Hoe de VVD conservatief werd

Naar rechts, naar rechts, verder naar rechts

De aanname dat Mark Rutte geen politieke visie zou hebben is ongefundeerd. Hij heeft van de VVD een nieuw-rechtse behoudende partij gemaakt. Met als boegbeelden Ronald Reagan, Margaret Thatcher en Frits Bolkestein.

Medium hh 61483660
3FM Serious Request vraagt aandacht voor zieke kinderen. De minister-president draagt vrolijk zijn steentje bij © Raymond van Olphen / HH

‘Rechts kan het stellen zonder meningen omdat het belangen heeft’, schreef Harry Mulisch ooit. Het is een sentiment dat nog altijd het beeld van de vvd bepaalt, de machtigste partij van het land. Het zou een partij zijn van nuchtere kooplui, wars van grootse visies, ideologisch debat of diepzinnige gedachten. We zien het terugkomen in de wat gemakzuchtige interpretaties van de toespraken van Mark Rutte. ‘Visie is als de olifant die het uitzicht belemmert’, stelde Rutte in zijn beroemde H.J. Schoo-lezing uit 2013. Het leidde tot veel laatdunkende reacties in de pers en bepaalde zijn imago als visieloos leider. ‘Dat we inhoudelijk geen wonderen van hem mochten verwachten, maakte hij in zijn eerste zinnen al duidelijk’, constateerde de Volkskrant op zelfgenoegzame toon. Bij nader inzien is het juist deze veel beschimpte H.J. Schoo-lezing die getuigt van een duidelijke politieke visie: de vvd combineert als nieuw-rechtse partij een neoliberale economische visie met een conservatieve visie op cultuur.

***

Wie van een veilige afstand de moerassige delta van de Nederlandse politiek aanschouwt, ziet een op het eerste gezicht weinig leesbaar landschap. Een onoverzichtelijke wirwar van chaotische vertakkingen, ruisende beekjes en modderige poelen heeft de plaats ingenomen van het oude driestromenland. De voormalige hoofdstromen hebben niet enkel aan betekenis ingeboet, ook de oude beddingen zijn verlaten. De sociaal-democraten zijn overgegaan op het sociaal-liberalisme van de Derde Weg; wat eens het christelijke midden was positioneert zich nu op de rechterflank; en de liberalen, zo luidt de veelgehoorde observatie, die zijn weinig liberaal meer.

Het vvd-verkiezingsprogramma Zeker Nederland ‘is een honderd pagina’s lange antithese van zo’n beetje alles wat het liberalisme liberaal maakt’, schreef Rob Wijnberg een tijdje terug. De droge tekstanalyse van Wijnberg leverde veelzeggende resultaten op: de woorden ‘blijven’, ‘houden’ en ‘behouden’ komen maar liefst 163 keer terug, zes keer zo veel als de woorden ‘verbeteren’, ‘veranderen’ en ‘innoveren’. ‘Nederland moet Nederland blijven’, zei Rutte al in Zomergasten. Voor het geval iemand dat gemist heeft, herhaalt het partijprogramma dat nog een aantal keren, in verschillende creatieve bewoordingen.

De vvd slaat al langer een opvallend conservatieve toon aan. ‘We ergeren ons het meest aan hufterigheid, egoïsme, mensen die alleen geloven in het Dikke Ik’, stelde Rutte in een toespraak op het vvd-partijcongres van 2015, waarna hij zich hard maakte voor de waarden van de hard werkende Nederlander. Ook klaagde hij over het gebrek aan respect voor de autoriteit van werknemers in de publieke sector, bij defensie, bij de politie en in de zorg. Voor een partij die een historisch imago koestert van antibetutteling is deze moraliserende toon een opvallend gegeven.

