Naar nieuwe kunsten

De situatie rond de opera in Amsterdam beleef ik tegenwoordig als déjà vu, want ze herinnert me aan de bijna identieke situatie in Berlijn, waar ik ben opgegroeid en waar ik voor het eerst met opera in contact kwam. Daar «regeerden» in twee van de drie operahuizen ook intendanten die tegelijkertijd als regisseurs werkten: Götz Friedrich in de Deutsche Oper (van 1981 tot 2000) en Harry Kupfer in de Komische Oper (van 1981 tot 2002). Beiden hadden een uitdrukkelijk persoonlijke stijl, beiden brachten per seizoen drie à vier eigen producties, beiden brachten bijna twintig jaar bij hun respectievelijke gezelschappen door. Dat leidde tot een zekere metaalmoeheid; in de loop van de tijd raakte men op hun kunst een beetje uitgekeken. Voor het doek opging wist je eigenlijk al wat er zou komen. Ook de enscenering had op den duur niets verrassends meer te bieden. Variaties op bekende thema’s. Artistieke stagnatie was het gevolg.
Na vijf seizoenen als bezoeker van De Nederlandse Opera is dat effect bij mij opnieuw voelbaar. Elke keer als het doek opgaat voor een enscenering van Pierre Audi of Willy Decker weet ik al zo ongeveer wat er komen gaat. En hoe goed die enscenering op zich ook moge zijn, ze bereikt me niet meer, omdat ik door de ondertussen zo bekende vormentaal al ben afgestompt. Het is een beetje als de duizendste aflevering van Goede tijden, slechte tijden: je raakt gevangen in een almaar voortdurende cyclus.

In Berlijn leidde dat tot een soort opstand van publiek en pers. Kupfer werd als intendant van de Komische Oper uiteindelijk afgezet. Zijn opvolger, Andreas Homoki (in Amsterdam in het komende seizoen met een Capriccio-productie te zien) had het in het begin moeilijk om tegen de erfenis van zijn machtige voorgangers in een eigen stijl te vestigen. Het is hem inmiddels gelukt nieuwe accenten te plaatsen, nieuwe mensen binnen te halen en een nieuw publiek te bereiken, onder meer met initiatieven als een stomme-filmserie (Rosenkavalier, Nibelungen, et cetera) en met hippe afterparty’s. Bij de Deutsche Oper is de overgang na de dood van Götz Friedrich in 2000 tot nog toe niet gelukt. Het gezelschap wordt zelfs bedreigd met sluiting, omdat het zich maar niet van het aura van de nog altijd alomtegenwoordige Friedrich kan bevrijden.

Los van de vraag of men Audi’s stijl nou apprecieert of niet: zou er na achttien jaar niet eens over moeten worden nagedacht of opera in Nederland er niet heel anders zou kunnen uitzien? Natuurlijk zouden daarbij de goede Audi-tradities, zoals het hoge aantal premières van contemporaine opera’s – dat als leidraad door het Holland Festival is overgenomen – behouden moeten blijven. Idealiter zou een nieuwe intendant of intendante andere thematische accenten leggen. Bijvoorbeeld: meer belcanto-opera’s tonen, die tegenwoordig alleen bij de Zaterdagmatinee te horen zijn, en nieuwe zangers en regisseurs naar Amsterdam halen. Hij of zij zou ook als publieke persoon meer zichtbaar moeten zijn, als iemand die het product opera in interviews en tv-optredens voor een breed publiek aanlokkelijk kan maken. De Belg Gerard Mortier doet dat briljant, eerst in Brussel, daarna in Salzburg, nu in Parijs. Bij hem wordt over muziektheater heftig gediscussieerd, altijd weer nieuw, altijd weer vol passie. Dat houdt de kunstvorm levend.

De Nederlandse Opera is tegenwoordig ingekapseld, afgesneden van de rest van de wereld, van de Nederlandse samenleving – aangezien kaartjes bijna nooit zomaar aan de kassa te krijgen zijn – en van de internationale opera-scene, die maar in beperkte mate geïnteresseerd is in Audi (en in Decker, als andere hoofdregisseur).

«Compared to when I started in 1988, we now are in an age of maturity», zei Audi in een interview in 2002. In hoeverre echter is deze bereikte rijpheid, dat dreigende rusten op de lauweren van eigen verworvenheden, een kwaliteitsbegrip voor een gezelschap dat innovatief wil zijn en het publiek steeds opnieuw wil verrassen? Is het niet tijd dat De Nederlandse Opera de trossen los gooit, op zoek naar nieuwe kusten?