Naar Parijs

Mijn lichaam weet dingen waar mijn hoofd niet bij kan. Er is een zinnetje in Mokusei! van Cees Nooteboom, dat ik zo vaak heb overgeschreven dat het lijkt alsof het van mij is. Het heeft te maken met pijn, en dat je die zou kunnen vergeten. Net als lust. Ik weet het niet zo met dat vergeten. Mijn lichaam is mijn kompas, het heeft een fenomenaal geheugen.

‘Le corps!’ mailde me een vriendin, in hoogst verliefde staat.

Als het erop aankomt, kunnen we het lichaam niet genoeg egards betonen, al was het maar door het in het Frans aan te spreken.

Ik sta een taart te bakken en besef opeens dat ik geen muziek meer op zet. De stapel vaste cd’s ligt te liggen, ik zet de radio niet aan, de tv blijft uit, de net gekregen platenspeler is gesloten. Ik hul me in oorverdovende stilte, sinds een tijdje. Ik kan mezelf in de spiegeling van de tuindeur zien, het is al donker buiten. Wanneer heb ik voor het laatst gedanst? Meegezongen?

‘Something’s not right’, klinkt het zacht en onheilspellend in Demon Days van Robert Forster. ‘Something went wrong.’

‘Zing je ook?’ vroeg iemand nadat ik een lezing had gegeven.

Wanneer mag je zeggen dat je zingt?

‘Ik vroeg het me af toen je vertelde over schaamte’, zei ze.
‘Het is wel een fantasie van mij’, zei ik. Ik zei er niet bij dat Anouk daaraan vast zit, in rode beha.

Het kwam me op een uitnodiging voor zangles te staan.

‘Voel je niet verplicht hoor’, zei ze nog.

Er zijn mechanismen aan het werk die sterker zijn dan ik. Als ik over de Overtoom fiets, neem ik na de stoplichten de afslag naar het Vondelpark. Zo gauw ik in deze straat ben, voel ik iets in mijn buik opfladderen, mijn hart kloppen. Pas als ik me afvraag waar dat gevoel vandaan komt, besef ik dat het te maken heeft met mijn vorige boek. Het was bijna klaar, ik was aan het zoeken naar een foto of tekening voor het omslag, en kwam na een tip terecht bij een kunstenaarsechtpaar dat hier woont. Mijn werk zat er bijna op, alles kon nu gaan gebeuren. Als ik door deze straat fiets, opkijk naar de gevels, reageert mijn lichaam verwachtingsvol.

Ik zie mezelf in de spiegeling van de donkerte. Er is iets, maar ik weet niet wat

Le corps!

Als kind had ik een periode dat ik geen muziek kon verdragen. Mijn ouders waren voor het eerst samen een paar dagen weg, ze gingen naar Parijs, en ik wist zeker dat ze nooit terug zouden komen omdat ze zouden sterven. Mijn oudste broer paste op ons, hij luisterde naar Radio Noordzee. Het eerste wat ik deed als ik uit school kwam, was overal in huis de radio uit zetten. Ik was me aan het voorbereiden op wat komen ging.

Demon Days is een nummer dat ik niet zomaar kan aanhoren, Mokusei! een boek dat ik niet zomaar kan lezen. Het heeft een hoofdpersonage dat niet kan bevatten wat hij voelt, en denkt steeds opnieuw iets te moeten beleven om te weten wat het is. Ik hoef Mokusei! alleen maar uit mijn kast te pakken om weer te weten wat ik voelde, de keren dat ik dit boek las. Mijn lichaam herinnert zich alles, eerder dan ikzelf. Om opwinding over mezelf af te roepen, hoef ik alleen maar die afslag van de Overtoom te nemen. Dat ik pijn heb in mijn rechterarm merk ik omdat mijn linkerarm het over wil nemen, terwijl die arm overal vier keer zo lang over doet en slechter werk levert. Mijn linkerknie wil niet dat ik op mijn hurken ga zitten.

‘Zachte ogen, zachte kaken’, zegt de sportjuf.

Ik vind het bespottelijk dat ze dat zegt, maar mijn lichaam gehoorzaamt.

Mooie vrouwen. Dat gaat ze straks ook nog zeggen, terwijl mijn linkerknie protesteert.

Wanneer heb ik voor het laatst gedanst?

Wanneer heb ik voor het laatst iemand de waarheid gezegd?

Vroeger was niet alles leuker, maar ik wel, ben ik bang. Slimmer, oprechter. Nu wil mijn lichaam dat ik vergevingsgezind ben. Zacht.

Le corps!

Ik zie mezelf in de spiegeling van de donkerte. In volkomen stilte en met volmaakte routine druk ik het deeg uit in de taartvorm. Er is iets, maar ik weet niet wat. Mijn lichaam rouwt, maar ik weet niet waarom.