Voor Wijnberg heeft de huidige koers van de vvd maar weinig te maken met wat hij onder liberalisme verstaat. Namelijk een progressieve filosofie – Wijnberg noemt als boegbeeld John Stuart Mill – gericht op sociale en economische gelijkheid. Een stroming die voorop gaat in de drang naar verandering en vooruitgang, en daarbij uitgaat van een positief mensbeeld en een kosmopolitisch wereldbeeld. Een beweging die conservatieve religies fel bestrijdt en een aanjager is van de wetenschap. Als dit het liberalisme is, dan is de vvd inderdaad geen liberale partij.

Bolkestein weet de betreurde culturele revolutie van de jaren zestig en zeventig aan de verwaarlozing van de Heidelbergse Catechismus

Er wordt wel gezegd dat het liberalisme een huis is met vele kamers. Wat daar meestal niet bij wordt verteld is dat de vvd zich sinds de jaren tachtig is gaan terugtrekken in het rechterdeel van dit labyrintische gebouw, de conservatief-liberale vleugel. We kunnen zelfs stellen dat er pogingen zijn ondernomen om de progressief-liberale huisgenoten geheel buiten te sluiten en de toegang tot het huis te ontzeggen. De denker waar de vvd het meest mee te koop loopt is niet voor niets Friedrich Hayek. In zijn boek The Fatal Conceit rekende Hayek op ongenadige wijze af met John Stuart Mill, en noemde hij diens progressief-liberalisme een aberratie van het liberale denken. Mills concept van sociale en distributieve rechtvaardigheid zou volgens Hayek een paard van Troje zijn, waarlangs de socialisten het bolwerk van de liberale traditie waren binnengedrongen. Mills ideeën zouden leiden tot totalitarisme.

Wie de huidige koers van de vvd en de toespraken van Rutte wil begrijpen, doet er goed aan om de publicaties van de toonaangevende vvd-denkers uit de jaren tachtig en negentig te lezen, zoals Frits Bolkestein, Paul Cliteur en Andreas Kinneging. De lezer treft hier een intellectuele tendens die in veel opzichten posities verdedigt die tegengesteld zijn aan die welke Rob Wijnberg met het liberalisme associeert. Deze conservatieve stroming verdedigt sociale en economische ongelijkheid en is sceptisch ten opzichte van verandering en vooruitgang. Zij benadrukt het beperkte menselijk kenvermogen en brengt de wet van onbedoelde effecten in stelling tegen de vooruitgangsoptimisten. Een pessimistisch mensbeeld staat in deze filosofie centraal, tezamen met een sterke nadruk op traditie en cultuur. Zo weet Bolkestein de door hem betreurde culturele revolutie van de jaren zestig en zeventig aan de verwaarlozing van de Heidelbergse Catechismus, de protestantse doctrine van de zondigheid van de mens.

***

Dit filosofische conservatisme komt ook terug in de H.J. Schoo-lezing van Mark Rutte. Paradoxaal genoeg is de beroemde uitspraak over visie als een olifant die het zicht ontneemt, visie als totalitaire blauwdruk voor de toekomst, te herleiden tot een belangrijke politieke visie. Namelijk die van het politieke conservatisme en zijn verzet tegen de abstracte rede van het Franse verlichtingsdenken. Het revolutionaire liberalisme stelde dat er op basis van de rede universele principes geformuleerd kunnen worden, om de samenleving op een logische en rechtvaardige wijze te organiseren. Het bond de strijd aan met de irrationele en repressieve juridische en economische systemen overgeleverd uit de feodale tijd, gekenmerkt door bijgeloof, willekeur en religieus dogma. De geschiedenis stond in het teken van de vooruitgang: de mens kon bevrijd worden en door wetenschap en cultuur op een hoger plan getild worden.

