De Turkse identiteit onder druk

Naar zijn eigen hemel

De moord op journalist Hrant Dink heeft Turkije in tweeën gesplitst. Voor het eerst in de Turkse geschiedenis gingen honderdduizenden mensen de straat op met leuzen als: ‘Wij zijn allemaal Armeniërs’. Nationalistische advocaten willen hen allemaal voor de rechter slepen.

‘Ze hebben onze armen en vleugels kapot gemaakt, ze hebben ons monddood gemaakt’, zei Sarkiz, een familielid van Hrant Dink. Dink was de stem van de Armeniërs in Turkije. Op de ochtend van 23 januari verzamelen mensen zich voor de redactie van Agos om Dink te begraven. Dink, enkele dagen daarvoor vermoord, was oprichter en hoofdredacteur van deze Armeense krant, die tweetalig wordt uitgegeven. Voor het gebouw in de Istanbulse wijk Sisli groeit de menigte snel tot tienduizenden demonstranten. De stille woede is van de gezichten af te lezen. Man, vrouw, oud, jong, Turks, Koerdisch, Armeens – ze hebben één ding gemeen: ‘We zijn allemaal Hrant, we zijn allemaal Armeniërs.’ De teksten op de protestborden liegen er niet om, de gescandeerde leuzen evenmin. Hier is een aanslag gepleegd op heel Turkije, zo wordt het ervaren. Dink was overigens niet de eerste vermoorde journalist in Turkije. Sinds 1909 zijn 61 journalisten geliquideerd, door nationalisten, fundamentalisten, maar ook door overheidsdienaren. De meeste daders zijn nooit bestraft.

De ochtend van de begrafenis is niet alleen historisch vanwege de massale demonstratie, maar ook omdat er een taboe wordt doorbroken. In het Turks bestaan veel scheldwoorden die terugslaan op de Armeense minderheid in Turkije. ‘Zoon van Armeniërs’ staat gelijk aan ‘landverrader’. Als je zegt: ‘Ik ben Armeniër’ word je sowieso gezien als landverrader. Daardoor durven veel Armeniërs die in Turkije wonen niet hun eigen naam te gebruiken. Dat op die ochtend honderdduizenden mensen in het hele land met zulke protestborden de straten op gaan, mag een unicum genoemd worden.

De linkse Dink was een volksintellectueel. Hij verschanste zich niet alleen achter dikke boeken, hij sprak ook de taal van gewone mensen. Hij was geliefd bij velen, nationalisten uitgezonderd. ‘Ik heb hem niet gekend, maar ik was verliefd op hem’, zei een vrouwelijke, Turkse kennis na de begrafenis. ‘Wat hij zei, kon ik goed volgen. Hij sprak mijn taal.’

Dink werd vorig jaar tot zes maanden voorwaardelijk veroordeeld op grond van artikel 301. Hij zou het Turkse volk hebben beledigd met de woorden ‘Armeense genocide’ en: ‘Het Turkse bloed is besmet’. Zijn uitspraak was verkeerd geïnterpreteerd. In een voorgesprek dat ik vorig jaar met hem had naar aanleiding van zijn veroordeling zei hij dat het hem niet zozeer om het woord ‘genocide’ ging, maar om het democratiseringsproces van het land. Vrijheid van meningsuiting was voor hem een groot goed. Hij zei letterlijk: ‘In een democratisch Turkije kun je heel veel dingen bespreekbaar maken. Dan kun je ook de Armeense kwestie ter discussie stellen.’ Hij zocht naar een moment waarop de Armeense genocide eindelijk bespreekbaar werd: ‘Het spelen met woorden is voor mij niet belangrijk; het gaat om de inhoud.’

Toen Frankrijk de ontkenning van de Armeense genocide strafbaar wilde stellen, zei Dink in verschillende Turkse kranten dat hij naar dat land zou afreizen om de genocide te ontkennen. Waarmee hij aangaf dat vrijheid van meningsuiting boven alles stond. Op de ochtend van de begrafenis van Dink werd duidelijk dat een groeiend deel van de Turkse bevolking de diepgang van zijn woorden wel had begrepen. Hij bleek een grotere schare aanhangers te hebben dan tot dusver zichtbaar was. Tegelijkertijd bracht de demonstratie ook iets anders aan de oppervlakte, namelijk het groeiende nationalisme in Turkije. De moord op Dink heeft het land min of meer in tweeën gesplitst: zij die democratisering van het land voorstaan staan tegenover degenen die vasthouden aan een misplaatst eergevoel.

De invoering van artikel 301 is al een op zichzelf staande nationalistische daad in een juridisch sausje. ‘De Turkse identiteit’ moet ongeschonden blijven. Wie zich kritisch uitlaat over het Turkse heden of verleden wacht de gevangenis. Artikel 301 maakt het mogelijk het nationalisme tot in het absurde door te voeren. Advocaten hebben naar aanleiding van de grote demonstratie rondom Dinks begrafenis aangekondigd alle betogers voor de rechter te willen dagen.

Orhan Pamuk is inmiddels publiekelijk gewaarschuwd door een van de verdachten van de moord op Dink. ‘Pamuk moet goed nadenken’, zei hij, terwijl hij door agenten werd afgevoerd. De Nobelprijswinnaar was eveneens door een nationalistische advocaat voor de rechter gedaagd vanwege uitspraken over de Armeense genocide. Hij werd vrijgesproken, zeer waarschijnlijk vanwege zijn grote bekendheid. Maar er lopen nog tientallen rechtszaken tegen minder bekende goden die de moed hadden de Armeense kwestie ter discussie te stellen. Tot nu toe heeft het alleen nog bij Dink tot een veroordeling geleid.

