Naar inzicht

Nog altijd stijgt het aantal jonge arbeidsongeschikten. Staatssecretaris De Krom wil er iets aan doen.Het verzet is groot.

ER ZIJN van die uitspraken die vleugels krijgen. Zoals ‘Nederland is ziek.’ Ruud Lubbers nam deze woorden in de mond toen hij nog minister-president was. De CDA'er doelde op de grote aantallen Nederlanders die arbeidsongeschikt waren verklaard. In 1990 zag het ernaar uit dat binnen afzienbare tijd een miljoen mensen arbeidsongeschikt zouden zijn. Lubbers zei te zullen aftreden als het zo ver zou komen. Hij kon blijven, want coalitiegenoot PVDA werkte mee aan ingrijpende maatregelen in de WAO, al ging dat niet zonder slag, stoot en tranen bij de sociaal-democraten. Oneerbiedig gezegd was toen de discussie: zijn al die arbeidsongeschikten zielig en mag je niet aan hun uitkering komen of wordt er ook oneigenlijk gebruik gemaakt van de regels?
VVD-staatssecretaris Paul de Krom van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft niet met aftreden gedreigd, ook niet gezegd dat Nederland wederom ziek is, maar verwijst wel naar het toenmalige doembeeld van een miljoen arbeidsongeschikten als hij uitlegt waarom er volgens hem moet worden ingegrepen in de arbeidsongeschiktheidsregeling voor jonggehandicapten, de Wajong, en bij de sociale werkvoorziening. De Krom ziet een paar overeenkomsten. Het aantal Wajongers stijgt snel en dreigt in 2040 uit te komen op vierhonderdduizend. Net als bij de WAO denkt de staatssecretaris dat dit komt doordat er verkeerde financiële prikkels zijn. Destijds was het voor werknemers én werkgevers financieel gunstiger om van de WAO gebruik te maken dan van een werkloosheidsuitkering: menig bedrijf reorganiseerde op kosten van de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
De Krom denkt dat de Wajong om een zelfde soort reden zo groeit: voor gemeenten is het financieel aantrekkelijker om een Wajonger als inwoner te hebben dan een bijstandsgerechtigde en voor de betrokkene zelf is de Wajong-uitkering net iets hoger dan de bijstand. Ook bij de sociale werkplaatsen is volgens De Krom zoiets aan de hand. Daar werken 2,5 keer zo veel mensen als was voorzien en de kosten ervan zijn veel hoger dan elders in Europa. Dus wil De Krom dat de uitkering voor jonggehandicapten die nog wel kunnen werken maar vooralsnog geen werkplek hebben net zo laag wordt als de bijstand, dat gemeenten het in de portemonnee voelen als ze mensen met een arbeidsbeperking niet begeleiden naar regulier werk en dat er minder werkplekken komen in de sociale werkvoorziening. Dat wil de staatssecretaris niet alleen vanwege nobele motieven, zoals dat werken leuker is dan achter de geraniums zitten, maar ook omdat hij moet bezuinigen.
Het verzet tegen De Kroms nog in te dienen Wet werken naar vermogen is groot. Er is kritiek vanuit de oppositie in de Tweede Kamer, de vakbeweging, de sociale werkplaatsen en gemeenten. Toen de Kamer de plannen vorige week voor het eerst op hoofdlijnen besprak, zat de commissiezaal bomvol. FNV-voorzitter Agnes Jongerius was er, Amsterdams wethouder Andrée van Es ook. Net als in de tijd van Lubbers zijn er grofweg twee kampen: het ene vindt dat hier wordt bezuinigd over de rug van de zwaksten in de samenleving, het andere dat het uitkeringssysteem mensen niet uitdaagt om te gaan werken maar een fuik is waarin ze blijven hangen. De cijfers over de onvoorziene groei van de Wajong en het aantal mensen in de sociale werkvoorziening lijken dat laatste kamp gelijk te geven. Maar de eersten dreigen gelijk te krijgen als de werkgevers niet gaan bewegen. Want De Kroms plan valt of staat met hun medewerking. Alleen als werkgevers bereid zijn om mensen met een arbeidsbeperking in dienst te nemen, zullen er meer mensen uit de sociale werkvoorziening stromen. Alleen dan kunnen deze mensen meer inkomsten hebben dan een uitkering op bijstandsniveau en alleen dan zullen gemeenten de gevolgen van De Kroms plannen niet in hun portemonnee voelen.
Maar op dit vlak ziet het er tot nu toe niet rooskleurig uit. Kent u een werkgever die iemand in dienst heeft met een arbeidsbeperking? Niet een hoogopgeleide in een rolstoel die zijn geld waard is, maar iemand die met moeite of zelfs net niet arbeidsproductief genoeg is om het minimumloon te verdienen? Waarschijnlijk kent u zo'n werkgever niet, want slechts vier procent van hen heeft zo iemand in dienst. De overheid zelf haalt dat percentage zelfs niet, hoonde de SP vorige week.
De Krom gelooft er echter heilig in dat dit gaat veranderen en niet alleen omdat hij met zijn nieuwe wet alle financiële prikkels richting werk wil zetten. De staatssecretaris rekent erop dat door de vergrijzing de krapte op de arbeidsmarkt binnen afzienbare tijd zo voelbaar zal zijn dat werkgevers alleszins genegen zullen zijn mensen met een arbeidsbeperking in dienst te nemen. Zal het waar zijn?
Of is het zoals PVDA-Kamerlid Mariëtte Hamer zegt: dat de werkgevers dan zitten te springen om hbo'ers en mbo'ers, maar niet om deze mensen? Als je haar redenering doortrekt, kom je bij een andere, dieperliggende oorzaak van de groei van het aantal Wajongers en mensen op een sociale werkplek: mensen met enigerlei vorm van arbeidsbeperking konden in de vroegere arbeidsmarkt nog meedoen, maar nu niet meer. Daarom zoeken ze naar de voor hen financieel gunstigste oplossing: dat is de Wajong en niet de bijstandsuitkering. Pas vanaf daar loopt deze analyse gelijk op met de redenering van de staatssecretaris.
In grote lijnen kun je zeggen dat de een de schuld voor de onvoorziene groei legt bij arbeidsmarkt en werkgevers, en de ander meer bij werknemers met een arbeidsbeperking zelf. Misschien verklaart dat waarom de staatssecretaris in de gesprekken met werkgevers en werknemers over een sociaal akkoord nog nooit het onderwerp jonggehandicapten en sociale werkvoorziening heeft aangekaart. Toch zal hij het van de werkgevers moeten hebben.