Zoals de socioloog Karl Mannheim liet zien in zijn klassieke studie over het conservatisme ontstond deze tegenbeweging in een poging om het tij van de revolutie te keren. Kennis, zo luidde het conservatieve weerwoord, is vervat in tradities en culturen die niet in een blauwdruk gevangen kunnen worden. Zoals Mark Rutte stelde: ‘Een samenleving past niet in een mal.’ Het conservatisme keerde zich tegen het universalisme door te wijzen op de unieke subjectiviteit van individuen en van historisch gegroeide culturen. De samenleving is een complex, levend organisme dat niet in een rationele orde te vangen is. Tegenover het maakbare mensbeeld van de progressieven plaatsen de conservatieven een pessimistische visie: de mens is inherent gedreven door hebzucht en primaire passies. De conservatief verdedigt daarom hiërarchie, (civiele) religie en autoriteit. Weer anderen zien in competitie op de vrije markt een middel om deze passies te kanaliseren onder de noemer private vices, public benefits.

***

De vooraanstaande socioloog en vvd-intellectueel Jacques van Doorn stelde al eerder dat de liberale traditie in Nederland in filosofisch opzicht eerder uit de Contra-Verlichting dan uit de Verlichting stamt. Het belangrijkste boek van Bolkestein, De intellectuele verleiding, is een klassiek conservatief statement. In het boek betoogt hij dat abstracte ideeën gevaarlijk zijn, bovenal als ze universeel zijn en niet gestoeld op concrete, subjectieve ervaring. Als de jeugd aan ideeën blootgesteld wordt, kan het zelfs leiden tot zoiets als mei ’68. Volgens de in 2012 overleden NRC-columnist J.L. Heldring, een groot kenner van het conservatisme, zit er onder Bolkesteins ‘verschijning van de Amsterdamse koopman die de hele wereld heeft gezien’ een traditionele conservatief verstopt.

‘Het conservatisme is een leuk meisje waarmee ze allemaal wel een afspraakje willen, maar niet in het openbaar’

Iets vergelijkbaars kan over Rutte gezegd worden: achter het masker van onuitroeibaar Prodent-optimisme schuilt een conservatief denker, die de verzorgingsstaat bekritiseert als geluksmachine. Rutte grijpt in zijn H.J. Schoo-lezing terug op een vroege visie op de verzorgingsstaat, die van de ‘gemeenschap georganiseerd in de staat’, waarin de gemeenschap zo veel mogelijk taken zelf op zich neemt. Volgens Rutte levert dit een hechtere samenleving op, waar het ‘bezielde verband uit mensen zelf komt’. Dit is een duidelijk conservatieve visie, geïnspireerd op Bolkesteins ideeën uit de jaren negentig over het ‘bezielende verband’ en het Big Society-concept van de Britse Conservatieven, waarbij de taken die een terugtredende overheid laat vallen, worden opgevangen door vrijwillig initiatief vanuit het maatschappelijk middenveld. De aanname dat Rutte geen visie zou hebben is ongefundeerd. Misschien is het eerder zo dat de Nederlandse journalistiek niet bijzonder is geïnteresseerd in het reconstrueren van politieke visies.

Nu is het standaardverhaal over de vvd dat het een liberale partij is, met haar wortels in de Verlichting en de Franse Revolutie. Kijken we naar vvd-intellectuelen als Jacques van Doorn, Frits Bolkestein, Frank Ankersmit, Paul Cliteur, of zelfs de ‘man zonder eigenschappen’ Mark Rutte, dan valt op dat de vvd eerder put uit een intellectuele traditie die door Isaiah Berlin de Contra-Verlichting is genoemd. Dat wil niet zeggen dat de vvd enkel een conservatieve en geheel geen liberale partij is. Het conservatisme en het liberalisme zijn niet altijd tegengestelden geweest en de precieze grens tussen de twee denksystemen is moeilijk vast te stellen. Door de tijd heen zijn er mengvormen ontstaan van liberaal conservatisme en conservatief liberalisme.

