Naar Marokko

Naar Marokko

AMSTERDAM – Ik heb de leerlingen al verteld dat ik ontslag heb genomen, ze vragen wat ik dan ga doen, ongeloof is mijn deel als ik ze vertel dat ik naar Marokko ga, dat ik daar ga wonen, tenminste, voor een jaar.

Deze derde klas zit vol Marokkaanse jongens, en ze zijn inmiddels allemaal vijftien jaar, sommigen een half jaar jonger, sommigen net iets ouder. Het zijn rauwdouwers, midden in de puberteit, ze doen graag stoer en houden van grove grappen. Soms is er een paar minuten ernst, dan willen ze weten waarom en wat ik daar dan ga doen, en dan luisteren ze aandachtig naar wat ik antwoord, maar dan gooit iemand er een grap doorheen en dan is het weer keten geblazen. Daarna weer komt Hamid aan mijn tafel staan en legt een hand op mijn schouder, Hamid raakt mij altijd aan als hij met mij praat, en zegt dat ik naar Tineghir moet gaan, dat daar heel mooie hotels zijn, Hamid zijn ouders komen uit Tineghir en het is daar dat Hamid zijn zomervakanties doorbrengt.

«Tineghir is toch bij Ouarzazate?»

Faouzi hoort mij Ouarzazate zeggen. Faouzi is klein, donkerder dan de Rif-Marokkanen, Faouzi komt uit Ouarzazate. Daarmee is Faouzi in de ogen van die rif½jnen een soussi, het meer negroïde type Marokkaan dat door hen graag uitgelachen wordt.

«U kent Ouarzazate meester?»

Ik weet waar het is want ik was er vijftien jaar geleden. «Daar heb je die gorge, hoe noem je dat?»

«Ja de gorge meester, Ouarzazate is heel mooi, u gaat daar naartoe?»

Faouzi, hoewel hij in de klas vanwege zijn preoccupatie met seks een prominente rol speelt en voor niemand onderdoet, deze Faouzi is nu voorzichtig, niet iedereen hoeft te horen dat hij het over Ouarzazate heeft, het zou maar grappen losmaken.

Maar Hamid laat zich Tineghir niet zomaar afnemen. «Tineghir is beter meester», zegt hij zacht, «weet u hoe mooi die hotels daar zijn… Echt, u moet daar gaan meester.»

«Wat praat jij jongen», zegt Faouzi, «wat is Tineghir? Tineghir is niks jongen.»

Voordat het tot ruzie komt, wijs ik de jongens hun plaats. Sallah wil inmiddels weten of ik met de waggie naar Marokko boek?

«Ja.»

«Echt, u gaat niet met het vliegtuig?»

«Nee.»

«U gaat met die blauwe Opel?»

«Ja.»

Sallah slaat zich op de knieën van plezier, andere leerlingen vinden dit ook grappig, met mijn blauwe Opel Astra heb ik nooit veel prestige kunnen verwerven. Als hij uitgelachen is, zegt Sallah, weer ernstig nu: «Je moet je auto dichtdoen meester, ze pakken alles eruit.»

«Ze nakken alles van je meester, ze gaan je beroven», roept Aziz, een schepje erbovenop.

«U gaat alleen?» vraagt Sallah zacht.

Ik knik – en Sallah draait zich om naar Aziz, die schuin achter hem zit, en zegt, half lachend, maar er zit bewondering in die lach: «Hij durft gewoon alleen te gaan naar Marokko!»

«Je moet oppassen voor de politie meester, ze gaan je ¾esjen, ze willen je doekoe.» Doekoe is geld. Terwijl hij zich weer half omdraait naar Aziz, zodat ook die het goed hoort, zegt Sallah nog: «Je moet tegen ze zeggen zabbè meester, zeg zabbè tegen ze als ze je boren.»

Zabbè, of zbe, weet ik inmiddels ook, betekent lul. Dat Sallah mij nu aanraadt lul tegen een politieman te zeggen, vinden alle jongens erg grappig, alsof ze de reactie van de Marokkaanse politieman, die zich ongetwijfeld niets laat zeggen, zo anders dan Nederlandse politie, al voor zich zien. Sallah is een lange, dunne jongen met droevige ogen die ervan houdt de boel op te stoken, al houdt hij ook wel in de gaten dat hij niet te ver gaat. Wie hij met zijn advies in ieder geval opstookt is Faouzi, die het woord zbe gehoord heeft, en de ingeslagen weg graag verder bewandelt, hij is op eigen terrein. Voor wat hij te zeggen heeft, moet hij naar mij toe komen, dat kan niet van midden uit de klas en aan de grijns op zijn gezicht en aan het feit dat hij zich kleiner lijkt te maken, alsof ik zo minder aanstoot aan zijn woorden zal nemen, voelt iedereen al waar het heen gaat, ze kennen de lichaamstaal van Faouzi, en ik ook.

«Die hoertjes zijn goedkoop daar meester, drie euro.»

Terwijl ze lachen, al die vijftienjarige jongens, houden ze mij toch ook in de gaten, wat zal nu mijn reactie zijn? Faouzi lacht ook, als om zijn eigen woorden onschadelijk te maken.

«Ik dacht dat jij een goeie moslim was Faouzi.»

«Hee meester…» Met open handen spreidt Faouzi zijn armen, het is maar een grapje, waarom noem ik hem dan een slechte moslim? Om het goed te maken, zegt hij: «Marokko is mooi meester, u gaat het daar goed hebben. U moet echt naar Ouarzazate.»