Pamuk heeft afgelopen week artikel 301 en de verdedigers ervan verantwoordelijk gesteld voor de moord op Dink. Hij deed dat openlijk tijdens een bezoek aan Dinks krant Agos. Hij verwoordde wat velen denken. Want ook tijdens de demonstratie werden protestborden meegedragen met de tekst: ‘Katil 301’ oftewel ‘Moordenaar 301’. Veel mensen hopen dat dit artikel zal worden afgeschaft. Nu is ook de tijd om dat te doen.

Volgens Cemil Çiçek, de minister van Justitie, moet de discussie over artikel 301 nu niet gevoerd worden: ‘Nu is niet het moment om erover te praten, dat zien we later.’ Ook de minister van Buitenlandse Zaken Abdullah Gül wil niet horen van afschaffing. ‘Als het nodig is, kunnen we artikel 301 wijzigen’, zei hij na de moord op Dink. Ondanks de groeiende kritiek is de regering niet van plan om het artikel te schrappen. Want 2007 is het jaar van de verkiezingen in Turkije. In mei zijn er presidentsverkiezingen, in november parlementsverkiezingen. De regering-Erdogan is bang om de stemmen van de nationalistische Turken te verliezen.

Hoe gevoelig de kwestie van de Armeense genocide en het nationalisme ligt, laat ook de reactie van de vice-voorzitter van de Turkse moederpartij van Milli Görüs zien. Hij zag de hand van de Mossad of de cia in de moord op Dink. Buitenstaanders zouden de Turken uit elkaar willen spelen.

Devlet Bahceli, leider van de nationalistische actiepartij mhp, bekend als Grijze Wolven, zei kort na de moord tijdens een persconferentie: ‘301 moet blijven bestaan. Moet het soms vrij zijn om de Turkse identiteit te beledigen? Je kunt een wetsartikel niet verantwoordelijk houden voor een moord.’ De mhp heeft in het verleden vaker anti-Armeense gevoelens aangewakkerd. In 2004 verscheen de Armeense film Ararat, die op bedekte wijze toespelingen maakte op de genocide die rond 1915 plaatsvond. Bioscoopeigenaren werden door mhp’ers bedreigd en na talloze demonstraties werd de film uiteindelijk uit de cinema’s gehaald.

De arm van de mhp reikt ver, want ook in Nederland hebben Grijze Wolven Armeniërs aangevallen. Eind jaren negentig wilden Armeniërs in Assen een monument oprichten voor de slachtoffers van de genocide. Vanuit de Turkse gemeenschap in Nederland kwamen hevige protesten, waarbij de Grijze Wolven in de voorhoede stonden. Er werd gedreigd met demonstraties, handtekeningen werden verzameld, de gemeente Assen werd bestookt met mailbommen en de Armeense initiatiefnemer moest onderduiken. In 2001 kwam het monument er dan toch, maar de oorspronkelijke tekst werd gewijzigd. Het woord ‘genocide’ wordt niet meer genoemd, als gevolg van alle intimidatie en bedreigingen.

Erger zijn de feiten die naar boven kwamen toen de Grijze Wolf en meest gezochte crimineel van Turkije, Abdullah Catli, samen met de korpschef van Istanbul in 1996 verongelukte en een diplomatiek paspoort op zak bleek te hebben. Een parlementair onderzoek volgde. Uit een geheim deel van het rapport bleek dat Catli een waslijst aan misdaden tegen Armeniërs in Europa had gepleegd, in opdracht van de Turkse veiligheidsdienst mit. Op die lijst prijkte onder meer een nooit opgeloste moord in november 1982 op de Armeniër Nubar Yalimian uit Utrecht. Verder bleek hij een bomaanslag te hebben gepleegd op de Armeense jongerenorganisatie in Enschede en op een Armeens café in Hengelo.

In februari 2004 verscheen in Dinks krant Agos een artikel waarin gesteld werd dat de geadopteerde dochter van Atatürk, Sabiha Gökcen, een Armeense zou zijn. Hierna werd Dink persoonlijk bedreigd door Levent Temiz, de voorzitter van Ülkü Ocaklari, de jongerenorganisatie van de mhp: ‘Vanaf nu is onze woede en haat gericht tegen Hrant Dink.’ Leden van Temiz’ organisatie deden massaal aangifte tegen hem en ze gingen de straat op. Een van de leuzen luidde: ‘Je houdt van dit land of je rot op’.

Veel nationalisten hadden de hoop dat Dink in afwachting van zijn veroordeling naar aanleiding van artikel 301 het land uit zou vluchten. In Armenië of Frankrijk of waar dan ook ter wereld had hij gemakkelijk een vluchtelingenstatus gekregen. ‘Ik ga niet naar een hemel die niet van mij is’, was Dinks simpele antwoord. En hij bleef en hoorde de veroordeling aan. Tijdens de begrafenis liet zijn vrouw Rakel zich hierover nog uit in haar emotionele toespraak: ‘Mijn liefje. Je hebt afscheid genomen van je geliefden, van je kinderen, van je kleinkinderen en je hebt afscheid genomen van mijn omhelzing, maar niet van het land. Mijn liefje.’

Zie ook:
SCHICHTIGE DUIF: HRANT DINK (1954-2007)
Marte Kaan
en
Hrant Dink
Aart Brouwer