Medium anp 968024
30 juli 1998, Frits Bolkestein verlaat zijn kamer, op weg naar de persconferentie waarin hij het voorzitterschap van de VVD-fractie overgeeft aan Hans Dijkstal © Paul Vreeker / ANP

Paul Cliteur publiceerde in 1989 een indrukwekkend proefschrift van zeshonderd pagina’s over het (neo)conservatisme waarin hij de overeenkomsten schetste tussen de filosofie van Friedrich Hayek en Karl Popper en die van de grondlegger van de conservatieve traditie Edmund Burke. In internationaal opzicht is de vvd de natuurlijke pendant van de Amerikaanse en Britse conservatieven. Men is echter koopman genoeg om te beseffen dat het conservatisme een slecht merk is in Nederland. In de inleiding van zijn heruitgegeven proefschrift noemt Cliteur het conservatisme dan ook een ‘forbidden faith’: ‘Het conservatisme is een leuk meisje waarmee ze allemaal wel een afspraakje willen, maar niet in het openbaar.’

***

Er is opvallend weinig geschreven over deze invloedrijke conservatieve stroming binnen de vvd. Veel politiek analisten en commentatoren worden daarbij gehinderd door een opmerkelijk cliché dat over de partij de ronde doet. Het standaardbeeld van de vvd is dat het een partij van nuchtere pragmatici is. De vvd heeft nog altijd de reputatie dat de partij enkel bestaat uit wat Eduard Douwes Dekker eens ‘exemplaren uit het droogstoppelras’ noemde ‘die voortgaan hun zaakjes op de bekende wijs te behartigen’. Een mooi voorbeeld van het genre is het boek Mark van Sheila Sitalsing. Het vlot, stijlvol en humoristisch geschreven verslag van de opkomst van Mark Rutte is in zijn nuchtere en montere toon bijna het evenbeeld van Mark Rutte zelf. ‘De vvd is veel, maar bovenal een gezelligheidsvereniging annex bestuurdersnetwerk’, schrijft Sitalsing. ‘Als er ruzie is, is er ruzie om de poppetjes, zelden om de inhoud. Aan splijtende debatten over het aantal engelen dat kan dansen op de punt van een naald zal de partij niet snel ten onder gaan.’ Je kunt in de partij een boom opzetten over Popper en Hayek, zo stelt Sitalsing, maar diep in hun hart vinden veel vvd’ers dat hobbyisme van een handvol dames en heren. Ideologie is onbelangrijk binnen de partij. Permanente en zorgelijke gesprekken over aard en wezen van het liberalisme ontbreken.

Als er een partij is waar het ideeëncomplex is uitgedacht dat de dragende constructie vormt van onze huidige tijdgeest, dan is het wel de VVD

Dit beeld is veel te eenzijdig. Het is aannemelijk dat velen in de vvd-top nuchtere pragmatici zijn met een afkeer van politiek denken. Maar het is juist deze partij die lange tijd een biotoop vormde voor een politieke figuur dat we bijna on-Nederlands kunnen noemen: sterk ideologisch gedreven, intellectueel gevormd, strijdlustig, scherp, altijd op zoek naar controverses. Denk aan Frits Bolkestein, Geert Wilders, Ayaan Hirsi Ali, Andreas Kinneging, Gerry van der List of Paul Cliteur. Zelfs Mark Rutte kan niet los gezien worden van wat deze school van ideologen heeft bewerkstelligd. Als er een partij is die intellectueel de toon heeft gezet, waar het ideeëncomplex is uitgedacht dat zogezegd de dragende constructie vormt van onze huidige tijdgeest, dan is het wel de vvd. We hebben het weliswaar over een minderheid, waarvan velen de partij inmiddels uit onvrede verlaten hebben, maar terugkijkend is het een opvallend invloedrijke stroming geweest.

***

De huidige koers van de vvd is nog het best te begrijpen tegen de achtergrond van het Britse en Amerikaanse nieuw-rechts. Nieuw-rechts, met als boegbeelden Ronald Reagan en Margaret Thatcher, is een fusiebeweging waarin neoliberalisme en (neo)conservatisme een soms wat ongemakkelijk huwelijk zijn aangegaan. Men was neoliberaal op economisch gebied en conservatief op cultureel gebied. Eenzelfde hard-rechtse koers stond Bolkestein voor in Nederland, wat hem in botsing bracht met de centristen en progressief-liberalen in de vvd. Een centraal referentiepunt voor nieuw-rechts, opgepikt door Bolkestein in de jaren negentig, was het boek van de Amerikaanse neoconservatief Daniel Bell, The Cultural Contradictions of Capitalism. Volgens de neoconservatieven is het kapitalisme inherent geneigd zijn eigen doodgravers te creëren, omdat het de culturele voorwaarden van zijn eigen bestaan ondermijnt.

