoor die schutters er allemaal wat ongemakkelijk uitzien, een beetje gegeneerd zelfs, in hun sjerpen.

Van dichtbij is het zeker niet slecht. Er zitten handig glanzende lichtjes in het portret van de ouwe Griet Jansdr van Neck, en mooie klodderige effectjes in het kantwerk van de jonge Grietje Veen. Rotius kan gerust hangen naast gewaardeerde jongens als Nicolaes Pickenoy of Jacob Backer, maar een Rembrandt was hij niet, kom zeg. Volgens Houbraken was hij ‘zedig in zyn gedrag en byzonder naarstig in zyne oeffening’. Dat was al heel mooi, voor Hoorn.


Jan Albertsz Rotius, de Rembrandt van Hoorn, t/m 18 september. Westfries Museum, Hoorn; wfm.nl


Jan Rotius, Portret van een 8-jarig meisje (Westfries Museum)