Naar IJsland

De 34ste aflevering van Monty Python’s Flying Circus (4 mei 1972) is ongetwijfeld het meest hilarische tv-programma dat ooit gewijd is aan de IJslandse literatuur. De saga van Njal vormt er de running gag in, nooit verder komend dan de eerste alinea’s van het verhaal: ‘Erik Njorl, sun of Frothgar, leaves his home to seek Hangar the Elder at the house of Thorvald Nlodvisson, the son of Gudlief, halfbrother of Thorgier, the priest of Ljosa Water, who took to wife Thurunn, the mother of Thorkel Braggart, the slayer of Cudround…’
Hardnekkig onderbreekt die genealogie elke daaropvolgende sketch, totdat zelfs de hoofdpersoon er genoeg van krijgt. De Nederlandse vertaling van de sage, acht jaar geleden fraai uitgegeven en snel verramsjt, doet daar nauwelijks voor onder. ‘Zijn moeder heette Thorgerd en zij was de dochter van Thorstein de Rode, de zoon van Olaf de Witte, de zoon van Ingjald, de zoon van Helgi.’ Zo gaat het ook daar alinea’s lang door.
Wat lees je, wanneer je op punt van vertrek staat naar een land waarvan je vrijwel niets weet? Geisers, ijsvlakten, hete zwavelbronnen: dat is het wel zo’n beetje. En papegaaiduikers, walvissen, nationale gerechten als bedorven haai: dat weten de reisgidsen er nog aan toe te voegen. En schapen, zegt een reisgenote die iets van Halldór Laxness gelezen heeft. Het hoofdwerk van de IJslandse Nobelprijswinnaar van 1955 bleek van schapen vervuld. Blatende schapen, grazende schapen, verdwaalde schapen, met moeite van de ijsvlakten gered – en ’s avonds als het meezat schapenvlees. Na zo’n zeventig bladzijden hield ze het wel voor gezien.
Dat doet Laxness ongetwijfeld onrecht en op termijn wil ik me daarvan graag overtuigen. Maar vooralsnog houd ik het bij Arnaldur Indridason, IJslands beroemdste misdaadschrijver, in de thrillergids van Vrij Nederland soms met vijf sterren bekroond. Of dat terecht is, kan me eerlijk gezegd niet zo veel schelen. Na A Kiss before Dying of The Day of the Jackal valt alles in dat genre een beetje tegen en ook van Indridason ben ik nog niet aan het nagelbijten geslagen.
Maar leerzaam zijn zijn boeken voor de IJslandganger wel. De onlangs verschenen thriller Het koningsboek (uitgeverij Q) is gedrenkt in het soort koloniaal ressentiment dat je eerder in streken rond de evenaar zou verwachten. Op IJsland moet het oude moederland Denemarken het ontgelden. Tweederangs burgers hebben de IJslanders zich generaties lang gevoeld, uitgebuit en achtergesteld. En wat het ergste is: beroofd van hun nationale erfgoed.
De manuscripten van de oude sagen vormden de trots van de musea in Kopenhagen, maar moesten – zo vond een steeds militanter wordende IJslandse trots – zo snel mogelijk terug naar het eiland van oorsprong. Dat zou na de Tweede Wereldoorlog en de IJslandse onafhankelijkheidsverklaring ook gebeuren, maar zonder verwikkelingen ging dat niet. Daaromheen heeft Indridason een ingewikkelde plot geweven met oude nazi’s, wereldvreemde professoren in de IJslandse filologie. Zelfs de kersverse Nobelprijswinnaar Laxness (het boek speelt tegen het midden van de jaren vijftig) mag er nog een bijrolletje spelen.
Van het hedendaagse IJsland kom je in Het koningsboek niet veel meer te weten dan dat bijna iedereen elkaar met ‘je’ aanspreekt. Iets heel anders dan de nogal Anton Pieck-achtige sfeer waarin Reykjavik dan nog gedrenkt lijkt komt naar voren in Moordkuil (Signatuur), die ik als Indridasons beste thriller aangeraden kreeg. De zelfkant van drugsgebruik en alledaags geweld is er nadrukkelijk in aanwezig – net als de nogal naargeestige werkelijkheid van het extreem hoge IJslandse echtscheidingscijfer. Werkelijk gelukkig lijkt het leven er niet te zijn, in weerwil van de mondiale surveys die het land onlangs aanwezen als het prettigste ter wereld. Maar wat zeggen onderzoeken die het aantal McDonald’s-vestigingen per hoofd soms als serieuze indicatie van levensgeluk hanteren? Wat zegt anderzijds een thriller-oeuvre, dat tenslotte niet geschreven is ter wille van een evenwichtige presentatie van een natie? Is het wel zo’n goed idee literatuur te gebruiken ter voorbereiding van een vakantiereis, hoe licht het genre ook is?
Toch bleek een Duitse vriend zich bij een bezoek aan Istanbul ooit trefzeker te hebben voorbereid op de regenachtige dagen van het paasseizoen, omdat de door hem gelezen kruisvaarderskronieken daar al zo’n zeven eeuwen eerder voor hadden gewaarschuwd. Dus vertrek ik met licht gemengde gevoelens naar Reykjavik, waar het ongetwijfeld óók zal regenen, de drugs-scene nauwelijks van die van Amsterdam lijkt te verschillen – en ik neem me voor de aanspreekvorm ‘u’ zorgvuldig te vermijden.