De neoconservatieve analyse was geïnspireerd op Max Webers sociologische klassieker De protestantse ethiek en de geest van het kapitalisme. Aan de ene kant functioneert het kapitalisme bij de gratie van een onderliggende traditionele (protestantse) moraal: spaarzaamheid, werkethiek, geduld, zelfdiscipline, doorzettingsvermogen en zo verder. Aan de andere kant is het kapitalisme een systeem van voortwoekerende rationalisatie, zijn technologie en dynamisme zijn revolutionair en komen voort uit de moderniteit. Het is deze dynamiek van het kapitalisme zelf, die in Marx’ beroemde woorden uit het Communistisch Manifest als een soort ‘heksenmeester’ al het vaststaande doet verdampen en al het heilige ontwijdt.

In tegenstelling tot Marx, die het kapitalisme op sociaal-economische gronden bestreed, wilden de neoconservatieven het kapitalisme redden, door op cultureel vlak tegengas te geven. Daniel Bell zag de opkomst van de libertijnse en hedonistische cultuur van de jaren zestig en zeventig dan ook als een uitwas van de kapitalistische consumptiecultuur. Bovenal de elites in de cultuurindustrie, waar alles wat god verboden had aan de bevolking werd voorgeschoteld, ondermijnden de traditionele moraal die noodzakelijk was voor het voortbestaan van het kapitalisme. Two Cheers for Capitalism, zo uitte Irving Kristol, de godfather van het neoconservatisme, op beroemde wijze zijn voorbehoud.

Op economisch vlak was nieuw-rechts sterk neoliberaal, vóór de ontketening van het kapitalisme door vrijhandel en globalisering, door liberalisering, deregulering en flexibilisering. Tegelijkertijd verwierp ze op cultureel vlak de normen en waarden die de kapitalistische moderniteit bracht en wees ze de progressieve culturele elites aan als de oorzaak van het probleem. Wat nieuw-rechts zo met veel succes voor elkaar kreeg, is het culturaliseren van de maatschappelijke onvrede die een ontketend kapitalisme genereert. De befaamde culture wars waren het gevolg.

Bepleit werd een akkoord met het CDA om de strijd aan te gaan tegen het ‘vrijheid-blijheiddenken’ en ‘de erfenis van de jaren zestig’

Thomas Frank schreef erover in zijn boek What’s the Matter with Kansas: ‘De onderstroom van maatschappelijke onvrede gaat slechts een richting op: naar rechts, naar rechts, verder naar rechts. Ontneem inwoners van Kansas hun baanzekerheid, en ze gaan zich registreren als Republikeinen. Onteigen hun land, en voor je het weet gaan ze protesteren voor de abortusklinieken. Verspil hun pensioenen aan een manicuurbehandeling voor de ceo en er is een goede kans dat ze zich aansluiten bij de (rechts-radicale) John Birch Society.’

***

Bolkestein bepleitte een vergelijkbare koers. Op economisch gebied was hij sterk voorstander van globalisering en de verdere flexibilisering en liberalisering van de arbeidsmarkt (de beruchte Bolkestein-richtlijn poogde op Europees gebied de dienstensector te liberaliseren en vrij verkeer van werknemers mogelijk te maken). Op cultureel terrein was conservatisme geboden: ‘Op dat terrein vormen instabiliteit en verbrokkeling een groter gevaar, mede door de komst van veel mensen met andere normen en waarden.’ De onzekerheid die het economisch beleid genereerde werd zo op het vlak van cultuur geadresseerd. Noem het ironie van de geschiedenis: uitgerekend de vvd kwam in de jaren negentig met een kapitalismekritiek. De sociaal-democratie, zo stelde Bolkestein guitig vast, was neoliberaal geworden. De vvd wierp zich op het conservatisme op het moment dat bijna alle andere partijen het liberalisme omarmden.

