In Marokko

Naar Marokko

Eerste aflevering van Kees-praktijkschool-Beekmans’ nieuwe kroniek

AMSTERDAM – Binnenkort vertrek ik naar Marokko. Natuurlijk, in de klas wás ik daar altijd al, niet helemaal maar toch ook weer wel, net zoals ik tegelijkertijd ook in Turkije was, en in Suriname, en op de Antillen. Vooral de jaren dat ik lesgaf op de praktijkschool was ik voornamelijk in die vier landen – en tegelijkertijd ook helemaal niet, want de kinderen die ik in de klas had waren bijna allemaal in Amsterdam geboren.

Ze spreken vloeiend Nederlands, al maken ze soms nog fouten die kinderen met Nederlandse ouders niet zouden maken. Zo dacht Abdel dat de voltooide tijd van rennen geronnen was – een fout die ook bewijst dat met zijn taalgevoel niks mis is. Bij veel leerlingen hoor je de taal van de ouders, de eigenlijke moedertaal, nog door de klanken van het Nederlands heen. Marokkanen met hun harde g, Turken die woorden zoveel voorzichtiger uiten, alsof

woorden van porselein zijn en breekbaar, de klassieke oe-wee van Surinamers. Ook, tegelijkertijd, hoor je dat mijn leerlingen in Amsterdam wonen,

velen hebben een Amsterdams accent. Voor wie goed luistert verraden mijn leerlingen met ieder woord dat ze spreken hun geschiedenis.

Ik ga naar Marokko, ook om de taal te leren, het Marokkaans Arabisch, het darija. Ik had in de zomer in Marokko al een paar woorden opgepikt, en toen het schooljaar weer begonnen was zei ik op zeker moment tegen Nabila dat ze «hamka» was. Nabila, met haar hoofddoek, is het meest aanwezige meisje van de klas, ze kan heel goed werken maar ze kan ook een verschrikkelijke aandachttrekker zijn en veel lawaai maken en dwarsliggen, en het was op zo’n moment dat ik tegen haar zei: «Je bent hamka, Nabila», terwijl ik mijn best deed dat hamka zo goed mogelijk uit te spreken, met een overdreven geaspireerde h.

In één klap was het lawaai maken en dwarsliggen afgelopen, ze liet haar hoofd tussen haar schouders zakken, keek met een donkere en in zichzelf gekeerde blik naar de tafel en zei zacht, recht voor zich uit, half sissend, tegen niemand in het bijzonder maar tegelijkertijd bedoeld om Hakima naast haar in een pact tegen mij te betrekken: wie is die snitcher? Natuurlijk vond ze het niet leuk dat ik zei dat ze gek was, maar dat ik het in háár taal zei… Het was alsof ik haar iets afnam wat van haar alleen was en zeker niet van mij, en nu nog tegen haar gebruikte ook – wie was de verrader, wie had mij dat woord geleerd?

De verrader. Ik heb nooit anders meegemaakt dan dat leerlingen het leuk vinden wanneer je ook een paar woorden van hun taal, Arabisch, Turks, Servo-Kroatisch blijkt te kennen. Voor Nabila geldt dat ook. Ook zij is trots, dat ik nu naar «haar» land ga en «haar» taal ga leren. Maar dat verradersaspect speelt ook mee – blijf met je poten af van iets wat van ons is – en het zegt iets over de mate waarin we, hoe goed we het ook met elkaar konden vinden, tegelijkertijd tegenover elkaar zijn komen te staan, zij, de Marokkaanse Nabila, en ik, de Nederlander. Iets waar we niks aan konden doen, het was de sfeer van polarisatie om ons heen, de tijdgeest, die zich ook in het klaslokaal deed voelen.

Meer nog dan het Turks of het Arabisch was er voor mijn leerlingen maar één taal echt de hunne, en dat was wat ik bij gebrek aan beter maar de straattaal zal noemen. Natuurlijk is zo’n straattaal altijd bedoeld om iets eigens te hebben, om ouderen, zij die de macht hebben, op afstand te houden, ja uit te sluiten, maar bij mijn leerlingen vraag ik me af of die taal van hen niet ook een reactie is op het buitengesloten wórden. Ze waren zichzelf al trots «puur allochtoon» gaan noemen – liever die geuzennaam dan Marokkaan of Nederlander te zijn – en nu hadden ze ook een eigen taal, het allochtoons, gesproken voor en door jonge Amsterdammers van de tweede generatie.

«Ga loezoe jongen.» Niet wetend hoe hard dat hamka eigenlijk aankwam, tenslotte een vreemd woord voor mij, zei ik tegen Nabila dat ze toch wel wist dat ik maar een grapje maakte, dat ik het niet meende, maar als altijd blijft Nabila graag nog even boos – krijgt ze meer aandacht – en zegt: «Ga met je bla jongen, ga loezoe jongen, ga dzjòmpe.»

Donder op met je onzin, donder op.

«Wat dis je de meester Nabila, is fatoe toch…» Het is toch maar een grapje…

«Wat fatoe, wat praat jij jongen, ik ken jou niet, ga met je bledder.»

En ze keert zich van me af zoals Nabila zich dit jaar al honderden keren van me heeft afgekeerd. Ik zal niet alleen haar missen, maar ook haar taal.

Komend jaar zal Kees Beekmans de wekelijkse kroniek In Marokko verzorgen