De journalist Marcel ten Hooven schreef in 1995 een intrigerend essay in Trouw, getiteld ‘Het conservatieve offensief’. Hij constateerde daarin dat het conservatisme van de vvd blijkbaar appelleerde ‘aan gevoelens van onbehagen onder burgers die de razendsnelle ontwikkeling in economie, politiek en cultuur als een bedreigende maalstroom ervaren. Ze voelen zich bedreigd in hun waarden en vooruitzichten.’ Ten Hooven vermeldde daarbij de Joegoslavische immigratiestromen die dat onbehagen hadden gevoed. Wie het leest, verbaast zich over de vele parallellen met het heden, evengoed een tijd waarin de onvrede over de globalisering zich lijkt te richten op immigratie en de progressieve moraal van culturele elites in plaats van op de economische elite. De politicoloog Cas Mudde constateerde in zijn analyse van Donald Trumps verkiezingsoverwinning dat populistische bewegingen sociaal-economische onvrede kanaliseren richting culturele thema’s. Het is evenwel een veel breder en ouder fenomeen.

Deze nieuw-rechtse stroming gaf ook de aanzet tot een aantal splijtende debatten binnen de vvd zelf over aard en wezen van het liberalisme, die het huidige karakter van de partij mede hebben bepaald. Zo vond er bij het veertigjarig bestaan van de vvd in 1988 een felle discussie plaats over de koers van de partij. Dit aan de hand van de degelijke en sterk theoretisch ingestoken publicatie Liberalisme, een speurtocht naar de filosofische grondslagen, geschreven door Kinneging en Bolkestein, die toen nog partijleider moest worden. In deze tekst werd ervoor gepleit om het progressief-liberalisme oftewel ontplooiingsliberalisme de rug toe te keren en een harde neoliberale koers in te zetten, onder de noemer utilitair liberalisme. De filosofie van Hayek, in brede kring beschouwd als grondlegger van het neoliberalisme, was een centrale referentie.

Hier zien we ook wat een voorname rol filosofisch hobbyisme kan spelen. Hayeks plaatsbepaling ten opzichte van John Stuart Mill en het progressief-liberalisme is uitgewerkt in Isaiah Berlins bekende onderscheid tussen negatieve en positieve vrijheid. In het kort: de vrijheid van – de afwezigheid van dwang en externe (overheids)interventie als voorwaarde voor vrijheid; en de vrijheid tot – de beschikbaarheid van middelen als voorwaarde voor vrijheid, het principe dat aan de basis ligt van de verzorgingsstaat. Net als Hayek portretteerde Berlin positieve vrijheid, en daarmee progressief-liberalisme, als een hellend vlak richting totalitarisme. Kinneging en Bolkestein stelden op vergelijkbare wijze dat ‘het streven naar positieve vrijheid ten koste van negatieve vrijheid niet tot een grotere vrijheid leidt, maar tot een vernietiging van beide aspecten van de vrijheid en dat wat men met de erkenning van positieve vrijheid wil bereiken vanzelf voortvloeit uit negatieve vrijheid’. Zo keerden Kinneging en Bolkestein zich tegen de verzorgingsstaat en het gelijkheidsideaal. De publicatie vormde de achtergrondstudie bij de nota Liberaal Bestek ’90, waarmee men de partijkoers sterk naar rechts probeerde bij te stellen, op economisch vlak maar ook op het gebied van migratie en law and order. Het leidde tot felle reacties. ‘We kregen het hele land over ons heen’, zei vvd-prominent Uri Rosenthal later.

Een tweede belangrijk ideologisch debat speelde midden jaren negentig. Bolkestein en de TeldersStichting, het wetenschappelijk bureau van de vvd, entameerden het normen-en-waardendebat waar Jan Peter Balkenende en het cda later mee geïdentificeerd werden. In de TeldersStichting-publicatie Tussen vrijblijvendheid en paternalisme was de conservatieve motivatie vrij expliciet: ‘Wij willen op de een of andere manier het conservatieve deugdenethos incorporeren in de liberale vrijheidsleer.’ Het was de tijd waarin Bolkestein pleitte voor een moraliserende overheid en een ‘bezielend verband’, waarbij ook het christendom weer in het programma van de vvd vermeld moest worden. Medeauteur Gerry van der List bepleitte een Conservatief Akkoord met het cda om de strijd aan te gaan tegen het ‘vrijheid-blijheiddenken’ en ‘de erfenis van de jaren zestig’. Basis van het programma zou een herstel van ‘burgermansfatsoen’ zijn, naast de sanering van overheidsfinanciën, vergroting van het particulier initiatief, bevordering van law and order en een beschaafd nationalisme. Rutte spreekt inmiddels niet over burgermansfatsoen maar over de waarden van de hard werkende Nederlander.

***

In beide conflicten werd de conservatieve vleugel van de vvd uiteindelijk geneutraliseerd. De progressief-liberaal Hans Dijkstal zou de koers gaan bepalen. Hij beriep zich weliswaar niet op het aantal engelen dat kan dansen op de punt van een naald, maar hij verdedigde zijn positie tegenover Bolkestein met een beroep op de Franse Revolutie, het vvd-equivalent van dansende engelen. Bolkestein vertrok naar Brussel en conservatieven als Kinneging en Cliteur stapten uit de partij. In 2000 zouden ze de Edmund Burke Stichting oprichten, met Bart Jan Spruyt als voorzitter, de latere ideoloog van Geert Wilders. In de strijd tussen Rita Verdonk en Mark Rutte kwamen de oude tegenstellingen weer naar voren, waarbij Hans Wiegel en Frits Bolkestein de kant van Verdonk kozen. Rutte won, maar nam het conservatieve denken over.

In de publieke beeldvorming leeft het idee dat Pim Fortuyn en Geert Wilders de grote vernieuwers waren die dingen bespreekbaar maakten die dat daarvoor niet waren. Wie terugkijkt ziet dat bijna alle thema’s waar het rechts-populisme zijn doorbraak mee zou beleven midden jaren negentig al aanwezig zijn. Walter Benjamin parafraserend, kunnen we stellen dat achter elk populisme een gefaalde revolutie schuilt. In dit geval was het een gefaalde conservatieve paleisrevolutie op rechts, binnen de vvd. Als Wilders zich begint te roeren, in een Volkskrant-interview in 2003, verwijst hij naar een publicatie van de Edmund Burke Stichting, De crisis in Nederland en het conservatieve antwoord, en stelt dat ook de studie uit 1988 weer ingezet moet worden om de koers van de vvd naar rechts te verleggen. Er is wat voor te zeggen dat het cultureel conservatisme van de vvd zo succesvol is gebleken dat het zich heeft verzelfstandigd tot een eigenstandige stroming. Een ander perspectief is dat de pvv en de vvd samen één nieuw-rechtse stroming vormen, op vele terreinen botsen maar elkaar ook versterken, met een vergelijkbare dynamiek als Thomas Frank in Kansas zag: de onvrede leidt ‘naar rechts, naar rechts, verder naar rechts’.

Wat te doen met de maatschappelijke onvrede? Schrijfster Zadie Smith vergeleek de burger onlangs met een complex muziekstuk, waarin sommige melodieën naar voren gehaald kunnen worden en andere genegeerd of weggemoffeld, afhankelijk van degene die dirigeert. Het probleem is dat wereldwijd de grofste melodieën naar voren komen. Deuntjes die doen herinneren aan oude krijgsliederen. Degenen die zich nog een fijnere melodie weten te herinneren, zo concludeerde Smith, moeten nu proberen om deze te spelen, en anderen zo ver te krijgen om mee te zingen.